Vaak tussenhandel bij distributie van hennep in Noord-Nederland

Gepubliceerd op

Tussen onder en boven. Productie en distributie van softdrugs in Noord-Nederland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

In Noord-Nederland wordt in de 50 coffeeshops naar schatting jaarlijks maximaal 10 ton aan softdrugs verkocht met een omzet van bijna 90 miljoen euro. De distributieketen is erg divers met een nadrukkelijke rol voor de professionele tussenhandel die in tijden van schaarste de aanvoer waarborgt. Niet alle geproduceerde hennep eindigt bij coffeeshops; een deel komt terecht bij (straat)dealers en een deel wordt naar het buitenland geëxporteerd. Dat blijkt uit onderzoek van onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL in opdracht van Politie en Wetenschap. Door de tussenhandel is de oorsprong van de softdrugs uiteindelijk niet meer goed te achterhalen, ook niet voor de eindgebruikers. De onderzoekers doen aanbevelingen om als politie de productie- en distributienetwerken beter in kaart te brengen. 


Onderzoek
Het onderzoek richt zich op de productie en distributie van softdrugs in de politie-eenheid Noord-Nederland (provincies Groningen, Friesland en Drenthe). Er is beschikbare literatuur en documentatie bestudeerd, er zijn interviews gehouden met relevante ketenpartners en er is gesproken met personen die softdrugs produceren, erin handelen of de teelt faciliteren. Ook is informatie verkregen uit de politieregistraties en zijn processen-verbaal en documenten over opsporingsonderzoeken doorzocht. Op basis hiervan is daarnaast een sociale netwerkanalyse uitgevoerd.


Kwekers en technisch experts
Er blijken grofweg drie typen kwekers te kunnen worden onderscheiden: de (kleine) hobbykwekers, de (middelgrote) professionele kwekers en de (grote) commerciële kwekers. De laatste categorie, de bulkkwekers met meer dan 500 planten, krijgt bij de opsporing van dadergroepen de hoogste prioriteit. Grote kwekerijen worden vaak in bedrijfspanden of loodsen op bedrijventerreinen aangetroffen. De organisatiegraad is doorgaans hoog en er lijkt sprake van verregaande specialisatie van het productieproces. Voor kleine en middelgrote kwekers geldt dit in mindere mate. De kleine kweker verzorgt en oogst zijn planten zelf of met hulp van vrienden (vaak ook kwekers), terwijl de middelgrote kweker de hulp inroept van een bredere groep vrienden en bekenden.
Voor de grootschalige teelt en verspreiding van hennep zijn vaak technische experts nodig, bijvoorbeeld voor de constructie van de inrichting van de kwekerij en het omleggen van elektriciteit, makelaars voor de huur van panden, financiële dienstverleners voor het witwassen van de criminele winsten en autoverhuurbedrijven voor de distributie van hennep.

Verbeteren informatiepositie
In de opsporing is vooral nog veel winst te behalen bij onderzoek naar de distributie van hennep. De onderzoekers hebben een stappenplan voor sociale netwerkanalyse opgesteld, waarmee zij een nauwkeurig netwerk van betrokkenen kunnen construeren. Om in de toekomst meer informatie uit politieregistraties te kunnen halen moeten de politiesystemen beter ingericht worden om dwarsverbanden bloot te leggen. Bovendien zou er meer gebruik kunnen worden gemaakt van de informatie die bij de ketenpartners beschikbaar is.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Bureau INTRAVAL: Bert Bieleman, 050-3134052, bieleman@intraval.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Tussen onder en boven. Productie en distributie van softdrugs in Noord-Nederland’. (PK90)
Door: J. Snippe, R. Mennes, M. Sijtstra, B. Bieleman. Politiekunde 90, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu Uitgevers, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Militaire bijstand aan politie neemt toe

Gepubliceerd op

Defensiehulp. Legergroene bijstand aan de politie bij handhaving van de rechtsorde.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De politie maakt in toenemende mate gebruik van kennis en expertise van de krijgsmacht, de zogeheten militaire bijstand, met een juridische grondslag in artikel 58 van de Politiewet 2012. De krijgsmacht ondersteunt politie met name op het gebied van zoeken, analyse en observatie. Waar voorheen de focus lag op de openbare orde, denk bijvoorbeeld aan de inzet van de Marechaussee bij de Nieuwmarktrellen in de jaren 70, wordt militaire bijstand tegenwoordig voornamelijk ingezet bij opsporingszaken, waarbij vaak hoogwaardige kennis en materieel wordt gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Bervoets in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Hoewel zowel politie als defensie over het algemeen goede ervaringen met de bijstand hebben, raakt deze wel aan een klassiek dilemma in het politiebestel rond de vraag of politietaken in principe alleen door de politie zouden moeten worden uitgevoerd.

Het onderzoek verkent en beschrijft wat er komt kijken bij incidentele bijstand door militairen aan de politie. Het gaat om soms zeer specialistische mensen en middelen, zoals onder water met speciale apparatuur zoeken naar vuurwapens, een kluis of een lichaam, combat trackers die assisteren bij een vermissing op land en de inzet van drones bij een inbraakgolf. Gekeken wordt hoe deze specialistische, incidentele militaire bijstand plaatsvindt bij het reguliere politiewerk en wat de motieven en ervaringen zijn.
Voor het onderzoek zijn open bronnen geanalyseerd (denk aan nieuwsberichten en vakbladen, grijze literatuur) evenals cijfers van de geregistreerde bijstand van defensie. Daarnaast zijn interviews afgenomen met politiemensen, militairen, het bevoegd gezag en andere directbetrokkenen. 

Als reden voor de toegenomen vraag naar militaire bijstand noemt men onder andere de grotere expertise de laatste jaren bij defensie, onder andere door de uitzending naar Uruzgan. Ook vragen de (internationale) ontwikkelingen en dreigingen om een andere aanpak van de binnenlandse veiligheid, waarbij gedacht kan worden aan terrorisme en de bestrijding hiervan. Militaire bijstand werd daarnaast actiever aangeboden aan binnenlandse veiligheidspartners, waardoor de bekendheid toenam. Goede ervaringen met militaire bijstand leiden vervolgens weer tot nieuwe vraag.

Defensie en politie kunnen in het samenwerken van elkaar leren. Politiemensen kunnen leren van een heel andere manier van kijken en doen van defensie. Omgekeerd kan defensie bijvoorbeeld leren van de forensische expertise van de politie. Toch is een inhoudelijke en principiële discussie over de wenselijkheid van verdergaande militaire bijstand aan de politie aan te raden. Zo is het de vraag of de politie deze specialistische expertise en capaciteit beter zelf in huis kan hebben.


NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Sander Eijgenraam: 06-14676965 en emailadres: s.eijgenraam@bureaubervoets.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Defensiehulp. Legergroene bijstand aan de politie bij handhaving van de rechtsorde’. (PK89)
Door: E. Bervoets, S. Eijgenraam. Politiekunde 89, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; SDU, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Het verhoor door politie wordt effectiever zonder druk op verdachte

Gepubliceerd op

Effectiviteit van het verdachtenverhoor. Een veldstudie naar de relatie tussen verhoortechnieken, de verklaring van verdachten en de aanwezigheid van de advocaat in zware zaken.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.


