Opsporen voortvluchtigen heeft vaak weinig prioriteit

Gepubliceerd op

De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Er staan ongeveer 11.000 tot een gevangenisstraf veroordeelde voortvluchtigen op de nationale opsporingslijst en deze worden niet altijd actief opgespoord. Dit blijkt uit onderzoek van Yvette Schoenmakers en anderen. Sommige voortvluchtigen staan al lang gesignaleerd; bijna de helft al langer dan vijf jaar. Ruim driekwart van de voortvluchtigen heeft een openstaande strafduur van hooguit twee maanden voor bijvoorbeeld vermogenscriminaliteit. De opsporing van deze mensen heeft geen hoge prioriteit bij de politie. Sommige voortvluchtigen zijn zwaardere criminelen met hogere openstaande straffen. Opsporing van deze zwaardere criminelen valt onder het landelijk politieteam FASTNL, dat deze voortvluchtigen actief en specialistisch opspoort. De groep voortvluchtigen die niet in aanmerking komt voor gerichte opsporing, de ‘middenmoot’ met kortere openstaande gevangenisstraf, loopt echter kans om aan de aandacht van de politie te ontsnappen. Beperkte gegevensuitwisseling door en met andere instanties is daar mede debet aan. Een deel van de grote groep voortvluchtigen zou ‘vindbaar’ zijn als er gericht gezocht zou worden. Er zijn volgens de onderzoekers mogelijkheden om tot een meer geloofwaardige strafexecutie te komen.

Het onderzoek
In het onderzoek zijn kenmerken in beeld gebracht van voortvluchtigen die zich onttrekken aan een onherroepelijk door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Onderzoeksvragen waren: wat zijn de achtergrondkenmerken van gesignaleerde voortvluchtigen in Nederland, hoe ontvluchten zijn hun straf en hoe kan de politie het traceren van deze personen optimaliseren? Voor het onderzoek zijn van 11.167 voortvluchtigen in het landelijk opsporingssysteem gegevens bestudeerd afkomstig van CJIB, politie en justitie. Daarnaast zijn interviews en een expertmeeting gehouden met professionals en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden van 29 aangehouden voortvluchtigen in twee politie-eenheden.

De voortvluchtigen
De overgrote meerderheid (87%) van de voortvluchtigen is man. Een klein deel (8%) is geboren in Nederland, 37% in een niet-westers land, 27% in een Midden- of Oost-Europees land. De delicten waarvoor men is veroordeeld toen men voortvluchtig werd (indexdelicten), zijn vooral vermogensdelicten zonder geweld (58%), gevolgd door drugsdelicten (13%). De helft heeft een openstaande strafduur van hooguit een maand, ruim een kwart (27%) 1 tot 2 maanden. Bijna een tiende (9,2%) heeft een openstaande detentie van 120 dagen of meer. De helft van de voortvluchtigen heeft meerdere eerdere veroordelingen op zijn of haar naam staan, vooral voor vermogensdelicten zonder geweld.
De groep voortvluchtigen is gevarieerd van aard en bestaat onder andere uit veelplegers, ‘beroepscriminelen’ met een zwaarder strafblad (vooral drugs- en geweldmisdrijven), ‘first offenders’ zonder eerdere veroordelingen en enkele jeugdige voortvluchtigen. Niet alle voortvluchtigen lijken zich ervan bewust dat ze gezocht worden voor een openstaande gevangenisstraf. Bijvoorbeeld veroordeelden die in aanmerking komen voor vervangende hechtenis door het schenden van door de rechter opgelegde voorwaarden. Anderen weten het wel, maar houden zich op de vlakte. Een deel van de – met name zwaardere criminelen – lijkt in het buitenland te verblijven.

De opsporing
De eerste 90 dagen is het opsporen van voortvluchtigen een taak van de politiebasisteams. Deze basisteams gaan in de praktijk meestal drie keer langs bij de voortvluchtige, als het adres bekend is, om te kijken of de voortvluchtige alsnog aangehouden kan worden. Sommige basisteams verrichten nog extra opsporingshandelingen. Daarna is het afhankelijk van de hoogte van de straf of er actief opgespoord wordt; onder de 120 dagen openstaande straf is dit niet het geval. De voortvluchtige blijft dan wel gesignaleerd staan en wordt aangehouden als deze zelf ergens tegen de lamp loopt. In een aantal politie-eenheden wordt meer tijd geïnvesteerd in de opsporing van voortvluchtigen, bijvoorbeeld met gerichte landelijke executie-acties, die succes opleveren.
Informatie over voortvluchtigen wordt niet altijd goed geregistreerd en/of gedeeld bij verschillende overheidsdiensten. Dit kan tot gevolg hebben dat een verkeerd adres in het opsporingsregister staat, maar soms ook dat voortvluchtigen een uitkering ontvangen of een nieuw paspoort kunnen aanvragen.
Een deel van de geconstateerde knelpunten wordt momenteel geadresseerd binnen de Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB) en verder wettelijk ingekaderd in het herziene Wetboek van Strafvordering. De aanbevelingen van de onderzoekers borduren hierop voort en betreffen onder andere voortgezette aandacht voor de samenwerking intern en binnen de keten; het aanpassen van opsporingsstrategieën aan specifieke categorieën voortvluchtigen en het vergroten van aandacht en urgentie binnen politie voor de opsporing van voortvluchtigen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Ilse de Groot, 06 14663875 (ilsedegroot@ratioresearch.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland’. (PK82)
Door: Y. Schoenmakers, I. de Groot, J. van Zanten, A. van Rooyen, J. Baars.

Politiekunde 82, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.
Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Georganiseerde misdaadfamilies: hardnekkig en moeilijk te bestrijden

Gepubliceerd op

Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Hans Moors: 070 8700460 (moors@emma.nl)
- Toine Spapens: 013 4663618 (a.c.spapens@uvt.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


‘Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad’. (PW84)

Door: H. Moors en T. Spapens. Politiewetenschap 94, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eén op de acht dierenmishandelaars is een vrouw

Gepubliceerd op

De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden van dierenmishandelaars.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Het profiel van dierenmishandelaars is erg gevarieerd; er kan niet worden gesproken van dé dierenmishandelaar. Bureau Beke heeft in opdracht van Programma Politie en Wetenschap voor het eerst onderzocht wie die dierenmishandelaars zijn. Ondanks dat in de literatuur voornamelijk over mannelijke dierenmishandelaars wordt gesproken is 1 op de 8 daders een vrouw. In de meeste gevallen gaat het om mishandeling van een hond (57%) of een kat (17%). Hierbij gaat het in meer dan de helft van de gevallen om het eigen dier. De mishandeling bestaat voornamelijk uit slaan, schoppen en/of gooien met het dier. De onderzoekers pleiten op basis van het onderzoek voor meer aandacht voor dierenmishandeling.

Met enige regelmaat verschijnen berichten in de media over dieren die mishandeld zijn. Het zijn zaken die voor heftige beroering in de samenleving kunnen zorgen. Denk aan de vele paarden die vanaf 2012 verspreid over Nederland ernstig zijn toegetakeld. Een zaak die nog steeds niet is opgelost. De vraag is: wie doet nu zoiets? Wie zijn deze dierenmishandelaars, wat zijn hun kenmerken en achtergronden?
 
Onderzoeksmethoden
Na een lange zoektocht in verschillende registratiesystemen van diverse instanties zijn de kenmerken en achtergronden van 97 dierenmishandelaars in beeld gebracht. De gegevens van de instanties zijn ook gebruikt om een beeld te geven van de aard en omvang van dierenmishandeling. Vervolgens is er met meerdere deskundigen vanuit verschillende organisaties gesproken om hun kennis en ervaring op te tekenen en om de resultaten te duiden. Ook zijn er vragenlijsten afgenomen bij taakaccenthouders dierenwelzijn van de Nationale Politie en bij chauffeurs van de dierenambulances.

Dierenmishandelaars
De kernmerken en achtergronden van dierenmishandelaars zijn divers. De leeftijdsrange van de dierenmishandelaars loopt uiteen; de jongste is 7 en de oudste is 85 jaar. De dierenmishandelaars zijn gemiddeld 34 jaar oud ten tijde van het plegen van de dierenmishandeling.
Dierenmishandelaars zijn geen criminelen pur sang. Integendeel, de helft is volgens politiegegevens te beschouwen als first offender; ze hebben behalve het dierenfeit, geen andere HKS-registratie. Van deze groep zou in theorie kunnen worden verwacht dat zij later wel ernstiger delicten kunnen gaan plegen, hoewel een deel ouder is dan 30 jaar. De andere helft van de dierenmishandelaars plegen – over het geheel genomen – allerlei vormen van criminaliteit. Hierbij valt vooral het aandeel van de vermogensmisdrijven (34%) en geweldsmisdrijven (23%) op. Slechts bij negen personen is vastgesteld dat er naast dierenmishandeling ook sprake is van huiselijk geweld. Het is dus zaak om ook buiten de context van huiselijk geweld te kijken naar dierenmishandelaars teneinde een compleet beeld te verkrijgen van het fenomeen. Wat ook opvalt, is dat de plaats van de dierenmishandeling binnen de totale criminele carrière vaker aan het eind ervan dan aan het begin ervan is, althans voor zover dat is op te maken uit de politieregistraties.

De dierenmishandelaars ervaren in de meeste gevallen problemen op verschillende leefgebieden. Ondanks dat de registraties matig gevuld zijn, blijkt een aanzienlijk deel van de mishandelaars werkeloos te zijn (40%) en/of schulden te hebben (40%). Ook is er regelmatig alcohol- en/of (soft-)drugs in het spel te zijn tijdens de dierenmishandeling. Opvallend is dat een derde van de mishandelaars agressieregulatieproblemen heeft en ook impulscontrolestoornissen (18%) en een gebrek aan sociale vaardigheden (18%) komen voor.

Aanbevelingen
Uit het onderzoek volgen verschillende aanbevelingen. Alertheid bij de taakaccenthouders én bij de surveillancedienst kan leiden tot een betere signalering van dierenmishandeling. Ook is het belangrijk dat de kennis en kunde van alle politiefunctionarissen die met dierenmishandeling te maken kunnen krijgen op peil wordt gebracht en gehouden. Idealiter zou een database kunnen worden opgezet om zaken van dierenmishandeling consequent te registreren. Tot slot is het belangrijk dat de politie voldoende tijd krijgt om dierenmishandelingzaken op te pakken en te onderzoeken.

De kennis die in de rapportage ‘De aard van het beestje’ wordt gedeeld, is nuttig voor iedere politiefunctionaris en andere professionals die op welke manier dan ook te maken kunnen krijgen met dierenmishandeling. De ‘puzzel’ rondom de persoon van de dierenmishandelaar is nog niet opgelost maar dit eerste onderzoek geeft een goede aanzet voor verdere studie naar het fenomeen dierenmishandeling en de plegers ervan.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Manon Hardeman, onderzoeker (026-4438619, m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden
van dierenmishandelaars. (PK86)

Door: A. van Wijk en M. Hardeman. Politiekunde 86, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eerlijke informatie achterblijvers cruciaal bij opsporing vermisten

Gepubliceerd op

Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Van de tienduizenden vermissingen die jaarlijks bij de politie worden gemeld, resulteren er bijna honderd in een langdurige vermissing. Deze langdurige vermissingen moeten vanaf het eerste moment met een opsporingsbril worden bekeken en niet te veel vanuit een hulpverleningsperspectief. Zo wordt voorkomen dat belangrijke informatie wordt gemist en er kostbare tijd verloren raakt. Medewerking van achterblijvers is hierbij cruciaal, maar deze wordt niet altijd direct gegeven aan de politie. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke, waarin 30 langdurige vermissingszaken zijn gereconstrueerd.

Het onderzoek
De Nationale Politie beschikt sinds vorig jaar over de zogenaamde 'Beke-lijst' met daarop 1500 personen die een jaar of langer worden vermist. In dit vervolgonderzoek is gekeken hoe de politie met langdurige vermissingszaken omgaat en wat daarvan geleerd kan worden. In het onderzoek is een reconstructie gemaakt van de opsporing van 30 langdurige vermissingen waarbij de politie op enig moment het vermoeden van een misdrijf heeft. Het gaat om zowel opgehelderde als niet-opgehelderde zaken. De vermissingen dateren uit het tijdvak 1985 tot en met 2010 en kennen een gemiddelde looptijd van elf jaar. Van die zaken is het politiedossier geanalyseerd en er zijn interviews gehouden met de betrokken politiefunctionarissen. In een aantal zaken is daarnaast gesproken met de achterblijvers van de vermisten om ook hun ervaringen met het politieonderzoek op te tekenen. De reconstructies bieden inzicht in de recherchepraktijk bij vermissingszaken en leveren lessen op voor de opsporing. Dat zijn niet alleen lessen voor de politie maar ook voor achterblijvers van vermisten. Omdat bij een vermissing onbekend is wat er aan de hand is, heeft de politie in feite direct een achterstand. Hoe eerder de vermissingszaak toch serieus wordt opgepakt, des te groter de kans dat een zaak wordt opgehelderd.

Rol achterblijvers
Achterblijvers hebben hier een belangrijk aandeel in: zij moeten op tijd melding maken van een vermissing én geen informatie achterhouden. Omdat er bij een vermissing vaak weinig tastbaars is, moet de politie voornamelijk op verhalen van achterblijvers afgaan. Het blijkt echter regelmatig voor te komen dat achterblijvers vanwege schaamte, trots of angst informatie verzwijgen, bijvoorbeeld over problemen die spelen. Daardoor bestaat de kans dat de politie de verkeerde denk- en zoekrichtingen inslaat en er onnodig tijd verloren raakt. Achterblijvers moeten zich er daarom van bewust zijn dat het cruciaal is dat zij direct eerlijk alle relevante informatie met de politie delen.
Van de zijde van de politie mag verwacht worden dat de verklaringen van achterblijvers niet zondermeer voor waar worden aangenomen maar worden geverifieerd. Een achterblijver kan immers betrokkenheid hebben bij de verdwijning. Dat kan blijken uit een gebrek aan bezorgdheid, het bewust achterhouden van informatie of het bewust op het verkeerde spoor zetten van de politie. Een voorbeeld is een zaak waarin een achterblijver verklaart dat de vermiste uit eigen beweging naar het buitenland is vertrokken. Jaren later blijkt hij haar vermoord en begraven te hebben.

Lessen voor de opsporing
De intuïtie (het fingerspitzengefühl) van ervaren politiefunctionarissen moet serieus worden genomen, blijkt uit het onderzoek. Daarnaast zijn creativiteit, vasthoudendheid en het betrekken van bijzondere expertises voorwaarden bij de behandeling van een vermissingszaak.
De politie hanteert geen protocol voor het opnieuw in onderzoek nemen van oude vermissingszaken. Naast de 1500 langdurige vermissingen zijn er ruim 1000 onopgeloste ernstige misdrijven (cold cases) waar ook opsporingscapaciteit voor nodig is. Er wordt in het onderzoek voor gewaarschuwd dat de aandacht voor langdurige vermissingen niet beperkt moet blijven tot een administratieve borging.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden: 026 4438619 / 06 55384883 (i.vanleiden@beke.nl)
- Manon Hardeman: 026 4438619 (m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen. (PK85)
Door: I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 85, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

ZSM leidt binnen de politie tot meer aandacht voor de aanpak van VVC

Gepubliceerd op

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Renze Salet: 024-3612494 (r.salet@jur.ru.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.
Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap
(PW92)

Door: R. Salet en J. Terpstra m.m.v. P. Frielink. Politiewetenschap 92, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Betere opsporing door politie vergt heldere keuzes

Gepubliceerd op

Naar een rationele opsporing. Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing.

Nieuwe publicatie Politie en Wetenschap in de reeks speciale uitgaven.

Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk kan worden gedownload van de website van Politie en Wetenschap en is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit: 06-51188627

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Het rapport is gratis te downloaden als PDF van de website www.politieenwetenschap.nl

Effecten bodycam bij politie afhankelijk van context

Gepubliceerd op

De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Invoering van de bodycam door de politie leidt niet altijd tot gewenste effecten als vermindering van het aantal klachten en geweldgebruik door politie en gebruik van opnames voor opsporing. Dit blijkt uit een grootschalig internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd door Sander Flight. Positieve effecten die wel gevonden werden in de VS bleken niet op te treden in de andere landen waar grondige onderzoeken met bodycams zijn uitgevoerd. Context, zoals de relatie tussen politie en burgers, beleidsmatige keuzes, technische specificaties en het juridisch kader zijn blijkbaar van invloed. Met behulp van te evalueren pilots kan de politie beter zicht krijgen op de effecten in de Nederlandse context en bij verschillend gebruik.
Er zijn in de literatuur negen evaluaties aangetroffen die voldoende degelijk van opzet waren om mee te mogen doen in deze meta-evaluatie: in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Vijf van de negen onderzoeken lieten zien dat het aantal klachten tegen politiemensen aanzienlijk daalde (met 14 tot 87 procent). De vier andere evaluaties onderzochten andere doelen en deden dan ook geen uitspraak over klachten. Ook geweldsgebruik door de politie kan dalen door bodycams: dat lieten drie van de negen evaluaties zien (dalingen met 28 tot 75 procent). Over de waarde van opgenomen beelden voor de opsporing weten we nog maar weinig: slechts twee van de bestudeerde evaluatierapporten rapporteerden positieve, zij het kleine, bijdragen van bodycams aan de strafrechtketen.

De effecten van bodycams lijken sterk af te hangen van de beleidsmatige context. Moet de politie zelf de bodycam aanzetten of staat hij altijd aan? En wie werken met de bodycams: doet men dit alleen vrijwillig of is het gebruik verplicht? Dit is van invloed op het aantal opgenomen beelden. Beleid en instructies zijn dus heel belangrijk. Hetzelfde geldt voor technische specificaties (bijvoorbeeld of te zien is dat de camera aanstaat), het juridische kader (bijvoorbeeld hoe lang de beelden bewaard worden en of zij direct naar het OM en de rechter gaan of moeten worden uitgeschreven in een proces-verbaal) en de fysieke context (bijvoorbeeld het type locatie of soort politiedienst). Hoe dit alles op elkaar inwerkt is nog niet duidelijk; niet in het buitenland en ook niet in Nederland.

Een belangrijke aanbeveling is om een onderzoeksprogramma te starten en de effecten van bodycams ook in Nederland grondig te onderzoeken. Het doel van vervolgonderzoek zou moeten zijn om uit te vinden hoe publiek en politie op de bodycams reageren, wat bodycams bijdragen aan waarheidsvinding, bewijsvoering, klachtafhandeling, het voorkomen van geweld tegen de politie en aan intercollegiaal leren. Dit vervolgonderzoek, waarbij pilots worden geëvalueerd, kan uitwijzen hoe, waar, in welke situatie en op welke manier bodycams bij de uitrusting van de politie zouden kunnen gaan behoren.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Sander Flight, zelfstandig onderzoeker: 06 - 41315432

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.’ (PW93)
Door: S. Flight. Politiewetenschap 93, Politie en Wetenschap, Apeldoorn/Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Noodmaatregelen burgemeesters vaak ondeugdelijk

Gepubliceerd op

Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie & Wetenschap.

Vrijwel elke week is er ergens in Nederland een noodmaatregel van kracht: een tijdelijke maatregel van de burgemeester om een noodsituatie te voorkomen of te bestrijden. Jaarlijks zijn honderden politieagenten betrokken bij de handhaving van zogeheten noodbevelen (concrete instructies voor burgers) en noodverordeningen (algemene verboden en geboden). De noodmaatregelen lopen uiteen van eenvoudige gebiedsverboden tot evacuatiebevelen. Uit dit onderzoek van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid (COOV) van de Rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat de genomen noodmaatregelen regelmatig in strijd zijn met de wet. Burgemeesters hebben moeite met het opstellen van juridisch houdbare noodvoorschriften en kennen bijvoorbeeld nieuwe bevoegdheden aan de politie toe. De noodvoorschriften worden verder soms zodanig geformuleerd dat het voor de politie moeilijk is ze te handhaven. In het onderzoek komt men tot best practices voor verschillende soorten noodsituaties: juridisch houdbare en door politie handhaafbare maatregelen die bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

In het onderzoek zijn ruim 250 noodverordeningen en noodbevelen van de laatste vijf jaren verzameld. Verder is gesproken met diverse deskundigen. Voor hun analyse onderscheiden de onderzoekers twaalf situaties waarin burgemeesters noodmaatregelen inzetten. Ze lopen uiteen van rampen zoals brand of overstroming tot ernstige wanordelijkheden als ordeverstoringen door voetbalgeweld of ongeregeldheden tijdens het bezoek van hoogwaardigheidsbekleders. De noodmaatregelen zijn geanalyseerd op legaliteit, juridische houdbaarheid en praktische handhaafbaarheid. Afgesloten wordt met een overzicht van de best practices – dat zijn de maatregelen die positief scoren op bovenstaande vragen en die in belangrijke mate kunnen bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

Het onderzoek kan de verantwoordelijke gezagsdragers helpen bij het treffen van bruikbare noodmaatregelen. Daarmee is dit rapport van grote waarde voor burgemeesters, juristen van gemeenten en veiligheidsregio’s, leidinggevende politiefunctionarissen als ook andere betrokkenen bij de aanpak van noodsituaties.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- A.J. Wierenga: 050 363 5666 / a.j.wierenga@rug.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.’  (PK84)
Door: A.J. Wierenga, C. Post & J. Koornstra. Politiekunde 84, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl.

Aangifte slachtoffer mensenhandel niet perse nodig voor opsporing

Gepubliceerd op

Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte? Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Een aangifte is bij de aanpak van gedwongen prostitutie niet perse nodig als er ook voldoende andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, bijvoorbeeld op basis van prostitutiecontroles en financieel onderzoek. Dit blijkt uit onderzoek van Marjolein Goderie. Slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie vinden het lang niet altijd in hun eigen belang om aangifte te doen bij de politie. De aangiftebereidheid is dan ook laag. Ook de politie is vanwege het mogelijke risico voor het slachtoffer soms terughoudend om een aangifte van een slachtoffer van mensenhandel op te nemen, maar ziet die aangifte wel als belangrijke start van een opsporingsonderzoek. Opsporen en vervolgen zonder aangifte is in principe juridisch mogelijk, maar wordt nog teveel als papieren werkelijkheid gezien. Uit dit onderzoek blijkt dat er wel degelijk mogelijkheden in de praktijk zijn om zonder aangifte van een slachtoffer succesvol een opsporingsonderzoek te starten en verdachten te vervolgen en voor de rechter te brengen. Rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens biedt daarbij ruimte voor creatieve oplossingen van de zijde van de politie. Het onderzoek biedt daarmee handvatten voor de opsporingspraktijk bij mensenhandel in de prostitutie.

Een van de redenen voor de lage aangiftebereidheid bij mensenhandel in de prostitutie is dat veel slachtoffers erg bang zijn, bijvoorbeeld voor wraakacties van hun uitbuiters. Ook vrezen slachtoffers dat de politie weinig kan en zal doen om de verdachten meteen aan te pakken. Zelfs al worden er aangiften verkregen, dan is de kwaliteit er van vaak niet optimaal. Een oplossing zou daarom zijn om niet de aangifte van het slachtoffer als vertrekpunt te nemen maar bij de opsporing meer verdachte-gericht te werk te gaan.
 
In dit onderzoek is daarom door middel van interviews met deskundigen en een analyse van jurisprudentie uitgezocht wat mogelijkheden in de praktijk zijn om een opsporingsonderzoek naar mensenhandel in de prostitutie succesvol te starten of te volbrengen zonder dat slachtoffers (eerst) aangifte doen. Deze mogelijkheden zijn in de politiepraktijk nog onvoldoende bekend.

Uit de interviews komen kansrijke opsporingsmethoden naar voren, uit de speurtocht naar jurisprudentie succesvolle bewijsmiddelen. Voorbeelden van succesvolle opsporingsmiddelen zijn het beginnen van een onderzoek op basis van een melding, digitaal onderzoek, de heimelijke doorzoeking en observaties door de politie. Een aangifte is niet perse nodig als de opsporing zich gaat richten op het verkrijgen van andere bewijsmiddelen. Uit de jurisprudentie blijkt dat sommige politieteams en officieren van justitie dit pad al eens succesvol gevolgd hebben.
De politie en het Openbaar Ministerie kijken nu hoe zij de mogelijkheden om vaker verdachte gericht op te gaan sporen verder kunnen gaan ontwikkelen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Marjolein Goderie: marjolein@goderie-onderzoek.nl, 0640935335


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte?
Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken.’ (PK81)
Door: Marjolein Goderie m.m.v. Renée Kool
.Politiekunde 81, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Proactieve controles van de politie moeten effectiever

Gepubliceerd op

Boeven vangen. Een onderzoek naar proactief politieoptreden.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Voor het eerst is in een grootschalig onderzoek vanuit de dagelijkse politiepraktijk gekeken naar de manier waarop politieagenten mogelijke overtreders op straat selecteren en staandehouden voor proactieve controles. Dit zijn controles op eigen initiatief van de politie. Uit het onderzoek van Twynstra Gudde blijkt dat etnische minderheden relatief zijn oververtegenwoordigd in de controles. Voor deze oververtegenwoordiging bestaat niet altijd een objectieve rechtvaardiging. Etnisch profileren komt dus voor. Het zijn echter niet alleen etnische minderheden die door de politie worden geprofileerd. Ook burgers die behoren tot de etnische meerderheid worden geprofileerd bij de uitvoering van proactieve controles. Het profileren van burgers past binnen het professionele frame van politieagenten dat kan worden samengevat als ‘boeven vangen’ en wordt tevens bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid. Het disproportioneel vaak controleren van etnische minderheden is mede daardoor niet eenvoudig te veranderen. 

Het proactieve optreden van politieagenten is sinds enkele jaren onderwerp van maatschappelijke kritiek. Deze kritiek houdt verband met de vaak gedane, maar gebrekkig onderbouwde, stelling dat de politie etnisch profileert. Van etnisch profileren is sprake wanneer burgers op grond van hun zichtbare etnische achtergrond en/of huidskleur disproportioneel worden staande gehouden, zonder dat daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Onderzoekers van Twynstra Gudde hebben het proactief politieoptreden kwantitatief en kwalitatief in kaart gebracht door in totaal dertig diensten mee te draaien in vier basisteams. Het proactief politieoptreden is zo volledig mogelijk in kaart gebracht: van selecties uit het straatbeeld – via staandehoudingen en de bejegening – tot de opbrengsten van het proactieve optreden.

Uit het onderzoek komt naar voren dat politieagenten net zo vaak gebeurtenissen uit het straatbeeld selecteren op basis van waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers als op basis van een vermoeden van een strafbaar feit (verdenking). Bij selecties op basis van een vermoeden van een strafbaar feit spelen intuïtie en stereotypering een rol. De stereotypen die politieagenten gebruiken hebben deels een etnisch karakter, maar ook binnen de etnische meerderheid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende stereotypen. Politieagenten zijn zich in de regel bewust van het gebruik van stereotypen. Zij rechtvaardigen het gebruik hiervan door te verwijzen naar hun ervaringen in het politiewerk en naar de informatie die zij over criminaliteitsplegers krijgen aangereikt.

Politieagenten gaan eerder tot een staandehouding over bij waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers dan wanneer zij op basis van intuïtie en andere indirecte aanwijzingen een strafbaar feit vermoeden. Het gebruik van informatie is ook een factor van belang: als politieagenten een kenteken natrekken en er komen antecedenten naar voren, dan gaan zij significant vaker tot een staandehouding over dan wanneer het informatiegebruik geen opbrengst heeft. In de staandehoudingen zijn etnische minderheden oververtegenwoordigd ten opzichte van hun aandeel in de bevolking. Hier bestaat niet altijd een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor. Dit wil zeggen dat etnisch profileren plaatsvindt. Ook binnen de etnische meerderheid wordt echter geprofileerd en worden burgers zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging staandegehouden.   

Politieagenten lichten hun optreden in een groot deel van de gevallen wel toe aan de burgers die zij staandehouden. Als staandehoudingen zijn gebaseerd op intuïtie of ‘onderbuikgevoel’, dan vindt een toelichting minder vaak plaats dan wanneer grensoverschrijdend gedrag van burgers de aanleiding is voor een staandehouding. De interactie tussen burgers en politieagenten verloopt veelal op een vriendelijke manier, al leidt de huidige aandacht voor etnisch profileren soms tot meer spanning in de contacten met burgers tijdens controles.

De proactieve controles van politieagenten hebben in ongeveer drie van de tien gevallen een of andere opbrengst. Politieagenten denken dat dit vaker het geval is (opbrengstoverschatting). Zij zijn zich tegelijkertijd beperkt bewust van de maatschappelijke kosten van proactieve controles (kostenonderschatting). Het gaat dan onder andere om hoe etnische minderheden het ervaren om vaak staande gehouden te worden zonder dat er iets aan de hand is.

De uitvoeringspraktijk van de politie – waarin etnisch profileren als onderdeel van proactieve controles voorkomt – moet worden gezien in het licht van wat politieagenten zien als hun belangrijkste taak: boeven vangen. Hun oriëntatie op proactief boeven vangen wordt bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid, bijvoorbeeld in de zogenaamde dynamische verkeerscontrole en patseraanpak van de politie.

De onderzoekers geven aan dat een politie die etnisch profileert onbedoeld bijdraagt aan ongelijkheid in de samenleving en daarmee handelt op een manier die strijdig is met haar waarden. Daarom zou de politie dit complexe vraagstuk met voorrang moeten aanpakken. De onderzoekers beschrijven verschillende manieren waarop dit zou kunnen, zoals het beperken van de handelingsruimte van politieagenten, het investeren in bewustwording en bejegening en het professionaliseren van het selectieproces.
 
NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Wouter Landman: 06-53531767 (wla@tg.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Boeven vangen. Een onderzoek naar proactief politieoptreden.’ (PW91)
Door: W. Landman, L. Kleijer-Kool. Politiewetenschap 91, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.
Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Toename drugsafvaldumpingen is zorgelijk

Gepubliceerd op

Elke dump is een plaats delict. Dumping en lozing van synthetisch drugsafval: verschijningsvormen en politieaanpak.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Bij de productie van synthetische drugs, zoals MDMA en amfetamine, komt veel vloeibaar afval vrij, waar de producenten vanaf moeten. De laatste jaren worden steeds vaker gedumpte jerrycans, vaten en soms hele containers met synthetisch drugsafval aangetroffen door passanten of surveillerende toezichthouders. De dumpingen worden gevonden in de natuur, langs de snelweg, op industrieterreinen en zelfs midden in woonwijken. Daarnaast wordt drugsafval in vloeibare vorm geloosd. Professionals maken zich zorgen over zowel de toename van het aantal aangetroffen dumpingen, als de risico’s die deze met zich meebrengen voor mens en natuur. Tegelijkertijd kunnen de dumpingen wel een aanknopingspunt bieden voor de politie om bij de achterliggende keten van de synthetische drugsproductie te komen. Dit concluderen Yvette Schoenmakers en collega’s op basis van onderzoek in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Elke drugsafvaldump is in beginsel een plaats delict en dient ook op die manier door toezichthouders, handhavers, politie en andere ketenpartners te worden benaderd.

In het onderzoek is gekeken naar de aard en ontwikkeling van synthetische drugsafvaldumpingen en -lozingen in Nederland, de werkwijze van verschillende instanties bij het aantreffen van een dumping en de mogelijkheden die de dumpingen bieden voor de opsporing. De onderzoekers analyseerden gegevens over door de politie geregistreerde dumpingen, bestudeerden acht afgesloten opsporingsonderzoeken naar dumpingen en lozingen en spraken vele betrokkenen van diverse instanties, zoals politie, gemeenten, provincies, waterschappen en Staatsbosbeheer.

Dumpingen
De onderzoekers concluderen dat het aantal door de politie geregistreerde dumpingen de laatste jaren sterk is toegenomen, maar daarmee weten we nog niet hoeveel afval er werkelijk via verschillende routes ‘verdwijnt’. Er zijn in ieder geval uiteenlopende manieren waarop producenten het productieafval kwijtraken, zoals het ‘klassieke’ achterlaten in vaten, maar ook verbranding, het dumpen van complete trailers vol drugsafval langs de snelweg, het laten weglopen van het vloeibare afval op de bodem, in de afvoer of in een sloot, het lozen van drugsafval in mestkelders of het afval opslaan in de productielocatie om die na verloop van tijd te verlaten. De hoeveelheid drugsafval die per dumping wordt aangetroffen varieert van een paar honderd liter tot tienduizenden liters. Lastig om grip op te krijgen, zijn de lozingen van drugsafval op bijvoorbeeld oppervlaktewateren, bodem, of riool. Er zijn veel signalen dat dit soort lozingen toeneemt en dat dit in ieder geval op grotere schaal plaatsvindt dan door instanties gesignaleerd en/of geregistreerd wordt. Er is nog te weinig zicht op wat er precies geloosd wordt en hoeveel, vooral vanwege de lage pakkans.

Risico’s
Het afval is een cocktail van allerlei bestanddelen van de grondstoffen, oplosmiddelen, eindproduct en waterig restafval dat vrij komt tijdens het productieproces van vele mogelijke soorten synthetische drugs. En de productiemethoden veranderen voortdurend, waardoor ook het afval verandert. Een deel van het afval bevat schadelijke chemicaliën. De blootstelling aan giftige en bijtende stoffen is het belangrijkste gevaar wanneer iemand in contact komt met drugsafval. Maar ook de natuur en de volksgezondheid lopen gevaar. De zuren uit het afval kunnen de pH-waarde in de bodem en het oppervlaktewater verstoren, waarmee het bodem- en waterleven kunnen worden aangetast of sterven. Koeien kunnen ziek worden door het drinken van besmet oppervlaktewater. Voor de volksgezondheid is het risicovol dat we niet precies weten welke stoffen in welke hoeveelheden terecht komen in de rioolwaterzuiveringsinstallatie, dat er dumpingen plaatsvinden in grondwaterbeschermingsgebieden en dat daadwerkelijk lage concentraties amfetamine gemeten zijn in de bladeren van voedermais, naar aanleiding van een lozing in een gierkelder, waarvan de besmette mest werd uitgereden over het land. Volgens veel betrokkenen is het momenteel verontrustend dat we momenteel nog maar weinig weten over de schadelijke effecten van al deze vormen.

Opsporing
De onderzoekers onderstrepen het belang van een gedeelde alertheid onder toezichthoudende en handhavende instanties ten aanzien van het signaleren en registreren van synthetische drugsafvaldumpingen en –lozingen. Ook voor burgers en andere partijen die een dumping kunnen aantreffen geldt: het is gevaarlijk, en de politie moet worden ingeschakeld. De ervaren professionals zijn het erover eens dat een drugsafvaldumping te allen tijde moet worden behandeld als een plaats delict, waarbij degenen die als eerste ter plaatse komen, moeten weten wat zij moeten doen en wie zij moeten inschakelen, het liefst aan de hand van een vast protocol. Voor de recherche bieden de dumpingen soms meer aanknopingspunten dan nu gebruikt worden om bijvoorbeeld faciliteerders in beeld te brengen, zoals grondstoffenleveranciers, en de synthetische drugsproducenten te backtracken. Of dit mogelijk en rendabel is moet per zaak bekeken worden. Een afvaldumping kan daarbij opgevat kan worden als een milieudelict (ontdoen van afval op illegale wijze) én als een drugsdelict (onderdeel van de vervaardiging van synthetische drugs). Idealiter worden de mogelijkheden bekeken die beide invalshoeken bieden voor opsporing en vervolging, waarbij ook twee sporen bewandeld kunnen worden.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Yvette Schoenmakers, Yvette Schoenmakers onderzoek & advies: 06 2611 0714 (info@yvetteschoenmakers.nl)
- Shanna Mehlbaum: 06 4850 5790

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Elke dump is een plaats delict. Dumping en lozing van synthetisch drugsafval: verschijningsvormen en politieaanpak.’ (PK83)
Door: Yvette Schoenmakers,Shanna Mehlbaum,Marijn Everartz,Christiaan Poelarends. Politiekunde 83, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Onderdanige houding slachtoffers beperkt geweld door overvallers

Gepubliceerd op

Overvallen in beeld: Gedrag van daders, slachtoffers en omstanders

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap

Verzet van slachtoffers of omstanders leidt vaak tot gebruik van geweld door overvallers en heeft zelden als effect dat de overval wordt afgebroken. Dit blijkt uit onderzoek van Marie Rosenkrantz Lindegaard en Wim Bernasco van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Al eerder bleek uit onderzoek dat slachtoffers, om escalatie van geweld en lichamelijk letsel tijdens overvallen te voorkomen, beter rustig kunnen blijven en geen weerstand bieden. Op basis van analyse van camerabeelden is in nieuw onderzoek gedetailleerd en objectief beschreven hoe de interactie met de overvaller verloopt. Winkelovervallen zijn gelukkig zelden gewelddadig, maar toch geven de onderzoekers een aantal adviezen om escalatie te voorkomen. Door op afstand van de dader te blijven, het hoofd te buigen en schouders en handen naar beneden te laten hangen, of door de handen actief in de lucht te steken als een teken van overgave, lopen slachtoffers en omstanders minder gevaar op geweld en letsel. Het lijkt erop dat overvallers bewegingen in hun richting of een lichaamshouding die onverzettelijkheid uitstraalt reeds beschouwen als voorteken van verzet. De adviezen kunnen gebruikt worden in trainingen van potentiële slachtoffers.

Camerabeelden van overvallen
In het onderzoek is gebruikgemaakt van beeldmateriaal van overvallen in de detailhandel en horeca. Dat beeldmateriaal was afkomstig van beveiligingscamera’s in de bedrijven zelf en is door de politie beschikbaar gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. Hoewel criminologen dagelijks onderzoek doen naar criminaliteit, krijgen ze zelden de mogelijkheid om criminele handelingen daadwerkelijk te observeren. Het meeste onderzoek naar criminaliteit is gebaseerd op wat daders, slachtoffers en omstanders er achteraf over vertellen, maar hun weergave van de feiten kan gekleurd zijn door beperkte en selectieve waarneming en herinnering en door sociale wenselijkheid. Het gebruik van beeldmateriaal van beveiligingscamera’s biedt unieke en waardevolle informatie over de handelingen van daders, slachtoffers en omstanders tijdens overvallen. Informatie die objectiever is dan wat de betrokkenen zelf kunnen reconstrueren.

Eerder onderzoek naar overvallen heeft al laten zien dat weerstand vaak de aanzet tot geweld vormt. Dit blijkt onder andere uit onderzoek van het NSCR waarin daders van overvallen zijn geïnterviewd.  Door een gedetailleerde analyse van handelingen en lichaamshoudingen van daders, slachtoffers en omstanders uit te voeren kan nu echter veel nauwkeuriger dan voorheen worden vastgesteld hoe ‘weerstand’ en ‘verzet’ in lichaamshoudingen en gebaren tot uitdrukking komen.

Winkelovervallen zelden gewelddadig
In totaal zijn 58 overvallen geanalyseerd aan de hand van camerabeelden. Het doel was om vast te stellen of slachtoffers en omstanders kunnen voorkomen dat daders de overval succesvol uitvoeren en hoe zij kunnen voorkomen dat zij zelf worden blootgesteld aan lichamelijk geweld. De meeste overvallen vonden plaats in winkels, vooral in supermarkten. Opvallend was dat bij weinig overvallen sprake was van lichamelijk geweld. In de meeste gevallen was het duidelijk wat de daders wilden en wat zij van de slachtoffers en omstanders verwachtten. Slachtoffers en omstanders boden in de regel geen of beperkte weerstand. Dit stelde overvallers meestal in staat de overval uit te voeren door met geweld te dreigen zonder het daadwerkelijk toe te passen.

Vermijd dominante houding
In het onderzoek worden praktische aanbevelingen gedaan voor trainingen van potentiële slachtoffers en omstanders van overvallen. Naast de algemene adviezen “blijf rustig”, “verzet je niet” en “werk mee” kunnen op basis van dit onderzoek ook meer concrete aanbevelingen worden gedaan, zoals “gooi niet met objecten”, “raak de daders niet aan”, “beweeg niet in de richting van de dader op eigen initiatief”, “maak je lichaam klein”, “kijk de dader niet aan”. Het aannemen van een dominante houding en het plegen van actief verzet leiden er niet toe dat daders een overval afbreken. Zij maken vooral de kans op geweld groter.

De bevindingen ondersteunen het advies van de politie aan slachtoffers om bij overvallen het RAAK principe te volgen, dat wil zeggen rustig blijven, (de overval) aanvaarden, (de buit) aangeven en (naar de daders) kijken. Direct oogcontact kan echter beter vermeden worden.

Nadere informatie: 

Van de zijde van de onderzoekers:
Marie Rosenkrantz Lindegaard
Senior onderzoeker, NSCR
T  020 59 86435
mlindegaard@nscr.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
Annemieke Venderbosch
Directeur Programma Politie & Wetenschap
T 06-13216168

 ‘Overvallen in beeld. Gedrag van daders, slachtoffers en omstanders.’ (PW90) Door: M.R. Lindegaard, W. Bernasco, en T. de Vries, Politiewetenschap 90, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Agenten kunnen beter ieder apart bevindingen incident beschrijven

Gepubliceerd op

Samen of apart. De invloed van overleg tussen agenten bij het opstellen van
het proces-verbaal.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Politieagenten die samen een proces-verbaal opstellen over een incident, kunnen dat beter apart van elkaar doen. Dit blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam. Twee agenten die overlegden tijdens het schrijven van het proces-verbaal schreven namelijk minder volledige processen-verbaal dan twee agenten die ieder apart een proces-verbaal opstelden. Het is daarom raadzaam dat agenten na het bijwonen van belangrijke of gewelddadige incidenten, ieder apart een proces-verbaal daarover opstellen.

De volledigheid en juistheid van een proces-verbaal van bevindingen kan grote gevolgen hebben voor de strafzaak tegen een verdachte. De ervaring leert dat processen-verbaal in de praktijk regelmatig gezamenlijk worden opgesteld door het politiekoppel dat bij het incident aanwezig was. Onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzochten daarom hoe overleg tijdens het opstellen van het proces-verbaal de volledigheid en juistheid van de informatie in het proces-verbaal beïnvloedt.

Politiekoppels namen deel aan een experiment, waarin zij moesten reageren op een melding over een verdacht persoon. Vervolgens schreven zij apart of gezamenlijk een proces-verbaal over het incident. Processen-verbaal die gezamenlijk werden opgesteld bevatten minder correcte informatie dan processen-verbaal die apart werden opgesteld. Er was geen verschil in het percentage fouten. De apart opgestelde processen-verbaal waren dus vollediger.

De koppels die het eerste proces-verbaal individueel hadden geschreven, stelden vervolgens ook nog eens gezamenlijk een proces-verbaal op over hetzelfde incident. Gezamenlijke processen-verbaal die pas na het schrijven van een individueel proces-verbaal werden opgesteld, bevatten bijna de helft minder fouten dan gezamenlijke processen-verbaal die meteen na het incident waren opgesteld. Als agenten dus toch samen één proces-verbaal indienen, dan zou het goed zijn als zij op zijn minst eerst hun eigen herinneringen vastleggen in een individueel proces-verbaal, voordat zij het gezamenlijke proces-verbaal schrijven.

Een kwalitatieve analyse van het overleg tussen agenten liet zien dat koppels die goed naar elkaar luisterden en elkaars observaties aanvulden, een vollediger proces-verbaal opstelden dan koppels die minder goed naar elkaar luisterden. Wanneer agenten overleggen is het dus van belang dat zij een communicatiestijl toepassen waarin zij elkaars bijdragen erkennen, herhalen, herformuleren en aanvullen. Uit eerder onderzoek met ooggetuigen bleek ook al dat die communicatiestijl ervoor zorgt dat overleggende koppels zich meer herinneren over een bijgewoond incident.
Het onderzoek leidt tot aanbevelingen voor de politiepraktijk. Met het oog op de volledigheid zouden agenten idealiter ieder apart een proces-verbaal moeten opstellen in plaats van samen één proces-verbaal. Dat is vooral relevant in zaken waarin de volledigheid van het proces-verbaal erg belangrijk is, bijvoorbeeld als er geweld is toegepast tijdens de aanhouding. Als agenten toch samen één proces-verbaal opstellen, is het wenselijk om wel eerst individueel de herinneringen op te schrijven. Op die manier kunnen fouten in het daaropvolgende gezamenlijke proces-verbaal worden voorkomen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Dr. Annelies Vredeveldt, hoofdonderzoeker: 06-38625639, a.vredeveldt@vu.nl
- Mr. Linda Kesteloo: 020-5983242, l.kesteloo@vu.nl
- Prof.dr. Peter J. van Koppen: 06-52303321, p.j.van.koppen@vu.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Samen of apart. De invloed van overleg tussen agenten bij het opstellen van het proces-verbaal’. (PW89)
Door: A. Vredeveldt, L. Kesteloo, P.J. van Koppen . Politiewetenschap 89, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Basisteams Nationale Politie moeten oog houden voor lokale context

Gepubliceerd op

Basisteams in de Nationale Politie. Organisatie, taakuitvoering en gebiedsgebonden werk.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Vanaf januari 2013 kent Nederland de Nationale Politie. Daarbinnen nemen de basisteams een belangrijke plaats in. Recent is een onderzoek afgerond naar de inrichting en het functioneren van deze basisteams binnen de Nationale Politie. Het onderzoek laat zien dat het bij de verdere ontwikkeling van de basisteams belangrijk is voldoende ruimte te houden voor lokale invulling. Bovendien blijken leiding en sturing van de omvangrijke basisteams vaak lastig en zwaar. Voor mensen op de werkvloer is dat in veel gevallen complex en ondoorzichtig. De behoefte onder medewerkers tot herkenbare sociale verbanden en een voor alle onderwerpen aanspreekbare leiding blijkt groot. Hoewel gebiedsgebonden politiewerk belangrijk wordt gevonden, blijkt het werk van de basisteams toch vaak overwegend reactief te zijn. Rond de positie van wijkagenten als regisseur is nog veel onduidelijkheid.

Een van de centrale doelstellingen van deze nieuwe organisatie is om bij een aanzienlijke centralisatie van het beheer, de politie lokaal goed in te bedden. Bovendien zou het politiewerk moeten worden afgestemd op lokale verhoudingen en problemen. Om dat te realiseren is in de nieuwe  politieorganisatie een belangrijke plaats toegekend aan de basisteams. Deze zouden volgens de plannen over voldoende middelen moeten beschikken om op lokaal niveau de meest voorkomende politietaken zelfstandig uit te kunnen voeren. Bovendien moeten deze teams daarbij over de noodzakelijke slagkracht kunnen beschikken. De vaksectie Strafrecht & Criminologie van de Radboud Universiteit heeft onderzocht hoe deze basisteams zijn ingericht en functioneren. Het onderzoek vond plaats bijna drie jaar nadat de Nationale Politie van start was gegaan.

In totaal zijn zes basisteams onderzocht. Het gaat daarbij om zowel grootstedelijke teams als teams in plattelandsgebieden. In het onderzoek zijn medewerkers van de onderzochte basisteams geïnterviewd en is de dagelijkse gang van zaken geobserveerd. Daarbij is aandacht besteed aan de belangrijkste taken van de basisteams: noodhulp, wijkwerk, de afhandeling van veel voorkomende criminaliteit en intake & service. Bovendien is nagegaan hoe de sturing van het politiewerk in de praktijk verloopt en op welke wijze binnen de basisteams het gebiedsgebonden politiewerk gestalte krijgt.
Binnen de Nationale Politie blijken in de praktijk aanzienlijke verschillen in de inrichting en het functioneren van de lokale politieteams. Vooral de verschillen tussen de stedelijke teams en plattelandsteams vallen op. Het streven om binnen de vaak grote basisteams kleinere subteams te onderscheiden, die functioneel zijn voor het dagelijkse werk en een herkenbare binding bieden aan politiemensen, blijkt in de praktijk lastig te realiseren. 
De wijze waarop de sturing van het politiewerk in de basisteams is georganiseerd, is in de praktijk voor medewerkers op de werkvloer vaak complex en onoverzichtelijk.  De onderzoekers constateren dat de relatie tussen de teams en burgers verder is geformaliseerd en vaak onpersoonlijker is geworden. Vooral in de plattelandsteams wordt de afstand als een belangrijk aandachtspunt ervaren. Dit uit zich daar niet alleen in langere aanrijtijden, maar ook in de grotere afstand tot burgers, vooral in de wat meer afgelegen dorpen.

Tot slot komt men met enkele aanbevelingen. Een belangrijke is: vooral geen one size fits all. Houdt rekening met de lokale context.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
Jan Terpstra, hoogleraar criminologie (coordinator van het onderzoek), Vaksectie Strafrecht & Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit, Nijmegen, tel. 024-3612495/12185

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg, tel. 06-118 78 237

‘Basisteams in de Nationale Politie. Organisatie, taakuitvoering en gebiedsgebonden werk’ (PW88)
Door: Jan Terpstra, Ivo van Duijneveldt, Teun Eikenaar, Tetty Havinga, Bas van Stokkom. Politiewetenschap 88, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Om leugenaar te ontmaskeren let politie beter op inhoud verklaring

Gepubliceerd op

Verbale leugendetectie-wizards.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Politiemensen met correcte opvattingen over inhoudelijke leugensignalen blijken beter in het ontmaskeren van leugenaars. Onderzoekers van Universiteit Maastricht onderzochten welke opvattingen politiemensen hebben over leugensignalen en hoe deze opvattingen van invloed zijn op het herkennen van leugenaars. Als politiemensen gericht gevraagd werd naar hun opvattingen over inhoudelijke signalen – bijvoorbeeld de hoeveelheid details in een verklaring - dan bleek dat deze opvattingen redelijk aansluiten bij de wetenschappelijke literatuur, en dat politiemensen die meer juiste opvattingen over deze signalen hadden ook daadwerkelijk beter waren in het ontmaskeren van leugenaars.

Eerder onderzoek laat zien dat mensen vaak verkeerde opvattingen hebben over welke signalen met liegen samenhangen. Zo baseren mensen zich onterecht vooral op non-verbale signalen. Inhoudelijk kenmerken van een verklaring, die juist beter aangeven of iemand liegt,  worden veelal genegeerd.
In de huidige studie stonden drie onderzoeksvragen centraal: welke opvattingen hebben Nederlandse politiebeambten over leugendetectie-signalen, hoe goed kunnen zij inhoudelijke leugendetectie-signalen inschatten, en zijn beambten die inhoudelijke signalen goed inschatten ook beter in het ontmaskeren van leugenaars?

Op de vraag wat goede signalen zijn voor het detecteren van leugens, rapporteerden politiebeambten 319 non-verbale en 72 inhoudelijke signalen. Wegkijken was het meest genoemde (non-verbale) signaal. Politiemensen vertrouwen onterecht, net als andere mensen, te veel op non-verbale leugensignalen.
Politiemensen werden vervolgens bevraagd over hun opvattingen over 17 specifieke inhoudelijke signalen. Verbale, inhoudelijke signalen van een leugen werden door hen overwegend wel correct ingeschat.
Dat dit ook in de praktijk werkte bleek in een test waarin politiebeambten werd gevraagd om vier ware en vier gelogen verklaringen te beoordelen. Zij kregen deze verklaringen of als video aangeboden, of als transcriptie (schrift). Politiemensen met correcte opvattingen over verbale signalen bleken beter onderscheid te kunnen maken tussen ware en gelogen verklaringen, onafhankelijk van of deze als video of transcript werden aangeboden.

Dit onderzoek laat zien dat politiebeambten hun leugenoordeel vooral zeggen te baseren op non-verbale signalen, ondanks het feit dat uit empirisch onderzoek steeds weer blijkt dat deze signalen niet tot weinig bruikbaar zijn. Wordt hen echter specifiek gevraagd naar inhoudelijke signalen dan kunnen ze deze wel degelijk juist inschatten en gebruiken om  beter te presteren op een leugendetectie-taak. De politie zou er goed aan doen aandacht aan deze materie te besteden in de opleiding en bijscholing van rechercheurs. Deze opleiding/bijscholing zou zich dan specifiek moeten richten op 1) het wegnemen van de incorrecte, stereotiepe opvattingen over signalen geassocieerd met leugens en 2) het informeren van rechercheurs over welke signalen wel bruikbaar zijn.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Ewout Meijer: 043 3884505 (eh.meijer@maastrichtuniversity.nl)
- Glynis Bogaard: 043 3881610 (glynis.bogaard@maastrichtuniversity.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Verbale leugendetectie wizards’ (PK80)
Door: G. Bogaard, E.H. Meijer. Politiekunde 80, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl