Veel geweld in de psychiatrie maar weinig aangiften bij politie

Gepubliceerd op

Geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie. Aard, omvang en aangifte bij de politie.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Meer dan andere beroepsgroepen hebben hulpverleners in de psychiatrie te maken met fysiek geweld, soms met ernstige gevolgen. Tegelijkertijd is er juist in deze sector onduidelijkheid over hoe dit geweld afgehandeld moet worden en in welke gevallen een strafrechtelijke reactie op zijn plaats is. Slachtoffers in de psychiatrie die aangifte overwegen, stuiten op een aantal knelpunten en dilemma’s. Het gevolg is dat vaak geen aangifte wordt gedaan van deze geweldsdelicten. In onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit van Amsterdam zijn de barrières bij het doen van aangifte van geweld in de psychiatrie in kaart gebracht en is gekeken wat de GGZ, de politie en het OM kunnen doen om slachtoffers beter te ondersteunen. 

Voor dit onderzoek zijn inventariserende enquêtes uitgezet en zijn 35 diepte-interviews afgenomen bij slachtoffers die aangifte hebben gedaan, leidinggevenden uit de GGZ, politiefunctionarissen, leden van de rechterlijke macht en andere betrokkenen. Ook zijn beleidsprogramma’s en documenten verzameld die betrekking hebben op de afdoening van geweld tegen hulpverleners.
Alle betrokken partijen menen dat agressie en geweld tot op zekere hoogte hoort bij het werk in de psychiatrie. Maar het is onduidelijk waar de grens van het toelaatbare ligt. Bij geweld in de psychiatrie wordt vaak verondersteld, zonder dat dit nader is onderzocht, dat de patiënt door de psychiatrische stoornis niet verantwoordelijk is voor het geweld.

Slachtoffers die aangifte doen bij de politie doorbreken op dat moment hun beroepsgeheim. De regels over de gronden waarop dit mag zijn streng en zo ingewikkeld dat het slachtoffer vaak afziet van het doen van aangifte. Anders dan in overige sectoren moet het slachtoffer in de psychiatrie vaak zorg blijven verlenen aan de patiënt die gewelddadig is geweest. De hulpverlener is soms bang om aangifte te doen, omdat hij of zij bang is voor represailles door de patiënt. Volledige anonimiteit van het slachtoffer kan in een strafproces niet worden gegarandeerd.
Voor slachtoffers in de psychiatrie, die een aangifte overwegen, speelt vergelding vrijwel nooit een rol. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming, niet alleen van henzelf maar ook van collega’s en patiënten. Om tot verbeteringen in de praktijk te komen moeten de GGZ, politie en het openbaar ministerie gezamenlijk werken aan praktische oplossingen voor de knelpunten. Slachtoffers kunnen worden geholpen door hen te horen en goed te informeren. Er moet worden gezocht naar mogelijkheden om de zorg aan patiënten die gewelddadig zijn geweest voort te zetten zonder dat slachtoffers hiervan hinder ondervinden.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Joke Harte, projectleider Geweld in de Psychiatrie
Vrije Universiteit: 020-5986217 j.harte@vu.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg, Programma Politie & Wetenschap: 06-11878237

‘Geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie. Aard, omvang en aangifte bij de politie’. (PW98)

Door: J.M. Harte, I. van Houwelingen, M.E. van Leeuwen. Politiewetenschap 98, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website http://www.politieenwetenschap.nl/publicatie/geweld-tegen-hulpverleners-in-de-psychiatrie-300/

Opsporingswerk in hechte dorpen en volkswijken is een vak apart

Gepubliceerd op

Horen, zien en zwijgen. Opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De geslotenheid van sommige hechte wijken en buurten bemoeilijkt het werk van de politie. Bij opsporing in deze gemeenschappen komt het vooral aan op houding, kennis en timing van politiemensen, die situaties goed moeten kunnen aanvoelen. De informatiepositie van de politie is vaak beperkt: men valt op in de gemeenschap en daardoor loopt een opsporingsonderzoek snel ‘stuk’. Het is behoorlijk ingewikkeld om in een omgeving waar iedereen elkaar kent, verraad wordt bestraft en buitenstaanders direct opvallen, een netwerk van informanten op te bouwen. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Bervoets in samenwerking met Monique Bruinsma in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. Opsporing in deze buurten vereist een bijzondere samenwerking tussen wijkagenten en rechercheurs. Een goede wijkagent stelt zich dienstbaar op naar de gemeenschap, maar met een rechte rug, doordat hij enerzijds personen in de gemeenschap wil helpen en anderzijds ook steeds duidelijk maakt dat hij, waar nodig, samen met zijn (recherche)collega’s optreedt tegen misdaad. Op basis van de onderzoeksbevindingen komen de onderzoekers tot een pleidooi voor meer inzet op gebiedsgericht recherchewerk.
In het onderzoek is gekeken naar de opsporing in een vijftal stadsbuurten en dorpen, die in de media en literatuur nogal eens het label ‘hecht’ krijgen toegekend: het West-Brabantse Sint Willebrord, de Vogeltjesbuurt in Tilburg, de stadsbuurt Ondiep in Utrecht, Volendam en de stadsbuurt Enschede-Wesselerbrink. Dergelijke kernen hebben een vaak historisch gegroeide terughoudendheid tegenover de buitenwereld en dat heeft ook zo zijn gevolgen voor de relatie tussen de politie en de lokale gemeenschap in deze gebieden. Dataverzameling heeft plaatsgevonden via literatuurstudie, diepte-interviews en vormen van participerende observatie.
In het opsporingsproces in deze gemeenschappen blijkt de rol van de wijkagent cruciaal. Deze wordt uitgetest, op waarde geschat en geëvalueerd door de gemeenschap. Een wijkagent, die in de ogen van de politie goed werk verricht voor de gemeenschap, hoeft nog geen goede wijkagent te zijn volgens de gemeenschap. Een goede wijkagent is voor hen betrokken, kent de lokale ongeschreven codes en mores én maakt het de gemeenschap niet te lastig. Een wijkagent die te veel meebeweegt met de gemeenschap is echter in mindere mate bruikbaar voor opsporingsdoeleinden, omdat deze niet zondermeer informatie deelt met collega’s van de recherche. De onderzoeksresultaten laten zien dat gebiedsgericht recherchewerk met kennis van de lokale gemeenschap wenselijk is en tonen aan hoe belangrijk én potentieel kwetsbaar de positie van de wijkagent daarbij is.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Monique Bruinsma: 06 – 464 360 69, info@bureaubruinsma.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Horen, zien en zwijgen. Opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap’  (PW97)
Door: E. Bervoets, M. Bruinsma. Politiewetenschap 97, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website 