De huidige manier van verhoren en de aanwezigheid van de advocaat blijken beperkt van invloed op de informatie die verdachten van zware misdrijven tijdens een politieverhoor prijsgeven. Dit is de belangrijkste conclusie uit een studie die door onderzoekers van de Erasmus School of Law in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap is uitgevoerd. Het onderzoek laat zien dat weinig verdachten gedurende het gehele verhoor zwijgen. De uitdaging voor een effectief verdachtenverhoor is dan ook niet zozeer de verdachte aan het praten te krijgen, maar de verdachte over de zaak te laten praten of de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie te onderzoeken. Hiertoe zou het verdachtenverhoor vormgegeven kunnen worden als een open gesprek waarin de beschikbare informatie met de verdachte wordt besproken. De verdachte en advocaat sneller inzage geven in het dossier kan bijdragen aan een efficiënter verdachtenverhoor.

Er bestaat weinig inzicht in de effectiviteit van het verdachtenverhoor als het gaat om het verkrijgen van zaakgerelateerde en betrouwbare informatie. De aanwezigheid van de advocaat bij het politieverhoor en nieuwe technologische ontwikkelingen bij het verkrijgen van bewijs zouden daarnaast van invloed kunnen zijn op de waarde die het verdachtenverhoor heeft voor het opsporingsonderzoek en in het verlengde daarvan het strafproces. Daarom is een veldstudie uitgevoerd waarin daadwerkelijk uitgevoerde verdachtenverhoren in zware zaken zijn bestudeerd. Het onderzoek heeft als doel inzichtelijk te maken welke verhoorstijlen en -technieken succesvol zijn bij de pogingen om een verdachte een verklaring te laten afleggen of te laten bekennen. Ook wordt nagegaan in hoeverre de aanwezigheid van een advocaat van invloed is op de verhoorstijlen en -technieken en de reacties van de verdachte.

Op basis van een literatuurstudie, 54 letterlijk uitgewerkte verdachtenverhoren en veertien geïnterviewde rechercheurs is een analyse gemaakt van de wijze waarop de verhooruitkomst voortkomt uit de interactie tussen opsporingsambtenaren en de verdachte. Dit heeft een gedetailleerd beeld opgeleverd van de manier waarop verdachtenverhoren worden uitgevoerd, van de manier waarop verdachten daarop reageren en van de consequenties die de aanwezigheid van de advocaat heeft op de interactie tussen opsporingsambtenaren en de verdachte.
Uit de resultaten volgt de implicatie dat de gereedschapskist van opsporingsambtenaren moet worden uitgebreid met alternatieve verhoorstijlen. Meer aandacht voor open en neutrale manieren van verhoren waarmee verdachten worden gemotiveerd om hun verhaal te vertellen lijkt een weg te zijn om het verdachtenverhoor toekomstbestendig te houden.
NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Willem-Jan Verhoeven: 010-4081623 (verhoeven@law.eur.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Effectiviteit van het verdachtenverhoor. Een veldstudie naar de relatie tussen verhoortechnieken, de verklaring van verdachten en de aanwezigheid van de advocaat in zware zaken.  (PW95)
Door: Willem-Jan Verhoeven, Elisa Duinhof. Politiewetenschap 95, Politie en Wetenschap, Apeldoorn / Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Schakel eerder politie in bij ongewenst seksueel gedrag in de sport

Gepubliceerd op

Over grenzen in de sport. De rol van de politie in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport in samenwerking met relevante partners.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Veel meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport (SGG) worden informeel afgedaan door sportverenigingen, waardoor de politie onvoldoende zicht krijgt op het probleem. Een verklaring is dat sportverenigingen bij het inschakelen van de politie vaak denken dat er door de politie altijd wordt gereageerd met ‘sirene en zwaailichten’ en zij dit als bedreigend ervaren. De politie wil echter in een zo vroeg mogelijk stadium van de melding betrokken worden zodat ze kunnen adviseren over het vervolgtraject en zo nodig kunnen ingrijpen. Dit blijkt uit een onderzoek dat Bureau Beke heeft uitgevoerd in opdracht van Programma Politie en Wetenschap naar de rol van de politie in de aanpak van SGG in de sport. Uit de verhalen van slachtoffers blijkt dat ze problemen ondervinden bij het melden van misbruik of dat er niets met hun melding wordt gedaan door sportverenigingen. Diverse instanties kunnen een rol spelen bij de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport. De onderzoekers pleiten er op basis van het onderzoek voor dat sportbonden en verenigingen een helder beleid voeren en nauwer samenwerken met de politie bij de bestrijding van SGG. 
 Onder de noemer seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) wordt een breed scala aan gedragingen verstaan, variërend van verbaal seksueel intimiderend gedrag tot ongewenste seksuele aanrakingen, het maken van heimelijke opnames, grooming en fysiek seksueel misbruik. In ‘Over grenzen in de sport’ geven de auteurs antwoord op de vraag wat de belemmeringen zijn om problemen te melden en hoe zaken worden opgepakt en afgehandeld. Er wordt ingegaan op de rol die de politie hierin heeft en kan hebben in samenhang met de inbreng van NOC*NSF, de sportbonden en – verenigingen.

Onderzoeksmethoden
Om na te gaan hoe de politie en haar partners de bestrijding en aanpak van SGG binnen de sport kunnen verbeteren, zijn verschillende onderzoeksmethoden ingezet. Er zijn literatuur en documenten (zoals jaarverslagen, beleidsstukken en procedurebeschrijvingen) geraadpleegd. Tevens zijn de registraties van het Vertrouwenspunt Sport van het NOC*NSF, de sportbonden en de politie geanalyseerd. Aanvullend zijn er interviews gehouden met vijftig deskundigen vanuit sportclubs, politie, OM en met (ouders) van slachtoffers.

SGG in de sport
Kenmerkend voor de slachtoffers is hun kwetsbaarheid, die bijvoorbeeld voortkomt uit een slechte thuissituatie of sociale isolatie. Een belangrijk deel van de slachtoffers is bovendien minderjarig. Plegers zijn vaak geliefd, populair en onmisbaar binnen de vereniging. Toch voldoen niet alle slachtoffers en daders aan dit beeld. Er zijn volgens respondenten verschillende typen slachtoffers en plegers te onderscheiden. De politie lijkt een wat andere categorie slachtoffers en plegers in beeld te hebben dan de bonden en het Vertrouwenspunt Sport (VPS). De politie registreert vaker zaken waarbij één slachtoffer is betrokken. Dit slachtoffer is relatief vaak een vrouw. De politie heeft vaker medesporters als pleger van SGG in beeld dan de sportbonden en het VPS.

Beleid rondom SGG in de sport
Er zijn weliswaar diverse instrumenten ontwikkeld door NOC*NSF die verenigingen kunnen gebruiken, maar die blijken in de praktijk vaak niet te worden gebruikt. Een genoemde reden is dat het onderwerp SGG niet genoeg leeft en als ‘lastig’ wordt ervaren binnen de sportverenigingen. Men denkt soms dat SGG niet bij de vereniging voorkomt. Er rust een taboe op SGG in de sport.
Het kunnen garanderen van een veilig en gezond sportklimaat staat of valt met het herhaaldelijk aandacht vragen voor het feit dat grensoverschrijdend gedrag in de breedste zin van het woord voorkomt. Geen enkele tak van sport is hiervan uitgezonderd. Uit het onderzoek blijkt dat sommige verenigingen pas gaan nadenken over de aanpak van SGG als zich een incident binnen hun club heeft voorgedaan. Omdat besturen van verenigingen elkaar snel kunnen opvolgen, is een goede borging van het (veiligheids)beleid elementair.

Afdoening van SGG in de sport en rol politie
Veel meldingen van SGG worden informeel ‘opgelost’ en dus niet tuchtrechtelijk en/of strafrechtelijk afgehandeld. Het onderzoek maakt duidelijk dat het criminaliseren van alle grensoverschrijdende gedragingen niet wenselijk is, voor zowel de melder/het slachtoffer als de pleger en vereniging. Besturen van verenigingen kunnen ‘lichte’ overtredingen van de fatsoensnormen goed zelf aanpakken. Daarentegen moet het zelf oplossen geen kenmerken van een doofpot gaan vertonen en daarom zijn goede registratie en transparantie essentieel. Zaken die strafrechtelijk van aard zijn dienen ook als zodanig te worden afgehandeld.
Een aanbeveling is bovendien dat de politie haar diensten inzichtelijker kan maken voor de sportverenigingen en in een vroeger stadium van meldingen verenigingsbesturen van advies kan voorzien over de afhandeling. 


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Marjan Olfers, hoogleraar VU Amsterdam (telefoonnummer, m.olfers@vu.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Over grenzen in de sport. De rol van de politie in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport in samenwerking met relevante partners.’ (PK88)

Door: A. van Wijk, M. Hardeman, L. Scholten en M. Olfers. Politiekunde 88, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Een kijkje in de recherchekeuken

Gepubliceerd op

Modus operandi van de recherche. De recherchepraktijk in moord- en verkrachtingszaken.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.


Zoals een crimineel zich een bepaalde werkwijze eigen maakt, zo heeft ook de recherche modus operandi. Bureau Beke heeft voor Programma Politie & Wetenschap onderzocht hoe rechercheteams in de praktijk te werk gaan bij moord- en zedenzaken. Daarbij is op een neutrale manier de dagelijkse praktijk van rechercheteams vastgelegd die, vaak onder grote druk van publiek, media en het bestuur, zo snel mogelijk de misdaad moeten oplossen. Wat doet het rechercheteam (en waarom) om een zaak tot opheldering te brengen? Het belangrijkste doel van het onderzoek is om rechercheurs in Nederland kennis te laten nemen van de inspanningen, teleurstellingen en successen van collega-rechercheurs. Elke zaak is weliswaar uniek, maar verschillende ‘succesfactoren’ komen in de zaken terug. In de praktijk is het niet altijd haalbaar dat een compleet opgetuigd en gekwalificeerd team meteen na het misdrijf kan starten met onderzoek. Niettemin worden de meeste zaken opgelost.

Het onderzoek is gebaseerd op 31 moord- en verkrachtingszaken. De politiedossiers zijn bestudeerd en er zijn interviews gehouden met de rechercheteams. De omvang van de bestudeerde dossiers wisselde per zaak: van sommige zijn enkel de stamprocessen-verbaal bestudeerd (samenvatting van de zaak van zo’n 50-60 pagina’s), van andere zijn dozen vol met dossiers met daarin processen-verbaal van verhoren, tactische middelen, forensisch onderzoek en bijzondere opsporingsmiddelen onderzocht.
Er is voor gekozen om vooral zaken te bestuderen met een onbekende dader, die geen relatie heeft met het slachtoffer. Dit soort zaken komt weinig voor, want bij moord en zedenmisdrijven kennen dader en slachtoffer elkaar vaak. Het rechercheteam moet in deze zaken meestal alles uit de kast halen om bij een verdachte te komen.

Het onderzoek laat zien dat het denken in termen van hypothesen en scenario’s inmiddels gemeengoed is binnen de recherche en dat van tunnelvisie weinig sprake meer lijkt. Bij uitzondering richt de recherche zich in haar opsporingsonderzoek nog op een enkel scenario of een enkele verdachte.
Het ambachtelijke recherchewerk bestaat onder meer uit het sporenonderzoek op de plaats delict, het houden van buurtonderzoek, veiligstellen van telecomgegevens, het raadplegen van politiesystemen en het gebruikmaken van de media. Het is soms zoeken naar een speld in de hooiberg, bijvoorbeeld als de recherche moet uitzoeken wie in een straal van 20 kilometer op een bepaald type brommer rijdt. Soms heeft het rechercheteam ‘geluk’ en laat de dader DNA achter of wordt herkend door het slachtoffer of getuigen. Verdachten kunnen ook uit het buitenland komen of zich daar verschansen voor de politie. De formele contacten met buitenlandse politiekorpsen zijn soms tijdrovend. Het helpt als de teamleden afreizen naar het buitenland om de informatie ter plekke te halen.
Uit de bestudeerde zaken blijkt dat het moeilijk is voor de dader om geen sporen achter te laten. De snelle ontwikkeling in technische mogelijkheden vergroot de waarde van sporenonderzoek. De afstemming tussen tactische en technische opsporing behoeft nog wel verbetering. Tactisch moet immers bepaald worden wat er technisch moet worden onderzocht. Hoewel technisch bewijs in zaken tot een oplossing hebben geleid, blijven verklaringen van getuigen en tips ook van grote waarde. Deze kunnen de recherche op het juiste spoor zetten.

In een paar gevallen is het de recherche (nog) niet gelukt om de zaak op te lossen. Zoals bij een in stukken gezaagd lichaam dat weken in het water heeft gelegen. Na veel tijd en moeite is er geen dader gevonden. De recherche documenteert dan alle informatie zo volledig mogelijk voor een eventueel cold case team. 

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Anton van Wijk. a.vanwijk@beke.nl
Tel. 06-23035340

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Modus operandi van de recherche. De recherchepraktijk in moord- en verkrachtingszaken’. (PK87)

Door: A. van Wijk, I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 87, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Opsporen voortvluchtigen heeft vaak weinig prioriteit

Gepubliceerd op

De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Er staan ongeveer 11.000 tot een gevangenisstraf veroordeelde voortvluchtigen op de nationale opsporingslijst en deze worden niet altijd actief opgespoord. Dit blijkt uit onderzoek van Yvette Schoenmakers en anderen. Sommige voortvluchtigen staan al lang gesignaleerd; bijna de helft al langer dan vijf jaar. Ruim driekwart van de voortvluchtigen heeft een openstaande strafduur van hooguit twee maanden voor bijvoorbeeld vermogenscriminaliteit. De opsporing van deze mensen heeft geen hoge prioriteit bij de politie. Sommige voortvluchtigen zijn zwaardere criminelen met hogere openstaande straffen. Opsporing van deze zwaardere criminelen valt onder het landelijk politieteam FASTNL, dat deze voortvluchtigen actief en specialistisch opspoort. De groep voortvluchtigen die niet in aanmerking komt voor gerichte opsporing, de ‘middenmoot’ met kortere openstaande gevangenisstraf, loopt echter kans om aan de aandacht van de politie te ontsnappen. Beperkte gegevensuitwisseling door en met andere instanties is daar mede debet aan. Een deel van de grote groep voortvluchtigen zou ‘vindbaar’ zijn als er gericht gezocht zou worden. Er zijn volgens de onderzoekers mogelijkheden om tot een meer geloofwaardige strafexecutie te komen.

Het onderzoek
In het onderzoek zijn kenmerken in beeld gebracht van voortvluchtigen die zich onttrekken aan een onherroepelijk door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Onderzoeksvragen waren: wat zijn de achtergrondkenmerken van gesignaleerde voortvluchtigen in Nederland, hoe ontvluchten zijn hun straf en hoe kan de politie het traceren van deze personen optimaliseren? Voor het onderzoek zijn van 11.167 voortvluchtigen in het landelijk opsporingssysteem gegevens bestudeerd afkomstig van CJIB, politie en justitie. Daarnaast zijn interviews en een expertmeeting gehouden met professionals en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden van 29 aangehouden voortvluchtigen in twee politie-eenheden.

De voortvluchtigen
De overgrote meerderheid (87%) van de voortvluchtigen is man. Een klein deel (8%) is geboren in Nederland, 37% in een niet-westers land, 27% in een Midden- of Oost-Europees land. De delicten waarvoor men is veroordeeld toen men voortvluchtig werd (indexdelicten), zijn vooral vermogensdelicten zonder geweld (58%), gevolgd door drugsdelicten (13%). De helft heeft een openstaande strafduur van hooguit een maand, ruim een kwart (27%) 1 tot 2 maanden. Bijna een tiende (9,2%) heeft een openstaande detentie van 120 dagen of meer. De helft van de voortvluchtigen heeft meerdere eerdere veroordelingen op zijn of haar naam staan, vooral voor vermogensdelicten zonder geweld.
De groep voortvluchtigen is gevarieerd van aard en bestaat onder andere uit veelplegers, ‘beroepscriminelen’ met een zwaarder strafblad (vooral drugs- en geweldmisdrijven), ‘first offenders’ zonder eerdere veroordelingen en enkele jeugdige voortvluchtigen. Niet alle voortvluchtigen lijken zich ervan bewust dat ze gezocht worden voor een openstaande gevangenisstraf. Bijvoorbeeld veroordeelden die in aanmerking komen voor vervangende hechtenis door het schenden van door de rechter opgelegde voorwaarden. Anderen weten het wel, maar houden zich op de vlakte. Een deel van de – met name zwaardere criminelen – lijkt in het buitenland te verblijven.

De opsporing
De eerste 90 dagen is het opsporen van voortvluchtigen een taak van de politiebasisteams. Deze basisteams gaan in de praktijk meestal drie keer langs bij de voortvluchtige, als het adres bekend is, om te kijken of de voortvluchtige alsnog aangehouden kan worden. Sommige basisteams verrichten nog extra opsporingshandelingen. Daarna is het afhankelijk van de hoogte van de straf of er actief opgespoord wordt; onder de 120 dagen openstaande straf is dit niet het geval. De voortvluchtige blijft dan wel gesignaleerd staan en wordt aangehouden als deze zelf ergens tegen de lamp loopt. In een aantal politie-eenheden wordt meer tijd geïnvesteerd in de opsporing van voortvluchtigen, bijvoorbeeld met gerichte landelijke executie-acties, die succes opleveren.
Informatie over voortvluchtigen wordt niet altijd goed geregistreerd en/of gedeeld bij verschillende overheidsdiensten. Dit kan tot gevolg hebben dat een verkeerd adres in het opsporingsregister staat, maar soms ook dat voortvluchtigen een uitkering ontvangen of een nieuw paspoort kunnen aanvragen.
Een deel van de geconstateerde knelpunten wordt momenteel geadresseerd binnen de Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB) en verder wettelijk ingekaderd in het herziene Wetboek van Strafvordering. De aanbevelingen van de onderzoekers borduren hierop voort en betreffen onder andere voortgezette aandacht voor de samenwerking intern en binnen de keten; het aanpassen van opsporingsstrategieën aan specifieke categorieën voortvluchtigen en het vergroten van aandacht en urgentie binnen politie voor de opsporing van voortvluchtigen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Ilse de Groot, 06 14663875 (ilsedegroot@ratioresearch.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland’. (PK82)
Door: Y. Schoenmakers, I. de Groot, J. van Zanten, A. van Rooyen, J. Baars.

Politiekunde 82, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.
Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Georganiseerde misdaadfamilies: hardnekkig en moeilijk te bestrijden

Gepubliceerd op

Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Hans Moors: 070 8700460 (moors@emma.nl)
- Toine Spapens: 013 4663618 (a.c.spapens@uvt.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


‘Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad’. (PW84)

Door: H. Moors en T. Spapens. Politiewetenschap 94, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eén op de acht dierenmishandelaars is een vrouw

Gepubliceerd op

De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden van dierenmishandelaars.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Het profiel van dierenmishandelaars is erg gevarieerd; er kan niet worden gesproken van dé dierenmishandelaar. Bureau Beke heeft in opdracht van Programma Politie en Wetenschap voor het eerst onderzocht wie die dierenmishandelaars zijn. Ondanks dat in de literatuur voornamelijk over mannelijke dierenmishandelaars wordt gesproken is 1 op de 8 daders een vrouw. In de meeste gevallen gaat het om mishandeling van een hond (57%) of een kat (17%). Hierbij gaat het in meer dan de helft van de gevallen om het eigen dier. De mishandeling bestaat voornamelijk uit slaan, schoppen en/of gooien met het dier. De onderzoekers pleiten op basis van het onderzoek voor meer aandacht voor dierenmishandeling.

Met enige regelmaat verschijnen berichten in de media over dieren die mishandeld zijn. Het zijn zaken die voor heftige beroering in de samenleving kunnen zorgen. Denk aan de vele paarden die vanaf 2012 verspreid over Nederland ernstig zijn toegetakeld. Een zaak die nog steeds niet is opgelost. De vraag is: wie doet nu zoiets? Wie zijn deze dierenmishandelaars, wat zijn hun kenmerken en achtergronden?
 
Onderzoeksmethoden
Na een lange zoektocht in verschillende registratiesystemen van diverse instanties zijn de kenmerken en achtergronden van 97 dierenmishandelaars in beeld gebracht. De gegevens van de instanties zijn ook gebruikt om een beeld te geven van de aard en omvang van dierenmishandeling. Vervolgens is er met meerdere deskundigen vanuit verschillende organisaties gesproken om hun kennis en ervaring op te tekenen en om de resultaten te duiden. Ook zijn er vragenlijsten afgenomen bij taakaccenthouders dierenwelzijn van de Nationale Politie en bij chauffeurs van de dierenambulances.

Dierenmishandelaars
De kernmerken en achtergronden van dierenmishandelaars zijn divers. De leeftijdsrange van de dierenmishandelaars loopt uiteen; de jongste is 7 en de oudste is 85 jaar. De dierenmishandelaars zijn gemiddeld 34 jaar oud ten tijde van het plegen van de dierenmishandeling.
Dierenmishandelaars zijn geen criminelen pur sang. Integendeel, de helft is volgens politiegegevens te beschouwen als first offender; ze hebben behalve het dierenfeit, geen andere HKS-registratie. Van deze groep zou in theorie kunnen worden verwacht dat zij later wel ernstiger delicten kunnen gaan plegen, hoewel een deel ouder is dan 30 jaar. De andere helft van de dierenmishandelaars plegen – over het geheel genomen – allerlei vormen van criminaliteit. Hierbij valt vooral het aandeel van de vermogensmisdrijven (34%) en geweldsmisdrijven (23%) op. Slechts bij negen personen is vastgesteld dat er naast dierenmishandeling ook sprake is van huiselijk geweld. Het is dus zaak om ook buiten de context van huiselijk geweld te kijken naar dierenmishandelaars teneinde een compleet beeld te verkrijgen van het fenomeen. Wat ook opvalt, is dat de plaats van de dierenmishandeling binnen de totale criminele carrière vaker aan het eind ervan dan aan het begin ervan is, althans voor zover dat is op te maken uit de politieregistraties.

De dierenmishandelaars ervaren in de meeste gevallen problemen op verschillende leefgebieden. Ondanks dat de registraties matig gevuld zijn, blijkt een aanzienlijk deel van de mishandelaars werkeloos te zijn (40%) en/of schulden te hebben (40%). Ook is er regelmatig alcohol- en/of (soft-)drugs in het spel te zijn tijdens de dierenmishandeling. Opvallend is dat een derde van de mishandelaars agressieregulatieproblemen heeft en ook impulscontrolestoornissen (18%) en een gebrek aan sociale vaardigheden (18%) komen voor.

Aanbevelingen
Uit het onderzoek volgen verschillende aanbevelingen. Alertheid bij de taakaccenthouders én bij de surveillancedienst kan leiden tot een betere signalering van dierenmishandeling. Ook is het belangrijk dat de kennis en kunde van alle politiefunctionarissen die met dierenmishandeling te maken kunnen krijgen op peil wordt gebracht en gehouden. Idealiter zou een database kunnen worden opgezet om zaken van dierenmishandeling consequent te registreren. Tot slot is het belangrijk dat de politie voldoende tijd krijgt om dierenmishandelingzaken op te pakken en te onderzoeken.

De kennis die in de rapportage ‘De aard van het beestje’ wordt gedeeld, is nuttig voor iedere politiefunctionaris en andere professionals die op welke manier dan ook te maken kunnen krijgen met dierenmishandeling. De ‘puzzel’ rondom de persoon van de dierenmishandelaar is nog niet opgelost maar dit eerste onderzoek geeft een goede aanzet voor verdere studie naar het fenomeen dierenmishandeling en de plegers ervan.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Manon Hardeman, onderzoeker (026-4438619, m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden
van dierenmishandelaars. (PK86)

Door: A. van Wijk en M. Hardeman. Politiekunde 86, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eerlijke informatie achterblijvers cruciaal bij opsporing vermisten

Gepubliceerd op

Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Van de tienduizenden vermissingen die jaarlijks bij de politie worden gemeld, resulteren er bijna honderd in een langdurige vermissing. Deze langdurige vermissingen moeten vanaf het eerste moment met een opsporingsbril worden bekeken en niet te veel vanuit een hulpverleningsperspectief. Zo wordt voorkomen dat belangrijke informatie wordt gemist en er kostbare tijd verloren raakt. Medewerking van achterblijvers is hierbij cruciaal, maar deze wordt niet altijd direct gegeven aan de politie. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke, waarin 30 langdurige vermissingszaken zijn gereconstrueerd.

Het onderzoek
De Nationale Politie beschikt sinds vorig jaar over de zogenaamde 'Beke-lijst' met daarop 1500 personen die een jaar of langer worden vermist. In dit vervolgonderzoek is gekeken hoe de politie met langdurige vermissingszaken omgaat en wat daarvan geleerd kan worden. In het onderzoek is een reconstructie gemaakt van de opsporing van 30 langdurige vermissingen waarbij de politie op enig moment het vermoeden van een misdrijf heeft. Het gaat om zowel opgehelderde als niet-opgehelderde zaken. De vermissingen dateren uit het tijdvak 1985 tot en met 2010 en kennen een gemiddelde looptijd van elf jaar. Van die zaken is het politiedossier geanalyseerd en er zijn interviews gehouden met de betrokken politiefunctionarissen. In een aantal zaken is daarnaast gesproken met de achterblijvers van de vermisten om ook hun ervaringen met het politieonderzoek op te tekenen. De reconstructies bieden inzicht in de recherchepraktijk bij vermissingszaken en leveren lessen op voor de opsporing. Dat zijn niet alleen lessen voor de politie maar ook voor achterblijvers van vermisten. Omdat bij een vermissing onbekend is wat er aan de hand is, heeft de politie in feite direct een achterstand. Hoe eerder de vermissingszaak toch serieus wordt opgepakt, des te groter de kans dat een zaak wordt opgehelderd.

Rol achterblijvers
Achterblijvers hebben hier een belangrijk aandeel in: zij moeten op tijd melding maken van een vermissing én geen informatie achterhouden. Omdat er bij een vermissing vaak weinig tastbaars is, moet de politie voornamelijk op verhalen van achterblijvers afgaan. Het blijkt echter regelmatig voor te komen dat achterblijvers vanwege schaamte, trots of angst informatie verzwijgen, bijvoorbeeld over problemen die spelen. Daardoor bestaat de kans dat de politie de verkeerde denk- en zoekrichtingen inslaat en er onnodig tijd verloren raakt. Achterblijvers moeten zich er daarom van bewust zijn dat het cruciaal is dat zij direct eerlijk alle relevante informatie met de politie delen.
Van de zijde van de politie mag verwacht worden dat de verklaringen van achterblijvers niet zondermeer voor waar worden aangenomen maar worden geverifieerd. Een achterblijver kan immers betrokkenheid hebben bij de verdwijning. Dat kan blijken uit een gebrek aan bezorgdheid, het bewust achterhouden van informatie of het bewust op het verkeerde spoor zetten van de politie. Een voorbeeld is een zaak waarin een achterblijver verklaart dat de vermiste uit eigen beweging naar het buitenland is vertrokken. Jaren later blijkt hij haar vermoord en begraven te hebben.

Lessen voor de opsporing
De intuïtie (het fingerspitzengefühl) van ervaren politiefunctionarissen moet serieus worden genomen, blijkt uit het onderzoek. Daarnaast zijn creativiteit, vasthoudendheid en het betrekken van bijzondere expertises voorwaarden bij de behandeling van een vermissingszaak.
De politie hanteert geen protocol voor het opnieuw in onderzoek nemen van oude vermissingszaken. Naast de 1500 langdurige vermissingen zijn er ruim 1000 onopgeloste ernstige misdrijven (cold cases) waar ook opsporingscapaciteit voor nodig is. Er wordt in het onderzoek voor gewaarschuwd dat de aandacht voor langdurige vermissingen niet beperkt moet blijven tot een administratieve borging.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden: 026 4438619 / 06 55384883 (i.vanleiden@beke.nl)
- Manon Hardeman: 026 4438619 (m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen. (PK85)
Door: I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 85, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

ZSM leidt binnen de politie tot meer aandacht voor de aanpak van VVC

Gepubliceerd op

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Renze Salet: 024-3612494 (r.salet@jur.ru.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.
Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap
(PW92)

Door: R. Salet en J. Terpstra m.m.v. P. Frielink. Politiewetenschap 92, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Betere opsporing door politie vergt heldere keuzes

Gepubliceerd op

Naar een rationele opsporing. Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing.

Nieuwe publicatie Politie en Wetenschap in de reeks speciale uitgaven.

Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk kan worden gedownload van de website van Politie en Wetenschap en is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit: 06-51188627

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Het rapport is gratis te downloaden als PDF van de website www.politieenwetenschap.nl

Effecten bodycam bij politie afhankelijk van context

Gepubliceerd op

De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Invoering van de bodycam door de politie leidt niet altijd tot gewenste effecten als vermindering van het aantal klachten en geweldgebruik door politie en gebruik van opnames voor opsporing. Dit blijkt uit een grootschalig internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd door Sander Flight. Positieve effecten die wel gevonden werden in de VS bleken niet op te treden in de andere landen waar grondige onderzoeken met bodycams zijn uitgevoerd. Context, zoals de relatie tussen politie en burgers, beleidsmatige keuzes, technische specificaties en het juridisch kader zijn blijkbaar van invloed. Met behulp van te evalueren pilots kan de politie beter zicht krijgen op de effecten in de Nederlandse context en bij verschillend gebruik.
Er zijn in de literatuur negen evaluaties aangetroffen die voldoende degelijk van opzet waren om mee te mogen doen in deze meta-evaluatie: in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Vijf van de negen onderzoeken lieten zien dat het aantal klachten tegen politiemensen aanzienlijk daalde (met 14 tot 87 procent). De vier andere evaluaties onderzochten andere doelen en deden dan ook geen uitspraak over klachten. Ook geweldsgebruik door de politie kan dalen door bodycams: dat lieten drie van de negen evaluaties zien (dalingen met 28 tot 75 procent). Over de waarde van opgenomen beelden voor de opsporing weten we nog maar weinig: slechts twee van de bestudeerde evaluatierapporten rapporteerden positieve, zij het kleine, bijdragen van bodycams aan de strafrechtketen.

De effecten van bodycams lijken sterk af te hangen van de beleidsmatige context. Moet de politie zelf de bodycam aanzetten of staat hij altijd aan? En wie werken met de bodycams: doet men dit alleen vrijwillig of is het gebruik verplicht? Dit is van invloed op het aantal opgenomen beelden. Beleid en instructies zijn dus heel belangrijk. Hetzelfde geldt voor technische specificaties (bijvoorbeeld of te zien is dat de camera aanstaat), het juridische kader (bijvoorbeeld hoe lang de beelden bewaard worden en of zij direct naar het OM en de rechter gaan of moeten worden uitgeschreven in een proces-verbaal) en de fysieke context (bijvoorbeeld het type locatie of soort politiedienst). Hoe dit alles op elkaar inwerkt is nog niet duidelijk; niet in het buitenland en ook niet in Nederland.

Een belangrijke aanbeveling is om een onderzoeksprogramma te starten en de effecten van bodycams ook in Nederland grondig te onderzoeken. Het doel van vervolgonderzoek zou moeten zijn om uit te vinden hoe publiek en politie op de bodycams reageren, wat bodycams bijdragen aan waarheidsvinding, bewijsvoering, klachtafhandeling, het voorkomen van geweld tegen de politie en aan intercollegiaal leren. Dit vervolgonderzoek, waarbij pilots worden geëvalueerd, kan uitwijzen hoe, waar, in welke situatie en op welke manier bodycams bij de uitrusting van de politie zouden kunnen gaan behoren.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Sander Flight, zelfstandig onderzoeker: 06 - 41315432

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.’ (PW93)
Door: S. Flight. Politiewetenschap 93, Politie en Wetenschap, Apeldoorn/Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Noodmaatregelen burgemeesters vaak ondeugdelijk

Gepubliceerd op

Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie & Wetenschap.

Vrijwel elke week is er ergens in Nederland een noodmaatregel van kracht: een tijdelijke maatregel van de burgemeester om een noodsituatie te voorkomen of te bestrijden. Jaarlijks zijn honderden politieagenten betrokken bij de handhaving van zogeheten noodbevelen (concrete instructies voor burgers) en noodverordeningen (algemene verboden en geboden). De noodmaatregelen lopen uiteen van eenvoudige gebiedsverboden tot evacuatiebevelen. Uit dit onderzoek van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid (COOV) van de Rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat de genomen noodmaatregelen regelmatig in strijd zijn met de wet. Burgemeesters hebben moeite met het opstellen van juridisch houdbare noodvoorschriften en kennen bijvoorbeeld nieuwe bevoegdheden aan de politie toe. De noodvoorschriften worden verder soms zodanig geformuleerd dat het voor de politie moeilijk is ze te handhaven. In het onderzoek komt men tot best practices voor verschillende soorten noodsituaties: juridisch houdbare en door politie handhaafbare maatregelen die bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

In het onderzoek zijn ruim 250 noodverordeningen en noodbevelen van de laatste vijf jaren verzameld. Verder is gesproken met diverse deskundigen. Voor hun analyse onderscheiden de onderzoekers twaalf situaties waarin burgemeesters noodmaatregelen inzetten. Ze lopen uiteen van rampen zoals brand of overstroming tot ernstige wanordelijkheden als ordeverstoringen door voetbalgeweld of ongeregeldheden tijdens het bezoek van hoogwaardigheidsbekleders. De noodmaatregelen zijn geanalyseerd op legaliteit, juridische houdbaarheid en praktische handhaafbaarheid. Afgesloten wordt met een overzicht van de best practices – dat zijn de maatregelen die positief scoren op bovenstaande vragen en die in belangrijke mate kunnen bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

Het onderzoek kan de verantwoordelijke gezagsdragers helpen bij het treffen van bruikbare noodmaatregelen. Daarmee is dit rapport van grote waarde voor burgemeesters, juristen van gemeenten en veiligheidsregio’s, leidinggevende politiefunctionarissen als ook andere betrokkenen bij de aanpak van noodsituaties.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- A.J. Wierenga: 050 363 5666 / a.j.wierenga@rug.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.’  (PK84)
Door: A.J. Wierenga, C. Post & J. Koornstra. Politiekunde 84, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl.

Aangifte slachtoffer mensenhandel niet perse nodig voor opsporing

Gepubliceerd op

Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte? Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Een aangifte is bij de aanpak van gedwongen prostitutie niet perse nodig als er ook voldoende andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, bijvoorbeeld op basis van prostitutiecontroles en financieel onderzoek. Dit blijkt uit onderzoek van Marjolein Goderie. Slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie vinden het lang niet altijd in hun eigen belang om aangifte te doen bij de politie. De aangiftebereidheid is dan ook laag. Ook de politie is vanwege het mogelijke risico voor het slachtoffer soms terughoudend om een aangifte van een slachtoffer van mensenhandel op te nemen, maar ziet die aangifte wel als belangrijke start van een opsporingsonderzoek. Opsporen en vervolgen zonder aangifte is in principe juridisch mogelijk, maar wordt nog teveel als papieren werkelijkheid gezien. Uit dit onderzoek blijkt dat er wel degelijk mogelijkheden in de praktijk zijn om zonder aangifte van een slachtoffer succesvol een opsporingsonderzoek te starten en verdachten te vervolgen en voor de rechter te brengen. Rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens biedt daarbij ruimte voor creatieve oplossingen van de zijde van de politie. Het onderzoek biedt daarmee handvatten voor de opsporingspraktijk bij mensenhandel in de prostitutie.

Een van de redenen voor de lage aangiftebereidheid bij mensenhandel in de prostitutie is dat veel slachtoffers erg bang zijn, bijvoorbeeld voor wraakacties van hun uitbuiters. Ook vrezen slachtoffers dat de politie weinig kan en zal doen om de verdachten meteen aan te pakken. Zelfs al worden er aangiften verkregen, dan is de kwaliteit er van vaak niet optimaal. Een oplossing zou daarom zijn om niet de aangifte van het slachtoffer als vertrekpunt te nemen maar bij de opsporing meer verdachte-gericht te werk te gaan.
 
In dit onderzoek is daarom door middel van interviews met deskundigen en een analyse van jurisprudentie uitgezocht wat mogelijkheden in de praktijk zijn om een opsporingsonderzoek naar mensenhandel in de prostitutie succesvol te starten of te volbrengen zonder dat slachtoffers (eerst) aangifte doen. Deze mogelijkheden zijn in de politiepraktijk nog onvoldoende bekend.

Uit de interviews komen kansrijke opsporingsmethoden naar voren, uit de speurtocht naar jurisprudentie succesvolle bewijsmiddelen. Voorbeelden van succesvolle opsporingsmiddelen zijn het beginnen van een onderzoek op basis van een melding, digitaal onderzoek, de heimelijke doorzoeking en observaties door de politie. Een aangifte is niet perse nodig als de opsporing zich gaat richten op het verkrijgen van andere bewijsmiddelen. Uit de jurisprudentie blijkt dat sommige politieteams en officieren van justitie dit pad al eens succesvol gevolgd hebben.
De politie en het Openbaar Ministerie kijken nu hoe zij de mogelijkheden om vaker verdachte gericht op te gaan sporen verder kunnen gaan ontwikkelen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Marjolein Goderie: marjolein@goderie-onderzoek.nl, 0640935335


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte?
Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken.’ (PK81)
Door: Marjolein Goderie m.m.v. Renée Kool
.Politiekunde 81, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Proactieve controles van de politie moeten effectiever

Gepubliceerd op

Boeven vangen. Een onderzoek naar proactief politieoptreden.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Voor het eerst is in een grootschalig onderzoek vanuit de dagelijkse politiepraktijk gekeken naar de manier waarop politieagenten mogelijke overtreders op straat selecteren en staandehouden voor proactieve controles. Dit zijn controles op eigen initiatief van de politie. Uit het onderzoek van Twynstra Gudde blijkt dat etnische minderheden relatief zijn oververtegenwoordigd in de controles. Voor deze oververtegenwoordiging bestaat niet altijd een objectieve rechtvaardiging. Etnisch profileren komt dus voor. Het zijn echter niet alleen etnische minderheden die door de politie worden geprofileerd. Ook burgers die behoren tot de etnische meerderheid worden geprofileerd bij de uitvoering van proactieve controles. Het profileren van burgers past binnen het professionele frame van politieagenten dat kan worden samengevat als ‘boeven vangen’ en wordt tevens bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid. Het disproportioneel vaak controleren van etnische minderheden is mede daardoor niet eenvoudig te veranderen. 

Het proactieve optreden van politieagenten is sinds enkele jaren onderwerp van maatschappelijke kritiek. Deze kritiek houdt verband met de vaak gedane, maar gebrekkig onderbouwde, stelling dat de politie etnisch profileert. Van etnisch profileren is sprake wanneer burgers op grond van hun zichtbare etnische achtergrond en/of huidskleur disproportioneel worden staande gehouden, zonder dat daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Onderzoekers van Twynstra Gudde hebben het proactief politieoptreden kwantitatief en kwalitatief in kaart gebracht door in totaal dertig diensten mee te draaien in vier basisteams. Het proactief politieoptreden is zo volledig mogelijk in kaart gebracht: van selecties uit het straatbeeld – via staandehoudingen en de bejegening – tot de opbrengsten van het proactieve optreden.

Uit het onderzoek komt naar voren dat politieagenten net zo vaak gebeurtenissen uit het straatbeeld selecteren op basis van waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers als op basis van een vermoeden van een strafbaar feit (verdenking). Bij selecties op basis van een vermoeden van een strafbaar feit spelen intuïtie en stereotypering een rol. De stereotypen die politieagenten gebruiken hebben deels een etnisch karakter, maar ook binnen de etnische meerderheid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende stereotypen. Politieagenten zijn zich in de regel bewust van het gebruik van stereotypen. Zij rechtvaardigen het gebruik hiervan door te verwijzen naar hun ervaringen in het politiewerk en naar de informatie die zij over criminaliteitsplegers krijgen aangereikt.

Politieagenten gaan eerder tot een staandehouding over bij waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers dan wanneer zij op basis van intuïtie en andere indirecte aanwijzingen een strafbaar feit vermoeden. Het gebruik van informatie is ook een factor van belang: als politieagenten een kenteken natrekken en er komen antecedenten naar voren, dan gaan zij significant vaker tot een staandehouding over dan wanneer het informatiegebruik geen opbrengst heeft. In de staandehoudingen zijn etnische minderheden oververtegenwoordigd ten opzichte van hun aandeel in de bevolking. Hier bestaat niet altijd een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor. Dit wil zeggen dat etnisch profileren plaatsvindt. Ook binnen de etnische meerderheid wordt echter geprofileerd en worden burgers zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging staandegehouden.   

Politieagenten lichten hun optreden in een groot deel van de gevallen wel toe aan de burgers die zij staandehouden. Als staandehoudingen zijn gebaseerd op intuïtie of ‘onderbuikgevoel’, dan vindt een toelichting minder vaak plaats dan wanneer grensoverschrijdend gedrag van burgers de aanleiding is voor een staandehouding. De interactie tussen burgers en politieagenten verloopt veelal op een vriendelijke manier, al leidt de huidige aandacht voor etnisch profileren soms tot meer spanning in de contacten met burgers tijdens controles.

De proactieve controles van politieagenten hebben in ongeveer drie van de tien gevallen een of andere opbrengst. Politieagenten denken dat dit vaker het geval is (opbrengstoverschatting). Zij zijn zich tegelijkertijd beperkt bewust van de maatschappelijke kosten van proactieve controles (kostenonderschatting). Het gaat dan onder andere om hoe etnische minderheden het ervaren om vaak staande gehouden te worden zonder dat er iets aan de hand is.

De uitvoeringspraktijk van de politie – waarin etnisch profileren als onderdeel van proactieve controles voorkomt – moet worden gezien in het licht van wat politieagenten zien als hun belangrijkste taak: boeven vangen. Hun oriëntatie op proactief boeven vangen wordt bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid, bijvoorbeeld in de zogenaamde dynamische verkeerscontrole en patseraanpak van de politie.

De onderzoekers geven aan dat een politie die etnisch profileert onbedoeld bijdraagt aan ongelijkheid in de samenleving en daarmee handelt op een manier die strijdig is met haar waarden. Daarom zou de politie dit complexe vraagstuk met voorrang moeten aanpakken. De onderzoekers beschrijven verschillende manieren waarop dit zou kunnen, zoals het beperken van de handelingsruimte van politieagenten, het investeren in bewustwording en bejegening en het professionaliseren van het selectieproces.
 
NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Wouter Landman: 06-53531767 (wla@tg.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Boeven vangen. Een onderzoek naar proactief politieoptreden.’ (PW91)
Door: W. Landman, L. Kleijer-Kool. Politiewetenschap 91, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.
Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Toename drugsafvaldumpingen is zorgelijk

Gepubliceerd op

Elke dump is een plaats delict. Dumping en lozing van synthetisch drugsafval: verschijningsvormen en politieaanpak.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Bij de productie van synthetische drugs, zoals MDMA en amfetamine, komt veel vloeibaar afval vrij, waar de producenten vanaf moeten. De laatste jaren worden steeds vaker gedumpte jerrycans, vaten en soms hele containers met synthetisch drugsafval aangetroffen door passanten of surveillerende toezichthouders. De dumpingen worden gevonden in de natuur, langs de snelweg, op industrieterreinen en zelfs midden in woonwijken. Daarnaast wordt drugsafval in vloeibare vorm geloosd. Professionals maken zich zorgen over zowel de toename van het aantal aangetroffen dumpingen, als de risico’s die deze met zich meebrengen voor mens en natuur. Tegelijkertijd kunnen de dumpingen wel een aanknopingspunt bieden voor de politie om bij de achterliggende keten van de synthetische drugsproductie te komen. Dit concluderen Yvette Schoenmakers en collega’s op basis van onderzoek in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Elke drugsafvaldump is in beginsel een plaats delict en dient ook op die manier door toezichthouders, handhavers, politie en andere ketenpartners te worden benaderd.

In het onderzoek is gekeken naar de aard en ontwikkeling van synthetische drugsafvaldumpingen en -lozingen in Nederland, de werkwijze van verschillende instanties bij het aantreffen van een dumping en de mogelijkheden die de dumpingen bieden voor de opsporing. De onderzoekers analyseerden gegevens over door de politie geregistreerde dumpingen, bestudeerden acht afgesloten opsporingsonderzoeken naar dumpingen en lozingen en spraken vele betrokkenen van diverse instanties, zoals politie, gemeenten, provincies, waterschappen en Staatsbosbeheer.

Dumpingen
De onderzoekers concluderen dat het aantal door de politie geregistreerde dumpingen de laatste jaren sterk is toegenomen, maar daarmee weten we nog niet hoeveel afval er werkelijk via verschillende routes ‘verdwijnt’. Er zijn in ieder geval uiteenlopende manieren waarop producenten het productieafval kwijtraken, zoals het ‘klassieke’ achterlaten in vaten, maar ook verbranding, het dumpen van complete trailers vol drugsafval langs de snelweg, het laten weglopen van het vloeibare afval op de bodem, in de afvoer of in een sloot, het lozen van drugsafval in mestkelders of het afval opslaan in de productielocatie om die na verloop van tijd te verlaten. De hoeveelheid drugsafval die per dumping wordt aangetroffen varieert van een paar honderd liter tot tienduizenden liters. Lastig om grip op te krijgen, zijn de lozingen van drugsafval op bijvoorbeeld oppervlaktewateren, bodem, of riool. Er zijn veel signalen dat dit soort lozingen toeneemt en dat dit in ieder geval op grotere schaal plaatsvindt dan door instanties gesignaleerd en/of geregistreerd wordt. Er is nog te weinig zicht op wat er precies geloosd wordt en hoeveel, vooral vanwege de lage pakkans.

Risico’s
Het afval is een cocktail van allerlei bestanddelen van de grondstoffen, oplosmiddelen, eindproduct en waterig restafval dat vrij komt tijdens het productieproces van vele mogelijke soorten synthetische drugs. En de productiemethoden veranderen voortdurend, waardoor ook het afval verandert. Een deel van het afval bevat schadelijke chemicaliën. De blootstelling aan giftige en bijtende stoffen is het belangrijkste gevaar wanneer iemand in contact komt met drugsafval. Maar ook de natuur en de volksgezondheid lopen gevaar. De zuren uit het afval kunnen de pH-waarde in de bodem en het oppervlaktewater verstoren, waarmee het bodem- en waterleven kunnen worden aangetast of sterven. Koeien kunnen ziek worden door het drinken van besmet oppervlaktewater. Voor de volksgezondheid is het risicovol dat we niet precies weten welke stoffen in welke hoeveelheden terecht komen in de rioolwaterzuiveringsinstallatie, dat er dumpingen plaatsvinden in grondwaterbeschermingsgebieden en dat daadwerkelijk lage concentraties amfetamine gemeten zijn in de bladeren van voedermais, naar aanleiding van een lozing in een gierkelder, waarvan de besmette mest werd uitgereden over het land. Volgens veel betrokkenen is het momenteel verontrustend dat we momenteel nog maar weinig weten over de schadelijke effecten van al deze vormen.

Opsporing
De onderzoekers onderstrepen het belang van een gedeelde alertheid onder toezichthoudende en handhavende instanties ten aanzien van het signaleren en registreren van synthetische drugsafvaldumpingen en –lozingen. Ook voor burgers en andere partijen die een dumping kunnen aantreffen geldt: het is gevaarlijk, en de politie moet worden ingeschakeld. De ervaren professionals zijn het erover eens dat een drugsafvaldumping te allen tijde moet worden behandeld als een plaats delict, waarbij degenen die als eerste ter plaatse komen, moeten weten wat zij moeten doen en wie zij moeten inschakelen, het liefst aan de hand van een vast protocol. Voor de recherche bieden de dumpingen soms meer aanknopingspunten dan nu gebruikt worden om bijvoorbeeld faciliteerders in beeld te brengen, zoals grondstoffenleveranciers, en de synthetische drugsproducenten te backtracken. Of dit mogelijk en rendabel is moet per zaak bekeken worden. Een afvaldumping kan daarbij opgevat kan worden als een milieudelict (ontdoen van afval op illegale wijze) én als een drugsdelict (onderdeel van de vervaardiging van synthetische drugs). Idealiter worden de mogelijkheden bekeken die beide invalshoeken bieden voor opsporing en vervolging, waarbij ook twee sporen bewandeld kunnen worden.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Yvette Schoenmakers, Yvette Schoenmakers onderzoek & advies: 06 2611 0714 (info@yvetteschoenmakers.nl)
- Shanna Mehlbaum: 06 4850 5790

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Elke dump is een plaats delict. Dumping en lozing van synthetisch drugsafval: verschijningsvormen en politieaanpak.’ (PK83)
Door: Yvette Schoenmakers,Shanna Mehlbaum,Marijn Everartz,Christiaan Poelarends. Politiekunde 83, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl