Hoe een angsthaas een jokkebrok herkent

Hoe een angsthaas een jokkebrok herkent
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Samenvatting
Hoe weet je of iemand die een sterk verhaal vertelt de waarheid spreekt of liegt? De ontwikkeling en het gebruik van methoden voor leugendetectie kent al een lange geschiedenis binnen de (toegepaste) psychologie en neurowetenschappen, maar alle tot op heden ontwikkelde methoden hebben zo hun haken en ogen. In de praktijk blijkt het zeer moeilijk leugenaars te betrappen. Toch blijkt uit recent onderzoek dat mensen beschikken over een soort ‘ingebouwde leugendetector’: gebieden in ons brein die onbewust reageren op iemands gezichtsuitdrukking wanneer deze persoon niet eerlijk is. De signalen die deze ‘leugendetector’ afgeeft zijn echter zeer subtiel en gaan paradoxaal genoeg verloren als we te veel ons best doen om ze op te pikken. In dit onderzoek is daarom een nieuwe methode van leugendetectie getest, impliciete leugendetectie. Deze methode maakt gebruik van onze ‘ingebouwde leugendetector’ om leugenaars succesvol te ontmaskeren. In twee experimenten met proefpersonen is onderzocht of het mogelijk is om indirect toegang te krijgen tot de ‘ingebouwde leugendetector’.

De resultaten laten echter zien dat de werkelijkheid wat ingewikkelder in elkaar zit. Impliciete leugendetectie blijkt te werken, maar niet via de hersengebieden en de mechanismen die de onderzoekers van tevoren vermoedden. Er zijn daarentegen aanwijzingen gevonden voor het mechanisme dat wèl ten grondslag ligt aan impliciete leugendetectie: het brein blijkt niet zozeer te reageren op een liegende gezichtsuitdrukking, maar wel op subtiele veranderingen in contrasten in het gezicht, zoals bijvoorbeeld het ontstaan of verdwijnen van rimpeltjes, die zich voordoen als iemand liegt. Deze kunnen ook met een computer berekend worden door middel van zogenaamde beeldstatistiek, een methode die eigenschappen van een beeld zoals contrast vastlegt in een enkel getal. Het rapport geeft daarom tot slot een eerste aanzet tot het mogelijke gebruik van beeldstatistiek als maat voor objectieve leugendetectie op basis van beeldmateriaal.

Jeugdige zedendelinquenten en recidive

Jeugdige zedendelinquenten en recidive
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Een onderzoek bij jeugdige zedendelinquenten naar de voorspellende waarde van psychiatrische stoornissen en psychosociale problemen voor (zeden)recidive (2012). C. Boonmann, L.M.C. Nauta-Jansen, L.A. 't Hart-Kerkhoffs, Th.A.H. Doreleijers, R.R.J.M. Vermeiren (VUmc De Bascule, Duivendrecht). Politiewetenschap 62

Schieten of niet schieten?

Schieten of niet schieten?
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Effecten van stress op schietbeslissingen van politieambtenaren (2012). A. Nieuwenhuys, G.P.T. Willemsen en R.R.D. Oudejans (MOVE Research Institute, Amsterdam). Politiewetenschap 53b

Opsporing Verzocht

Opsporing Verzocht
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Een quasi-experimentele studie naar de bijdrage van het programma Opsporing Verzocht aan de oplossing van delicten (2012). J.G. van Erp, F. van Gastel en H.D. Webbink (Erasmus Universiteit, Rotterdam). Politiewetenschap 61

De nachtdienst 'verlicht'

De nachtdienst 'verlicht'
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Samenvatting
Werken in de nachtdienst is voor de meeste mensen onnatuurlijk; de biologische klok vertelt ons dat we ’s nachts moeten slapen en overdag wakker moeten zijn. Het gevolg is dat men ’s nachts minder goed presteert en er op lange termijn vaak gezondheidsklachten ontstaan. Toch werkt in Nederland 16 procent van de beroepsbevolking regelmatig in de nachtdienst. Ook bij de politie moet op onregelmatige tijden worden gewerkt. In een samenwerking tussen onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen en politiekorps Drenthe is in opdracht van het programma Politie en Wetenschap een onderzoek opgezet naar effectieve manieren om het werken in de nachtdienst te verlichten. Het onderzoek spitst zich toe op twee mogelijke interventies: een powernap - een dutje van 20 minuten tussen 2 en 4 uur ’s nachts - of een korte blootstelling aan een hoge intensiteit licht - 20 minuten 5000 lux tussen 4 en 6 uur ’s nachts. In een twaalf weken durend onderzoek werden bij 86 deelnemers twee interventies getest: Iedere deelnemer onderging de eerste vier weken één van deze interventies en de tweede vier weken de andere. De derde periode van vier weken gold als controleconditie en hierin vond dus geen interventie plaats. 
Functioneren en welbevinden werden op verschillende manieren gemeten. Bij de powernap verbeterden onder andere de subjectieve mate van slaperigheid en extreme vermoeidheid in de nachtdienst. In theorie zou dit het risico op ongevallen met 40 procent kunnen verlagen. Deze conclusie wordt onderbouwd door het gegeven dat na de powernap 18 procent van de mensen aangaf weggesuft te zijn bij het naar huis rijden na de nachtdienst, tegen 36 procent in dezelfde groep in de controleconditie; een halvering van het risico. De 20 minuten lichtbehandeling leidde niet tot duidelijke verbetering. Leeftijd speelt in de resultaten alleen een rol bij het effect van de powernap op reactiesnelheid; vooral voor oudere werknemers was de powernap in dat opzicht effectief. 
De onderzoeker pleit er op basis van de resultaten voor om te kijken of het organisatorisch haalbaar is om agenten de gelegenheid te geven tot het doen van een korte powernap in het begin van de nachtdienst en in vervolgonderzoek de effecten hiervan te meten.

Blauw, hier en daar

Blauw, hier en daar
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Onderzoek naar de sterkte van de politie in Nederland, België, Denemarken, Engeland & Wales en Nordrhein-Westfalen (2012). J.H. Haagsma, I. Smits, H. Waarsing en C.J. Wiebrens (AEF, Utrecht). Politiewetenschap 59b

Pro-actief handhaven en gelijk behandelen

Pro-actief handhaven en gelijk behandelen
Gepubliceerd in in de categorie Politiewetenschap

Samenvatting
In dit onderzoek wordt ingegaan op de risico’s die verbonden zijn aan de groeiende inzet door de politie van proactieve instrumenten om jeugdoverlast en criminaliteit onder jongeren terug te dringen. Overlastgevende jeugdgroepen worden in kaart gebracht, jongeren die rondhangen op straat kunnen daarop door agenten worden aangesproken en bij aanwijzingen van misstanden kunnen agenten overgaan tot fouillering van jongeren of hen vragen zich te identificeren. Een dergelijk ‘proactief’ optreden, waar geen concrete verdenking van een strafbaar feit aan ten grondslag ligt, geeft agenten behoorlijk wat ‘discretionaire’ ruimte om naar eigen inzicht te handelen. Dat vergroot het risico op ongelijke behandeling en kan jongeren met een bepaalde (etnische) achtergrond het gevoel geven dat de politie het vooral op hen gemunt heeft. 

Het onderzoek richt zich enerzijds op het feitelijk politieoptreden en anderzijds op de wijze waarop jongeren dergelijk politieoptreden beleven. Het feitelijk 
politieoptreden is onderzocht door middel van observaties van twintig politiediensten in een grote Nederlandse stad. Uiteindelijk zijn 51 proactieve 
contacten met in totaal 323 jongeren geobserveerd. Daarnaast zijn twee survey-onderzoeken gedaan: een onder 487 scholieren (in verschillende steden) 
en één onder jongeren op straat en in jongerencentra. Het onderzoek laat zien dat ongelijke behandeling voorkomt maar eerder incidenteel dan structureel. Verschillen in behandeling veelal terug te voeren zijn op relevante criteria, zoals hanggedrag op straat, dan op de etnische achtergrond van jongeren. . Als rekening wordt gehouden met hun gedragingen, dan beoordelen jongeren met verschillende etnische achtergronden het politie optreden ook niet anders. Toch trekken jongeren, zo blijkt uit enquetes en vraaggesprekken, de eerlijkheid en rechtvaardigheid van politieoptreden jegens minderheden in twijfel. Ze doen dit op basis van concrete incidenten die zij hebben ervaren of waarvan ze hebben gehoord. Dat ondermijnt de reputatie en gezagspositie van de politie. Het onderstreept aldus de onderzoekers het belang dat ook binnen de politie zelf er systematisch aandacht is voor het voorkomen van ongelijke behandeling van etnische minderheden.