Grote verschillen eis en opgelegde straf georganiseerde criminaliteit

Gepubliceerd op

In bijna driekwart van de strafzaken naar georganiseerde criminaliteit, in eerste aanleg en in hoger beroep, legt de rechter een lagere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie was geëist. Dat blijkt uit onderzoek van Erasmus School of Law dat in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap is uitgevoerd. In eerste aanleg betreft het verschil tussen de geëiste en opgelegde vrijheidsstraf gemiddeld 15 maanden, in hoger beroep 17,5 maanden. Ook laat het onderzoek zien dat het verschil tussen de in eerste aanleg en in hoger beroep opgelegde gevangenisstraf gemiddeld 9 maanden is. Bij een gemiddelde eis van 66 maanden in eerste aanleg legt de rechtbank een gevangenisstraf op van gemiddeld 49 maanden. In hoger beroep vordert het OM vervolgens gemiddeld 59 maanden waarna het gerechtshof de straf matigt tot gemiddeld 40 maanden. Daarmee betreft het verschil tussen de eis in eerste aanleg en de opgelegde straf in hoger beroep gemiddeld 26 maanden Dit leidt tot de conclusie dat in hoger beroep gaan de verdachte een gevangenisstraf oplevert die gemiddeld twee jaar lager is dan in eerste aanleg werd geëist. Deze verschillen zijn terug te voeren op deelvrijspraken (de situatie dat de rechter een deel van de ten laste gelegde feiten niet bewezenverklaart) en op de lange doorlooptijden bij de behandeling van deze strafzaken. De onderzoekers bepleiten discussie over de (on)wenselijkheid van deze verschillen, het inbouwen van incentives die alle procespartijen belang geven bij een snelle afdoening van de zaak en de ontwikkeling van een centrale, landelijke databank waarin gegevens over geëiste en opgelegde straffen zijn opgenomen.

Hoewel de aanpak van georganiseerde criminaliteit sinds de jaren negentig hoog op de politieke agenda staat en een van de belangrijkste prioriteiten van politie en justitie betreft, zijn er maar weinig feitelijke gegevens bekend over hoe deze zaken worden afgedaan. Het doel van dit onderzoek was daarom om inzichtelijk te maken hoe georganiseerde misdaadzaken strafrechtelijk worden afgedaan en welke verschillen daarbij optreden tussen de door de officier van justitie geëiste en door de rechter opgelegde vrijheidsstraffen, in eerste aanleg en in hoger beroep. Dit zijn ogenschijnlijk simpele vragen, maar ze kunnen slechts na veel zoekwerk in de justitiële gegevensbestanden worden beantwoord. Op basis van 70 zaken uit de Monitor Georganiseerde Criminaliteit is voor 471 verdachten nagegaan welke gevangenisstraffen in eerste aanleg en in hoger beroep werden geëist en vervolgens door de rechter werden opgelegd. Deze informatie heeft betrekking op 444 zaken in eerste aanleg, 207 zaken in hoger beroep en 180 zaken waarvan de onderzoekers zowel de zaak in eerste aanleg als het hoger beroep hebben kunnen vinden. Tot slot zijn twintig interviews gehouden met rechters, officieren van justitie en rechercheurs om de gevonden verschillen te kunnen duiden.
Het onderzoek laat zien dat de rechter in bijna driekwart van de zaken in eerste aanleg en in hoger beroep een lagere gevangenisstraf oplegt dan door de officier van justitie was geëist. Daarnaast legt het gerechtshof in hoger beroep in een meerderheid van de gevallen ook een lagere gevangenisstraf op dan de rechter in eerste aanleg. Gemiddeld betreft het verschil negen maanden. Dit leidt tot de conclusie dat het instellen van hoger beroep de verdachte een vrijheidsstraf oplevert die gemiddeld 26 maanden korter is dan in eerste aanleg was geëist.
De interviews laten vervolgens zien dat deze verschillen niet het gevolg zijn van diepgaande meningsverschillen over de ernst of strafwaardigheid tussen officieren van justitie en rechters of tussen eerste en tweede aanleg, maar terug te voeren zijn op partiële vrijspraken enerzijds en lange doorlooptijden anderzijds. Georganiseerde criminaliteit betreft veelal complexe zaken die lang voortduren, gemiddeld bijna 25 maanden. Deze bevindingen geven aanleiding tot overdenking van twee vragen. In de eerste plaats de vraag naar de (on)wenselijkheid van deze verschillen en de oorzaken die ten grondslag liggen aan de partiële vrijspraken. Ten tweede zou moeten worden nagedacht over welke incentives in het strafrechtelijk systeem kunnen worden ingebouwd om alle procespartijen belang te geven bij een snelle afdoening van de zaak.
Tot slot heeft dit onderzoek laten zien dat onderzoek naar de wijze waarop strafzaken worden afgedaan geen eenvoudige opgave is. Er bestaat op landelijk niveau geen databestand waarin gegevens over geëiste en opgelegde straffen zijn opgenomen. Ook laat dit onderzoek zien dat de opgevraagde gegevens soms zeer gebrekkig zijn. Een belangrijke aanbeveling is dan ook de ontwikkeling van een centrale, landelijke databank voor de opslag van gegevens over geëiste en opgelegde straffen. Dit komt niet alleen ten goede aan de leereffecten voor de politieorganisatie, het openbaar ministerie en de rechtspraak, maar ook aan de mogelijkheden van toekomstig wetenschappelijk onderzoek.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Karin van Wingerde: 010-4082664 / vanwingerde@law.eur.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Geëiste en opgelegde straffen bij de strafrechtelijke afhandeling van georganiseerde criminaliteit. Rapportage in het kader van de vijfde ronde van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit’ (PW99)

Door: K. van Wingerde, H. van de Bunt (Erasmus Universiteit, Rotterdam).
Politiewetenschap 99, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website http://www.http://www.politieenwetenschap.nl/publicatie/geeiste-en-opgelegde-straffen-bij-de-strafrechtelijke-afhandeling-298/

Goede managers zijn ook in de misdaad schaars

Gepubliceerd op

Van meerdere markten thuis? Overlap in markten van zware en georganiseerde misdaad en de consequenties voor de opsporing.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Of een criminele groep op meerdere misdaadmarkten tegelijk succes heeft, blijkt vooral af te hangen van de ‘managementkwaliteiten’ van de criminele kopstukken. Misdaadgroepen wijken daarin niet af van gewone bedrijven. Dit is de uitkomst van een onderzoek van Tilburg University in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Criminele bazen die tegelijkertijd en met succes heel verschillende criminele activiteiten kunnen aansturen, zijn ook in de misdaad schaars. Als criminelen actief zijn op meerdere markten is dat vaker noodgedwongen. Ze krijgen steeds weer ruzie met ‘zakenpartners’ omdat ze dingen niet goed weten te organiseren en omdat ze onbetrouwbaar zijn of ongecontroleerd gewelddadig.

Bij rechercheurs bestaat vaak het beeld dat criminelen die actief zijn in de georganiseerde misdaad alles doen waarmee ze geld kunnen verdienen, terwijl de soort criminaliteit ze niet uitmaakt. Dat blijkt vooral te kloppen voor groepen die bezig zijn met de smokkel van drugs, sigaretten, wapens of mensen. Daar staat tegenover dat georganiseerde mensenhandel, fraude, milieucriminaliteit en diefstallen en overvallen, vooral het werk is van specialisten.

Het onderzoek is een verkenning die is gebaseerd op rechterlijke uitspraken en interviews met ervaren rechercheurs. Ook hielden de onderzoekers een aantal zaken waarin specialisten of juist criminele veelvraten aan het werk waren, tegen het licht. Voor smokkelaars is het met hun kennis en kunde gemakkelijk om op meerdere markten actief te zijn. Het werk van fraudeurs en milieucriminelen vraagt specialistische kennis en doorgaans hebben zij een minder goed ontwikkeld netwerk van criminele contacten. Groepen die zich bezighouden met georganiseerde vermogenscriminaliteit kiezen eerder bewust voor het ‘snelle geld’ en doen liever niet te veel regelwerk, zoals het moeten runnen van een drugslab.

De minister van Veiligheid en Justitie stelt elke vier jaar de opsporingsprioriteiten vast. De gevolgen daarvan zijn ingrijpend: opsporingscapaciteit is immers schaars. Het niet prioriteren van bepaalde meer specialistische vormen van georganiseerde criminaliteit is een risico. Het betekent in de praktijk dat die criminele groepen een tijdlang vrijwel ongestoord hun gang kunnen gaan.
De veronderstelling dat overlappende criminele activiteiten niet afzonderlijk geprioriteerd hoeven te worden, blijkt echter ook niet te kloppen. De handel in illegale vuurwapens gaat bijvoorbeeld vaak samen met andere vormen van misdaad, maar een goede bestrijding van wapenhandel vraagt toch om een aparte aanpak. De onderzoekers bepleiten dan ook grote voorzichtigheid bij het laten meewegen het specialistische of generalistische karakter van een misdaadmarkt, voor het bepalen van opsporingskeuzes.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Toine Spapens: 013 466 3618 (a.c.spapens@tilburguniversity.edu)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Van meerdere markten thuis? Overlap in markten van zware en georganiseerde misdaad en de consequenties voor de opsporing’.  (PW96)
Door: T. Spapens m.m.v. M. Bruinsma. Politiewetenschap 96, Politie en Wetenschap, Apeldoorn / Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Vaak tussenhandel bij distributie van hennep in Noord-Nederland

Gepubliceerd op

Tussen onder en boven. Productie en distributie van softdrugs in Noord-Nederland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

In Noord-Nederland wordt in de 50 coffeeshops naar schatting jaarlijks maximaal 10 ton aan softdrugs verkocht met een omzet van bijna 90 miljoen euro. De distributieketen is erg divers met een nadrukkelijke rol voor de professionele tussenhandel die in tijden van schaarste de aanvoer waarborgt. Niet alle geproduceerde hennep eindigt bij coffeeshops; een deel komt terecht bij (straat)dealers en een deel wordt naar het buitenland geëxporteerd. Dat blijkt uit onderzoek van onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL in opdracht van Politie en Wetenschap. Door de tussenhandel is de oorsprong van de softdrugs uiteindelijk niet meer goed te achterhalen, ook niet voor de eindgebruikers. De onderzoekers doen aanbevelingen om als politie de productie- en distributienetwerken beter in kaart te brengen. 


Onderzoek
Het onderzoek richt zich op de productie en distributie van softdrugs in de politie-eenheid Noord-Nederland (provincies Groningen, Friesland en Drenthe). Er is beschikbare literatuur en documentatie bestudeerd, er zijn interviews gehouden met relevante ketenpartners en er is gesproken met personen die softdrugs produceren, erin handelen of de teelt faciliteren. Ook is informatie verkregen uit de politieregistraties en zijn processen-verbaal en documenten over opsporingsonderzoeken doorzocht. Op basis hiervan is daarnaast een sociale netwerkanalyse uitgevoerd.


Kwekers en technisch experts
Er blijken grofweg drie typen kwekers te kunnen worden onderscheiden: de (kleine) hobbykwekers, de (middelgrote) professionele kwekers en de (grote) commerciële kwekers. De laatste categorie, de bulkkwekers met meer dan 500 planten, krijgt bij de opsporing van dadergroepen de hoogste prioriteit. Grote kwekerijen worden vaak in bedrijfspanden of loodsen op bedrijventerreinen aangetroffen. De organisatiegraad is doorgaans hoog en er lijkt sprake van verregaande specialisatie van het productieproces. Voor kleine en middelgrote kwekers geldt dit in mindere mate. De kleine kweker verzorgt en oogst zijn planten zelf of met hulp van vrienden (vaak ook kwekers), terwijl de middelgrote kweker de hulp inroept van een bredere groep vrienden en bekenden.
Voor de grootschalige teelt en verspreiding van hennep zijn vaak technische experts nodig, bijvoorbeeld voor de constructie van de inrichting van de kwekerij en het omleggen van elektriciteit, makelaars voor de huur van panden, financiële dienstverleners voor het witwassen van de criminele winsten en autoverhuurbedrijven voor de distributie van hennep.

Verbeteren informatiepositie
In de opsporing is vooral nog veel winst te behalen bij onderzoek naar de distributie van hennep. De onderzoekers hebben een stappenplan voor sociale netwerkanalyse opgesteld, waarmee zij een nauwkeurig netwerk van betrokkenen kunnen construeren. Om in de toekomst meer informatie uit politieregistraties te kunnen halen moeten de politiesystemen beter ingericht worden om dwarsverbanden bloot te leggen. Bovendien zou er meer gebruik kunnen worden gemaakt van de informatie die bij de ketenpartners beschikbaar is.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Bureau INTRAVAL: Bert Bieleman, 050-3134052, bieleman@intraval.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Tussen onder en boven. Productie en distributie van softdrugs in Noord-Nederland’. (PK90)
Door: J. Snippe, R. Mennes, M. Sijtstra, B. Bieleman. Politiekunde 90, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu Uitgevers, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Militaire bijstand aan politie neemt toe

Gepubliceerd op

Defensiehulp. Legergroene bijstand aan de politie bij handhaving van de rechtsorde.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De politie maakt in toenemende mate gebruik van kennis en expertise van de krijgsmacht, de zogeheten militaire bijstand, met een juridische grondslag in artikel 58 van de Politiewet 2012. De krijgsmacht ondersteunt politie met name op het gebied van zoeken, analyse en observatie. Waar voorheen de focus lag op de openbare orde, denk bijvoorbeeld aan de inzet van de Marechaussee bij de Nieuwmarktrellen in de jaren 70, wordt militaire bijstand tegenwoordig voornamelijk ingezet bij opsporingszaken, waarbij vaak hoogwaardige kennis en materieel wordt gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Bervoets in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Hoewel zowel politie als defensie over het algemeen goede ervaringen met de bijstand hebben, raakt deze wel aan een klassiek dilemma in het politiebestel rond de vraag of politietaken in principe alleen door de politie zouden moeten worden uitgevoerd.

Het onderzoek verkent en beschrijft wat er komt kijken bij incidentele bijstand door militairen aan de politie. Het gaat om soms zeer specialistische mensen en middelen, zoals onder water met speciale apparatuur zoeken naar vuurwapens, een kluis of een lichaam, combat trackers die assisteren bij een vermissing op land en de inzet van drones bij een inbraakgolf. Gekeken wordt hoe deze specialistische, incidentele militaire bijstand plaatsvindt bij het reguliere politiewerk en wat de motieven en ervaringen zijn.
Voor het onderzoek zijn open bronnen geanalyseerd (denk aan nieuwsberichten en vakbladen, grijze literatuur) evenals cijfers van de geregistreerde bijstand van defensie. Daarnaast zijn interviews afgenomen met politiemensen, militairen, het bevoegd gezag en andere directbetrokkenen. 

Als reden voor de toegenomen vraag naar militaire bijstand noemt men onder andere de grotere expertise de laatste jaren bij defensie, onder andere door de uitzending naar Uruzgan. Ook vragen de (internationale) ontwikkelingen en dreigingen om een andere aanpak van de binnenlandse veiligheid, waarbij gedacht kan worden aan terrorisme en de bestrijding hiervan. Militaire bijstand werd daarnaast actiever aangeboden aan binnenlandse veiligheidspartners, waardoor de bekendheid toenam. Goede ervaringen met militaire bijstand leiden vervolgens weer tot nieuwe vraag.

Defensie en politie kunnen in het samenwerken van elkaar leren. Politiemensen kunnen leren van een heel andere manier van kijken en doen van defensie. Omgekeerd kan defensie bijvoorbeeld leren van de forensische expertise van de politie. Toch is een inhoudelijke en principiële discussie over de wenselijkheid van verdergaande militaire bijstand aan de politie aan te raden. Zo is het de vraag of de politie deze specialistische expertise en capaciteit beter zelf in huis kan hebben.


NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Sander Eijgenraam: 06-14676965 en emailadres: s.eijgenraam@bureaubervoets.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Defensiehulp. Legergroene bijstand aan de politie bij handhaving van de rechtsorde’. (PK89)
Door: E. Bervoets, S. Eijgenraam. Politiekunde 89, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; SDU, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Het verhoor door politie wordt effectiever zonder druk op verdachte

Gepubliceerd op

Effectiviteit van het verdachtenverhoor. Een veldstudie naar de relatie tussen verhoortechnieken, de verklaring van verdachten en de aanwezigheid van de advocaat in zware zaken.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.


De huidige manier van verhoren en de aanwezigheid van de advocaat blijken beperkt van invloed op de informatie die verdachten van zware misdrijven tijdens een politieverhoor prijsgeven. Dit is de belangrijkste conclusie uit een studie die door onderzoekers van de Erasmus School of Law in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap is uitgevoerd. Het onderzoek laat zien dat weinig verdachten gedurende het gehele verhoor zwijgen. De uitdaging voor een effectief verdachtenverhoor is dan ook niet zozeer de verdachte aan het praten te krijgen, maar de verdachte over de zaak te laten praten of de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie te onderzoeken. Hiertoe zou het verdachtenverhoor vormgegeven kunnen worden als een open gesprek waarin de beschikbare informatie met de verdachte wordt besproken. De verdachte en advocaat sneller inzage geven in het dossier kan bijdragen aan een efficiënter verdachtenverhoor.

Er bestaat weinig inzicht in de effectiviteit van het verdachtenverhoor als het gaat om het verkrijgen van zaakgerelateerde en betrouwbare informatie. De aanwezigheid van de advocaat bij het politieverhoor en nieuwe technologische ontwikkelingen bij het verkrijgen van bewijs zouden daarnaast van invloed kunnen zijn op de waarde die het verdachtenverhoor heeft voor het opsporingsonderzoek en in het verlengde daarvan het strafproces. Daarom is een veldstudie uitgevoerd waarin daadwerkelijk uitgevoerde verdachtenverhoren in zware zaken zijn bestudeerd. Het onderzoek heeft als doel inzichtelijk te maken welke verhoorstijlen en -technieken succesvol zijn bij de pogingen om een verdachte een verklaring te laten afleggen of te laten bekennen. Ook wordt nagegaan in hoeverre de aanwezigheid van een advocaat van invloed is op de verhoorstijlen en -technieken en de reacties van de verdachte.

Op basis van een literatuurstudie, 54 letterlijk uitgewerkte verdachtenverhoren en veertien geïnterviewde rechercheurs is een analyse gemaakt van de wijze waarop de verhooruitkomst voortkomt uit de interactie tussen opsporingsambtenaren en de verdachte. Dit heeft een gedetailleerd beeld opgeleverd van de manier waarop verdachtenverhoren worden uitgevoerd, van de manier waarop verdachten daarop reageren en van de consequenties die de aanwezigheid van de advocaat heeft op de interactie tussen opsporingsambtenaren en de verdachte.
Uit de resultaten volgt de implicatie dat de gereedschapskist van opsporingsambtenaren moet worden uitgebreid met alternatieve verhoorstijlen. Meer aandacht voor open en neutrale manieren van verhoren waarmee verdachten worden gemotiveerd om hun verhaal te vertellen lijkt een weg te zijn om het verdachtenverhoor toekomstbestendig te houden.
NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Willem-Jan Verhoeven: 010-4081623 (verhoeven@law.eur.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Effectiviteit van het verdachtenverhoor. Een veldstudie naar de relatie tussen verhoortechnieken, de verklaring van verdachten en de aanwezigheid van de advocaat in zware zaken.  (PW95)
Door: Willem-Jan Verhoeven, Elisa Duinhof. Politiewetenschap 95, Politie en Wetenschap, Apeldoorn / Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Schakel eerder politie in bij ongewenst seksueel gedrag in de sport

Gepubliceerd op

Over grenzen in de sport. De rol van de politie in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport in samenwerking met relevante partners.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Veel meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport (SGG) worden informeel afgedaan door sportverenigingen, waardoor de politie onvoldoende zicht krijgt op het probleem. Een verklaring is dat sportverenigingen bij het inschakelen van de politie vaak denken dat er door de politie altijd wordt gereageerd met ‘sirene en zwaailichten’ en zij dit als bedreigend ervaren. De politie wil echter in een zo vroeg mogelijk stadium van de melding betrokken worden zodat ze kunnen adviseren over het vervolgtraject en zo nodig kunnen ingrijpen. Dit blijkt uit een onderzoek dat Bureau Beke heeft uitgevoerd in opdracht van Programma Politie en Wetenschap naar de rol van de politie in de aanpak van SGG in de sport. Uit de verhalen van slachtoffers blijkt dat ze problemen ondervinden bij het melden van misbruik of dat er niets met hun melding wordt gedaan door sportverenigingen. Diverse instanties kunnen een rol spelen bij de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport. De onderzoekers pleiten er op basis van het onderzoek voor dat sportbonden en verenigingen een helder beleid voeren en nauwer samenwerken met de politie bij de bestrijding van SGG. 
 Onder de noemer seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) wordt een breed scala aan gedragingen verstaan, variërend van verbaal seksueel intimiderend gedrag tot ongewenste seksuele aanrakingen, het maken van heimelijke opnames, grooming en fysiek seksueel misbruik. In ‘Over grenzen in de sport’ geven de auteurs antwoord op de vraag wat de belemmeringen zijn om problemen te melden en hoe zaken worden opgepakt en afgehandeld. Er wordt ingegaan op de rol die de politie hierin heeft en kan hebben in samenhang met de inbreng van NOC*NSF, de sportbonden en – verenigingen.

Onderzoeksmethoden
Om na te gaan hoe de politie en haar partners de bestrijding en aanpak van SGG binnen de sport kunnen verbeteren, zijn verschillende onderzoeksmethoden ingezet. Er zijn literatuur en documenten (zoals jaarverslagen, beleidsstukken en procedurebeschrijvingen) geraadpleegd. Tevens zijn de registraties van het Vertrouwenspunt Sport van het NOC*NSF, de sportbonden en de politie geanalyseerd. Aanvullend zijn er interviews gehouden met vijftig deskundigen vanuit sportclubs, politie, OM en met (ouders) van slachtoffers.

SGG in de sport
Kenmerkend voor de slachtoffers is hun kwetsbaarheid, die bijvoorbeeld voortkomt uit een slechte thuissituatie of sociale isolatie. Een belangrijk deel van de slachtoffers is bovendien minderjarig. Plegers zijn vaak geliefd, populair en onmisbaar binnen de vereniging. Toch voldoen niet alle slachtoffers en daders aan dit beeld. Er zijn volgens respondenten verschillende typen slachtoffers en plegers te onderscheiden. De politie lijkt een wat andere categorie slachtoffers en plegers in beeld te hebben dan de bonden en het Vertrouwenspunt Sport (VPS). De politie registreert vaker zaken waarbij één slachtoffer is betrokken. Dit slachtoffer is relatief vaak een vrouw. De politie heeft vaker medesporters als pleger van SGG in beeld dan de sportbonden en het VPS.

Beleid rondom SGG in de sport
Er zijn weliswaar diverse instrumenten ontwikkeld door NOC*NSF die verenigingen kunnen gebruiken, maar die blijken in de praktijk vaak niet te worden gebruikt. Een genoemde reden is dat het onderwerp SGG niet genoeg leeft en als ‘lastig’ wordt ervaren binnen de sportverenigingen. Men denkt soms dat SGG niet bij de vereniging voorkomt. Er rust een taboe op SGG in de sport.
Het kunnen garanderen van een veilig en gezond sportklimaat staat of valt met het herhaaldelijk aandacht vragen voor het feit dat grensoverschrijdend gedrag in de breedste zin van het woord voorkomt. Geen enkele tak van sport is hiervan uitgezonderd. Uit het onderzoek blijkt dat sommige verenigingen pas gaan nadenken over de aanpak van SGG als zich een incident binnen hun club heeft voorgedaan. Omdat besturen van verenigingen elkaar snel kunnen opvolgen, is een goede borging van het (veiligheids)beleid elementair.

Afdoening van SGG in de sport en rol politie
Veel meldingen van SGG worden informeel ‘opgelost’ en dus niet tuchtrechtelijk en/of strafrechtelijk afgehandeld. Het onderzoek maakt duidelijk dat het criminaliseren van alle grensoverschrijdende gedragingen niet wenselijk is, voor zowel de melder/het slachtoffer als de pleger en vereniging. Besturen van verenigingen kunnen ‘lichte’ overtredingen van de fatsoensnormen goed zelf aanpakken. Daarentegen moet het zelf oplossen geen kenmerken van een doofpot gaan vertonen en daarom zijn goede registratie en transparantie essentieel. Zaken die strafrechtelijk van aard zijn dienen ook als zodanig te worden afgehandeld.
Een aanbeveling is bovendien dat de politie haar diensten inzichtelijker kan maken voor de sportverenigingen en in een vroeger stadium van meldingen verenigingsbesturen van advies kan voorzien over de afhandeling. 


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Marjan Olfers, hoogleraar VU Amsterdam (telefoonnummer, m.olfers@vu.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Over grenzen in de sport. De rol van de politie in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport in samenwerking met relevante partners.’ (PK88)

Door: A. van Wijk, M. Hardeman, L. Scholten en M. Olfers. Politiekunde 88, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Een kijkje in de recherchekeuken

Gepubliceerd op

Modus operandi van de recherche. De recherchepraktijk in moord- en verkrachtingszaken.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.


Zoals een crimineel zich een bepaalde werkwijze eigen maakt, zo heeft ook de recherche modus operandi. Bureau Beke heeft voor Programma Politie & Wetenschap onderzocht hoe rechercheteams in de praktijk te werk gaan bij moord- en zedenzaken. Daarbij is op een neutrale manier de dagelijkse praktijk van rechercheteams vastgelegd die, vaak onder grote druk van publiek, media en het bestuur, zo snel mogelijk de misdaad moeten oplossen. Wat doet het rechercheteam (en waarom) om een zaak tot opheldering te brengen? Het belangrijkste doel van het onderzoek is om rechercheurs in Nederland kennis te laten nemen van de inspanningen, teleurstellingen en successen van collega-rechercheurs. Elke zaak is weliswaar uniek, maar verschillende ‘succesfactoren’ komen in de zaken terug. In de praktijk is het niet altijd haalbaar dat een compleet opgetuigd en gekwalificeerd team meteen na het misdrijf kan starten met onderzoek. Niettemin worden de meeste zaken opgelost.

Het onderzoek is gebaseerd op 31 moord- en verkrachtingszaken. De politiedossiers zijn bestudeerd en er zijn interviews gehouden met de rechercheteams. De omvang van de bestudeerde dossiers wisselde per zaak: van sommige zijn enkel de stamprocessen-verbaal bestudeerd (samenvatting van de zaak van zo’n 50-60 pagina’s), van andere zijn dozen vol met dossiers met daarin processen-verbaal van verhoren, tactische middelen, forensisch onderzoek en bijzondere opsporingsmiddelen onderzocht.
Er is voor gekozen om vooral zaken te bestuderen met een onbekende dader, die geen relatie heeft met het slachtoffer. Dit soort zaken komt weinig voor, want bij moord en zedenmisdrijven kennen dader en slachtoffer elkaar vaak. Het rechercheteam moet in deze zaken meestal alles uit de kast halen om bij een verdachte te komen.

Het onderzoek laat zien dat het denken in termen van hypothesen en scenario’s inmiddels gemeengoed is binnen de recherche en dat van tunnelvisie weinig sprake meer lijkt. Bij uitzondering richt de recherche zich in haar opsporingsonderzoek nog op een enkel scenario of een enkele verdachte.
Het ambachtelijke recherchewerk bestaat onder meer uit het sporenonderzoek op de plaats delict, het houden van buurtonderzoek, veiligstellen van telecomgegevens, het raadplegen van politiesystemen en het gebruikmaken van de media. Het is soms zoeken naar een speld in de hooiberg, bijvoorbeeld als de recherche moet uitzoeken wie in een straal van 20 kilometer op een bepaald type brommer rijdt. Soms heeft het rechercheteam ‘geluk’ en laat de dader DNA achter of wordt herkend door het slachtoffer of getuigen. Verdachten kunnen ook uit het buitenland komen of zich daar verschansen voor de politie. De formele contacten met buitenlandse politiekorpsen zijn soms tijdrovend. Het helpt als de teamleden afreizen naar het buitenland om de informatie ter plekke te halen.
Uit de bestudeerde zaken blijkt dat het moeilijk is voor de dader om geen sporen achter te laten. De snelle ontwikkeling in technische mogelijkheden vergroot de waarde van sporenonderzoek. De afstemming tussen tactische en technische opsporing behoeft nog wel verbetering. Tactisch moet immers bepaald worden wat er technisch moet worden onderzocht. Hoewel technisch bewijs in zaken tot een oplossing hebben geleid, blijven verklaringen van getuigen en tips ook van grote waarde. Deze kunnen de recherche op het juiste spoor zetten.

In een paar gevallen is het de recherche (nog) niet gelukt om de zaak op te lossen. Zoals bij een in stukken gezaagd lichaam dat weken in het water heeft gelegen. Na veel tijd en moeite is er geen dader gevonden. De recherche documenteert dan alle informatie zo volledig mogelijk voor een eventueel cold case team. 

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Anton van Wijk. a.vanwijk@beke.nl
Tel. 06-23035340

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Modus operandi van de recherche. De recherchepraktijk in moord- en verkrachtingszaken’. (PK87)

Door: A. van Wijk, I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 87, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Opsporen voortvluchtigen heeft vaak weinig prioriteit

Gepubliceerd op

De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Er staan ongeveer 11.000 tot een gevangenisstraf veroordeelde voortvluchtigen op de nationale opsporingslijst en deze worden niet altijd actief opgespoord. Dit blijkt uit onderzoek van Yvette Schoenmakers en anderen. Sommige voortvluchtigen staan al lang gesignaleerd; bijna de helft al langer dan vijf jaar. Ruim driekwart van de voortvluchtigen heeft een openstaande strafduur van hooguit twee maanden voor bijvoorbeeld vermogenscriminaliteit. De opsporing van deze mensen heeft geen hoge prioriteit bij de politie. Sommige voortvluchtigen zijn zwaardere criminelen met hogere openstaande straffen. Opsporing van deze zwaardere criminelen valt onder het landelijk politieteam FASTNL, dat deze voortvluchtigen actief en specialistisch opspoort. De groep voortvluchtigen die niet in aanmerking komt voor gerichte opsporing, de ‘middenmoot’ met kortere openstaande gevangenisstraf, loopt echter kans om aan de aandacht van de politie te ontsnappen. Beperkte gegevensuitwisseling door en met andere instanties is daar mede debet aan. Een deel van de grote groep voortvluchtigen zou ‘vindbaar’ zijn als er gericht gezocht zou worden. Er zijn volgens de onderzoekers mogelijkheden om tot een meer geloofwaardige strafexecutie te komen.

Het onderzoek
In het onderzoek zijn kenmerken in beeld gebracht van voortvluchtigen die zich onttrekken aan een onherroepelijk door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Onderzoeksvragen waren: wat zijn de achtergrondkenmerken van gesignaleerde voortvluchtigen in Nederland, hoe ontvluchten zijn hun straf en hoe kan de politie het traceren van deze personen optimaliseren? Voor het onderzoek zijn van 11.167 voortvluchtigen in het landelijk opsporingssysteem gegevens bestudeerd afkomstig van CJIB, politie en justitie. Daarnaast zijn interviews en een expertmeeting gehouden met professionals en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden van 29 aangehouden voortvluchtigen in twee politie-eenheden.

De voortvluchtigen
De overgrote meerderheid (87%) van de voortvluchtigen is man. Een klein deel (8%) is geboren in Nederland, 37% in een niet-westers land, 27% in een Midden- of Oost-Europees land. De delicten waarvoor men is veroordeeld toen men voortvluchtig werd (indexdelicten), zijn vooral vermogensdelicten zonder geweld (58%), gevolgd door drugsdelicten (13%). De helft heeft een openstaande strafduur van hooguit een maand, ruim een kwart (27%) 1 tot 2 maanden. Bijna een tiende (9,2%) heeft een openstaande detentie van 120 dagen of meer. De helft van de voortvluchtigen heeft meerdere eerdere veroordelingen op zijn of haar naam staan, vooral voor vermogensdelicten zonder geweld.
De groep voortvluchtigen is gevarieerd van aard en bestaat onder andere uit veelplegers, ‘beroepscriminelen’ met een zwaarder strafblad (vooral drugs- en geweldmisdrijven), ‘first offenders’ zonder eerdere veroordelingen en enkele jeugdige voortvluchtigen. Niet alle voortvluchtigen lijken zich ervan bewust dat ze gezocht worden voor een openstaande gevangenisstraf. Bijvoorbeeld veroordeelden die in aanmerking komen voor vervangende hechtenis door het schenden van door de rechter opgelegde voorwaarden. Anderen weten het wel, maar houden zich op de vlakte. Een deel van de – met name zwaardere criminelen – lijkt in het buitenland te verblijven.

De opsporing
De eerste 90 dagen is het opsporen van voortvluchtigen een taak van de politiebasisteams. Deze basisteams gaan in de praktijk meestal drie keer langs bij de voortvluchtige, als het adres bekend is, om te kijken of de voortvluchtige alsnog aangehouden kan worden. Sommige basisteams verrichten nog extra opsporingshandelingen. Daarna is het afhankelijk van de hoogte van de straf of er actief opgespoord wordt; onder de 120 dagen openstaande straf is dit niet het geval. De voortvluchtige blijft dan wel gesignaleerd staan en wordt aangehouden als deze zelf ergens tegen de lamp loopt. In een aantal politie-eenheden wordt meer tijd geïnvesteerd in de opsporing van voortvluchtigen, bijvoorbeeld met gerichte landelijke executie-acties, die succes opleveren.
Informatie over voortvluchtigen wordt niet altijd goed geregistreerd en/of gedeeld bij verschillende overheidsdiensten. Dit kan tot gevolg hebben dat een verkeerd adres in het opsporingsregister staat, maar soms ook dat voortvluchtigen een uitkering ontvangen of een nieuw paspoort kunnen aanvragen.
Een deel van de geconstateerde knelpunten wordt momenteel geadresseerd binnen de Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB) en verder wettelijk ingekaderd in het herziene Wetboek van Strafvordering. De aanbevelingen van de onderzoekers borduren hierop voort en betreffen onder andere voortgezette aandacht voor de samenwerking intern en binnen de keten; het aanpassen van opsporingsstrategieën aan specifieke categorieën voortvluchtigen en het vergroten van aandacht en urgentie binnen politie voor de opsporing van voortvluchtigen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Ilse de Groot, 06 14663875 (ilsedegroot@ratioresearch.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland’. (PK82)
Door: Y. Schoenmakers, I. de Groot, J. van Zanten, A. van Rooyen, J. Baars.

Politiekunde 82, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.
Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Georganiseerde misdaadfamilies: hardnekkig en moeilijk te bestrijden

Gepubliceerd op

Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Hans Moors: 070 8700460 (moors@emma.nl)
- Toine Spapens: 013 4663618 (a.c.spapens@uvt.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


‘Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad’. (PW84)

Door: H. Moors en T. Spapens. Politiewetenschap 94, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eén op de acht dierenmishandelaars is een vrouw

Gepubliceerd op

De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden van dierenmishandelaars.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Het profiel van dierenmishandelaars is erg gevarieerd; er kan niet worden gesproken van dé dierenmishandelaar. Bureau Beke heeft in opdracht van Programma Politie en Wetenschap voor het eerst onderzocht wie die dierenmishandelaars zijn. Ondanks dat in de literatuur voornamelijk over mannelijke dierenmishandelaars wordt gesproken is 1 op de 8 daders een vrouw. In de meeste gevallen gaat het om mishandeling van een hond (57%) of een kat (17%). Hierbij gaat het in meer dan de helft van de gevallen om het eigen dier. De mishandeling bestaat voornamelijk uit slaan, schoppen en/of gooien met het dier. De onderzoekers pleiten op basis van het onderzoek voor meer aandacht voor dierenmishandeling.

Met enige regelmaat verschijnen berichten in de media over dieren die mishandeld zijn. Het zijn zaken die voor heftige beroering in de samenleving kunnen zorgen. Denk aan de vele paarden die vanaf 2012 verspreid over Nederland ernstig zijn toegetakeld. Een zaak die nog steeds niet is opgelost. De vraag is: wie doet nu zoiets? Wie zijn deze dierenmishandelaars, wat zijn hun kenmerken en achtergronden?
 
Onderzoeksmethoden
Na een lange zoektocht in verschillende registratiesystemen van diverse instanties zijn de kenmerken en achtergronden van 97 dierenmishandelaars in beeld gebracht. De gegevens van de instanties zijn ook gebruikt om een beeld te geven van de aard en omvang van dierenmishandeling. Vervolgens is er met meerdere deskundigen vanuit verschillende organisaties gesproken om hun kennis en ervaring op te tekenen en om de resultaten te duiden. Ook zijn er vragenlijsten afgenomen bij taakaccenthouders dierenwelzijn van de Nationale Politie en bij chauffeurs van de dierenambulances.

Dierenmishandelaars
De kernmerken en achtergronden van dierenmishandelaars zijn divers. De leeftijdsrange van de dierenmishandelaars loopt uiteen; de jongste is 7 en de oudste is 85 jaar. De dierenmishandelaars zijn gemiddeld 34 jaar oud ten tijde van het plegen van de dierenmishandeling.
Dierenmishandelaars zijn geen criminelen pur sang. Integendeel, de helft is volgens politiegegevens te beschouwen als first offender; ze hebben behalve het dierenfeit, geen andere HKS-registratie. Van deze groep zou in theorie kunnen worden verwacht dat zij later wel ernstiger delicten kunnen gaan plegen, hoewel een deel ouder is dan 30 jaar. De andere helft van de dierenmishandelaars plegen – over het geheel genomen – allerlei vormen van criminaliteit. Hierbij valt vooral het aandeel van de vermogensmisdrijven (34%) en geweldsmisdrijven (23%) op. Slechts bij negen personen is vastgesteld dat er naast dierenmishandeling ook sprake is van huiselijk geweld. Het is dus zaak om ook buiten de context van huiselijk geweld te kijken naar dierenmishandelaars teneinde een compleet beeld te verkrijgen van het fenomeen. Wat ook opvalt, is dat de plaats van de dierenmishandeling binnen de totale criminele carrière vaker aan het eind ervan dan aan het begin ervan is, althans voor zover dat is op te maken uit de politieregistraties.

De dierenmishandelaars ervaren in de meeste gevallen problemen op verschillende leefgebieden. Ondanks dat de registraties matig gevuld zijn, blijkt een aanzienlijk deel van de mishandelaars werkeloos te zijn (40%) en/of schulden te hebben (40%). Ook is er regelmatig alcohol- en/of (soft-)drugs in het spel te zijn tijdens de dierenmishandeling. Opvallend is dat een derde van de mishandelaars agressieregulatieproblemen heeft en ook impulscontrolestoornissen (18%) en een gebrek aan sociale vaardigheden (18%) komen voor.

Aanbevelingen
Uit het onderzoek volgen verschillende aanbevelingen. Alertheid bij de taakaccenthouders én bij de surveillancedienst kan leiden tot een betere signalering van dierenmishandeling. Ook is het belangrijk dat de kennis en kunde van alle politiefunctionarissen die met dierenmishandeling te maken kunnen krijgen op peil wordt gebracht en gehouden. Idealiter zou een database kunnen worden opgezet om zaken van dierenmishandeling consequent te registreren. Tot slot is het belangrijk dat de politie voldoende tijd krijgt om dierenmishandelingzaken op te pakken en te onderzoeken.

De kennis die in de rapportage ‘De aard van het beestje’ wordt gedeeld, is nuttig voor iedere politiefunctionaris en andere professionals die op welke manier dan ook te maken kunnen krijgen met dierenmishandeling. De ‘puzzel’ rondom de persoon van de dierenmishandelaar is nog niet opgelost maar dit eerste onderzoek geeft een goede aanzet voor verdere studie naar het fenomeen dierenmishandeling en de plegers ervan.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Manon Hardeman, onderzoeker (026-4438619, m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden
van dierenmishandelaars. (PK86)

Door: A. van Wijk en M. Hardeman. Politiekunde 86, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eerlijke informatie achterblijvers cruciaal bij opsporing vermisten

Gepubliceerd op

Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Van de tienduizenden vermissingen die jaarlijks bij de politie worden gemeld, resulteren er bijna honderd in een langdurige vermissing. Deze langdurige vermissingen moeten vanaf het eerste moment met een opsporingsbril worden bekeken en niet te veel vanuit een hulpverleningsperspectief. Zo wordt voorkomen dat belangrijke informatie wordt gemist en er kostbare tijd verloren raakt. Medewerking van achterblijvers is hierbij cruciaal, maar deze wordt niet altijd direct gegeven aan de politie. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke, waarin 30 langdurige vermissingszaken zijn gereconstrueerd.

Het onderzoek
De Nationale Politie beschikt sinds vorig jaar over de zogenaamde 'Beke-lijst' met daarop 1500 personen die een jaar of langer worden vermist. In dit vervolgonderzoek is gekeken hoe de politie met langdurige vermissingszaken omgaat en wat daarvan geleerd kan worden. In het onderzoek is een reconstructie gemaakt van de opsporing van 30 langdurige vermissingen waarbij de politie op enig moment het vermoeden van een misdrijf heeft. Het gaat om zowel opgehelderde als niet-opgehelderde zaken. De vermissingen dateren uit het tijdvak 1985 tot en met 2010 en kennen een gemiddelde looptijd van elf jaar. Van die zaken is het politiedossier geanalyseerd en er zijn interviews gehouden met de betrokken politiefunctionarissen. In een aantal zaken is daarnaast gesproken met de achterblijvers van de vermisten om ook hun ervaringen met het politieonderzoek op te tekenen. De reconstructies bieden inzicht in de recherchepraktijk bij vermissingszaken en leveren lessen op voor de opsporing. Dat zijn niet alleen lessen voor de politie maar ook voor achterblijvers van vermisten. Omdat bij een vermissing onbekend is wat er aan de hand is, heeft de politie in feite direct een achterstand. Hoe eerder de vermissingszaak toch serieus wordt opgepakt, des te groter de kans dat een zaak wordt opgehelderd.

Rol achterblijvers
Achterblijvers hebben hier een belangrijk aandeel in: zij moeten op tijd melding maken van een vermissing én geen informatie achterhouden. Omdat er bij een vermissing vaak weinig tastbaars is, moet de politie voornamelijk op verhalen van achterblijvers afgaan. Het blijkt echter regelmatig voor te komen dat achterblijvers vanwege schaamte, trots of angst informatie verzwijgen, bijvoorbeeld over problemen die spelen. Daardoor bestaat de kans dat de politie de verkeerde denk- en zoekrichtingen inslaat en er onnodig tijd verloren raakt. Achterblijvers moeten zich er daarom van bewust zijn dat het cruciaal is dat zij direct eerlijk alle relevante informatie met de politie delen.
Van de zijde van de politie mag verwacht worden dat de verklaringen van achterblijvers niet zondermeer voor waar worden aangenomen maar worden geverifieerd. Een achterblijver kan immers betrokkenheid hebben bij de verdwijning. Dat kan blijken uit een gebrek aan bezorgdheid, het bewust achterhouden van informatie of het bewust op het verkeerde spoor zetten van de politie. Een voorbeeld is een zaak waarin een achterblijver verklaart dat de vermiste uit eigen beweging naar het buitenland is vertrokken. Jaren later blijkt hij haar vermoord en begraven te hebben.

Lessen voor de opsporing
De intuïtie (het fingerspitzengefühl) van ervaren politiefunctionarissen moet serieus worden genomen, blijkt uit het onderzoek. Daarnaast zijn creativiteit, vasthoudendheid en het betrekken van bijzondere expertises voorwaarden bij de behandeling van een vermissingszaak.
De politie hanteert geen protocol voor het opnieuw in onderzoek nemen van oude vermissingszaken. Naast de 1500 langdurige vermissingen zijn er ruim 1000 onopgeloste ernstige misdrijven (cold cases) waar ook opsporingscapaciteit voor nodig is. Er wordt in het onderzoek voor gewaarschuwd dat de aandacht voor langdurige vermissingen niet beperkt moet blijven tot een administratieve borging.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden: 026 4438619 / 06 55384883 (i.vanleiden@beke.nl)
- Manon Hardeman: 026 4438619 (m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen. (PK85)
Door: I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 85, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

ZSM leidt binnen de politie tot meer aandacht voor de aanpak van VVC

Gepubliceerd op

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Renze Salet: 024-3612494 (r.salet@jur.ru.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.
Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap
(PW92)

Door: R. Salet en J. Terpstra m.m.v. P. Frielink. Politiewetenschap 92, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Betere opsporing door politie vergt heldere keuzes

Gepubliceerd op

Naar een rationele opsporing. Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing.

Nieuwe publicatie Politie en Wetenschap in de reeks speciale uitgaven.

Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk kan worden gedownload van de website van Politie en Wetenschap en is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit: 06-51188627

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Het rapport is gratis te downloaden als PDF van de website www.politieenwetenschap.nl

Effecten bodycam bij politie afhankelijk van context

Gepubliceerd op

De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Invoering van de bodycam door de politie leidt niet altijd tot gewenste effecten als vermindering van het aantal klachten en geweldgebruik door politie en gebruik van opnames voor opsporing. Dit blijkt uit een grootschalig internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd door Sander Flight. Positieve effecten die wel gevonden werden in de VS bleken niet op te treden in de andere landen waar grondige onderzoeken met bodycams zijn uitgevoerd. Context, zoals de relatie tussen politie en burgers, beleidsmatige keuzes, technische specificaties en het juridisch kader zijn blijkbaar van invloed. Met behulp van te evalueren pilots kan de politie beter zicht krijgen op de effecten in de Nederlandse context en bij verschillend gebruik.
Er zijn in de literatuur negen evaluaties aangetroffen die voldoende degelijk van opzet waren om mee te mogen doen in deze meta-evaluatie: in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Vijf van de negen onderzoeken lieten zien dat het aantal klachten tegen politiemensen aanzienlijk daalde (met 14 tot 87 procent). De vier andere evaluaties onderzochten andere doelen en deden dan ook geen uitspraak over klachten. Ook geweldsgebruik door de politie kan dalen door bodycams: dat lieten drie van de negen evaluaties zien (dalingen met 28 tot 75 procent). Over de waarde van opgenomen beelden voor de opsporing weten we nog maar weinig: slechts twee van de bestudeerde evaluatierapporten rapporteerden positieve, zij het kleine, bijdragen van bodycams aan de strafrechtketen.

De effecten van bodycams lijken sterk af te hangen van de beleidsmatige context. Moet de politie zelf de bodycam aanzetten of staat hij altijd aan? En wie werken met de bodycams: doet men dit alleen vrijwillig of is het gebruik verplicht? Dit is van invloed op het aantal opgenomen beelden. Beleid en instructies zijn dus heel belangrijk. Hetzelfde geldt voor technische specificaties (bijvoorbeeld of te zien is dat de camera aanstaat), het juridische kader (bijvoorbeeld hoe lang de beelden bewaard worden en of zij direct naar het OM en de rechter gaan of moeten worden uitgeschreven in een proces-verbaal) en de fysieke context (bijvoorbeeld het type locatie of soort politiedienst). Hoe dit alles op elkaar inwerkt is nog niet duidelijk; niet in het buitenland en ook niet in Nederland.

Een belangrijke aanbeveling is om een onderzoeksprogramma te starten en de effecten van bodycams ook in Nederland grondig te onderzoeken. Het doel van vervolgonderzoek zou moeten zijn om uit te vinden hoe publiek en politie op de bodycams reageren, wat bodycams bijdragen aan waarheidsvinding, bewijsvoering, klachtafhandeling, het voorkomen van geweld tegen de politie en aan intercollegiaal leren. Dit vervolgonderzoek, waarbij pilots worden geëvalueerd, kan uitwijzen hoe, waar, in welke situatie en op welke manier bodycams bij de uitrusting van de politie zouden kunnen gaan behoren.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Sander Flight, zelfstandig onderzoeker: 06 - 41315432

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.’ (PW93)
Door: S. Flight. Politiewetenschap 93, Politie en Wetenschap, Apeldoorn/Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Noodmaatregelen burgemeesters vaak ondeugdelijk

Gepubliceerd op

Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie & Wetenschap.

Vrijwel elke week is er ergens in Nederland een noodmaatregel van kracht: een tijdelijke maatregel van de burgemeester om een noodsituatie te voorkomen of te bestrijden. Jaarlijks zijn honderden politieagenten betrokken bij de handhaving van zogeheten noodbevelen (concrete instructies voor burgers) en noodverordeningen (algemene verboden en geboden). De noodmaatregelen lopen uiteen van eenvoudige gebiedsverboden tot evacuatiebevelen. Uit dit onderzoek van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid (COOV) van de Rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat de genomen noodmaatregelen regelmatig in strijd zijn met de wet. Burgemeesters hebben moeite met het opstellen van juridisch houdbare noodvoorschriften en kennen bijvoorbeeld nieuwe bevoegdheden aan de politie toe. De noodvoorschriften worden verder soms zodanig geformuleerd dat het voor de politie moeilijk is ze te handhaven. In het onderzoek komt men tot best practices voor verschillende soorten noodsituaties: juridisch houdbare en door politie handhaafbare maatregelen die bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

In het onderzoek zijn ruim 250 noodverordeningen en noodbevelen van de laatste vijf jaren verzameld. Verder is gesproken met diverse deskundigen. Voor hun analyse onderscheiden de onderzoekers twaalf situaties waarin burgemeesters noodmaatregelen inzetten. Ze lopen uiteen van rampen zoals brand of overstroming tot ernstige wanordelijkheden als ordeverstoringen door voetbalgeweld of ongeregeldheden tijdens het bezoek van hoogwaardigheidsbekleders. De noodmaatregelen zijn geanalyseerd op legaliteit, juridische houdbaarheid en praktische handhaafbaarheid. Afgesloten wordt met een overzicht van de best practices – dat zijn de maatregelen die positief scoren op bovenstaande vragen en die in belangrijke mate kunnen bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

Het onderzoek kan de verantwoordelijke gezagsdragers helpen bij het treffen van bruikbare noodmaatregelen. Daarmee is dit rapport van grote waarde voor burgemeesters, juristen van gemeenten en veiligheidsregio’s, leidinggevende politiefunctionarissen als ook andere betrokkenen bij de aanpak van noodsituaties.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- A.J. Wierenga: 050 363 5666 / a.j.wierenga@rug.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen. Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.’  (PK84)
Door: A.J. Wierenga, C. Post & J. Koornstra. Politiekunde 84, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2016.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl.