Bij vastzitten steeds vaker schadevergoeding gevraagd

Gepubliceerd op

Vastzitten zonder straf. Over inverzekeringstellingen en schadevergoedingen op basis van artikel 89 Sv.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De (extra) onderzoekstijd die de politie nodig heeft na aanhouding van een verdachte blijkt een belangrijk reden te zijn voor het in verzekering stellen van verdachten. De ophoudtermijn van zes uur, die tot 1 maart 2017 gold, was voor de politie om diverse redenen steeds vaker te kort. In 2017 is er echter sprake van een forse trendbreuk, namelijk een sterke daling van het aantal inverzekeringstellingen (18 procent). Dit blijkt uit een onderzoek van bureau Ateno in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Gekeken is naar verklaringen voor een stijging tussen 2010 tot 2017 van verdachten die door de politie in verzekering werden gesteld. Ook was er een toename van het aantal gehonoreerde verzoeken tot schadevergoeding voor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis (voorarrest) door de politie zonder dat er uiteindelijk sprake is geweest van oplegging van een straf of een maatregel.

De wens van de verdachte om bij het eerste verhoor bijgestaan te worden door een advocaat maakt de kans op inverzekeringstelling groter. Dit hangt enerzijds samen met de zwaarte van het feit. Bij zware feiten moet de verdachte een advocaat consulteren. Anderzijds hangt het samen met de tijd die het kost voor de advocaat om ter plaatse te komen en vooraf met de cliënt te overleggen. Dat maakt de kans groter dat de ophoudtermijn niet gehaald wordt.
 
Ook de toenemende beschikbaarheid van digitale sporen en camerabeelden maakt dat er vaak extra tijd voor onderzoek nodig is. Daarnaast is er de zogenaamde ZSM-werkwijze die weinig ruimte meer laat om eenvoudige zaken ook op een relatief eenvoudige manier af te doen. Deze werkwijze heeft in voorkomende gevallen eveneens tijdverlies tot gevolg, en daarmee in sommige gevallen ook een inverzekeringstelling van een verdachte.

De verruiming van de ophoudtermijn van zes naar negen uur per 1 maart 2017 kan de afname van inverzekeringstellingen in 2017 mede verklaren.

De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd van register- en dossieronderzoek en gesprekken met betrokken partijen in de strafrechtketen.

Op basis van hun bevindingen pleiten de onderzoekers onder meer voor een betere aansluiting van de werktijden van de ZSM-tafel op de ‘voor de nachtrust bestemde tijd’ gedurende de ophoudtermijn en invoering van een ZSM-light variant bij bepaalde delicten (bijvoorbeeld winkeldiefstal). Bij een ZSM-light variant hoeven niet langer alle ketenpartners zich te buigen over het voorval of de verdachte in kwestie.
Een optie zou ook kunnen zijn om in voorkomende gevallen simpelweg weer te volstaan met de ‘mini’ (het mini-pv). Dit is een strafbeschikking waarin een geldboete van een bepaald bedrag wordt opgelegd. Tot slot stellen de onderzoekers voor om bij een verdachte die een of enkele dagen zonder de uiteindelijke oplegging van een straf of maatregel heeft vastgezeten, automatisch over te gaan tot het uitkeren van een schadevergoeding aan de gedupeerde in kwestie. Dit is nu niet het geval.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers voor inhoudelijke vragen:
- Peter Kruize (bureau@ateno.nl)
- Paul Gruter 06-43993093 (bureau@ateno.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg: 06-11878237

‘Vastzitten zonder straf. Over inverzekeringstellingen en schadevergoedingen op basis 
van artikel 89 Sv.’ (PW105)

Door: Peter Kruize en Paul Gruter. Politiewetenschap 105, Politie en Wetenschap, Den Haag; SDU Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Te weinig focus op illegale medicijnenhandel

Gepubliceerd op

Een bittere pil. Het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Illegale medicijnenhandel in Nederland is een tot nu toe onderbelichte vorm van criminaliteit waar veel risico’s aan kleven en waar veel geld in om gaat. Dit blijkt uit onderzoek dat Bureau Beke uitvoerde in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Zij keken naar het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel. Om illegale medicijnenhandel te kunnen bestrijden is meer kennis en awareness nodig bij opsporingsinstanties, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. Omdat de gezondheidssector een belangrijke rol speelt in de illegale medicijnenhandel moeten ook binnen die sector de kennis en awareness worden vergroot. Het boek ‘Een bittere pil’, dat vandaag uitkomt in de reeks Politiewetenschap, kan daar aan bijdragen.

Onderzoeksopzet
Onderzoekers van Bureau Beke hebben op basis van een literatuurstudie, interviews met een groot aantal internationale deskundigen, een analyse van opsporingsonderzoeken en een experimentele methodiek meer inzicht in het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel vergaard.

Illegale medicijnhandel is lucratief
De geneesmiddelenindustrie is een wereldwijde sterk gereguleerde business. Parallel aan de reguliere medicijnenhandel is de illegale medicijnenhandel ontstaan. Simpelweg omdat het een zeer lucratieve vorm van criminaliteit is. Het is een vorm van ondermijnende criminaliteit omdat het de legale farmaceutische sector, de economie en het vertrouwen in de overheid aantast. Bovendien kan het gebruik van illegaal verhandelde geneesmiddelen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen.

In Nederland betreft het probleem van de illegale medicijnenhandel zowel de handel in echte, originele geneesmiddelen op de illegale markt als de handel in vervalsingen. Het gaat voornamelijk om het illegaal verhandelen van kant-en-klaar-producten al dan niet zelf geproduceerd. De middelen die nodig zijn om de producten te vervaardigen worden zowel legaal als illegaal verkregen. De wereldwijde farmaceutische industrie vormt een belangrijke schakel tussen de boven- en onderwereld. De geneesmiddelen worden via straathandel of via webshops verhandeld. In dat laatste geval wordt door de aanbieders gesuggereerd dat de producten legaal zijn.

Illegale medicijnenhandel is verweven met drugshandel en andere vormen van criminaliteit. Bepaalde geneesmiddelen zijn vanwege hun werking interessant voor de drugsmarkt als eindproduct (zoals sterke pijnstillers) of als bestanddeel van versnijdingsmiddelen voor harddrugs (zoals paracetamol). Daarnaast kan de apparatuur, die gebruikt wordt om synthetische drugs te produceren, ook geschikt zijn voor het vervaardigen van (vervalste) medicijnen en kunnen de logistieke routes voor drugs benut worden voor geneesmiddelen.

Aanpak
De geneesmiddelenketen is wereldwijd onoverzichtelijk en criminelen profiteren daar van. Er zijn signalen dat drugscriminelen zich verplaatsen naar de medicijnenhandel omdat het lucratiever is en de pakkans en straffen lager zijn. Doordat opsporingsinstanties gefocust zijn op andere vormen van criminaliteit zien criminelen hun kans schoon om onder de aandacht van politie en justitie te ontsnappen De illegale medicijnenhandel floreert en gevreesd wordt dat deze handel op den duur proporties vergelijkbaar met de handel in drugs kan aannemen. Meer bewustwording en kennis van illegale medicijnenhandel, een betere samenwerking tussen instanties en een focus op de vitale schakels tussen onder- en bovenwereld bieden kansen voor een aanpak. 

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden, Bureau Beke: 026 4438619 / 06  55384883 i.vanleiden@beke.nl
- Henk Ferwerda, Bureau Beke: 026 4438619 / 06 54360963 h.ferwerda@beke.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg Tel.: 06-11878237

‘Een bittere pil. Het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel’. (PW 104)

Door: I. van Leiden, A. Lenders en H. Ferwerda (Bureau Beke). Politiewetenschap 104, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Burgemeester buitenspel bij verstoringen via sociale media en internet

Gepubliceerd op

Burgemeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Wanneer er op straat ordeverstoringen plaatsvinden kunnen burgemeesters maatregelen treffen om de veiligheid en orde te herstellen. De burgemeester heeft echter niet zomaar bevoegdheden om ook online in te grijpen. Dat kan leiden tot moeilijkheden bij de handhaving van de openbare orde, omdat de aanleiding voor verstoringen van de openbare orde steeds vaker uitingen op internet zijn. Of het nu gaat om de aanpak van treitervloggers, oproepen tot massale feestjes binnen gemeenten, of online drugswinkels, de burgemeester heeft geen daarop toegesneden bevoegdheden. En dat terwijl dit type problemen juist via het internet razendsnel kan escaleren en preventief ingrijpen op die plek van grote meerwaarde zou kunnen zijn. Dat zijn de belangrijkste conclusies van een onderzoek van de NHL Stenden Hogeschool en de RUG dat is uitgevoerd in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. In het vandaag gepubliceerde onderzoeksrapport worden verschillende toekomstscenario’s aangedragen voor de oplossing van dit probleem.

De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd op een juridische bronnenanalyse van openbare ordebevoegdheden van burgemeesters en op interviews met 33 experts, 14 burgemeesters en een focusgroep met experts.

Drie problemen bij toepassing van bevoegdheden op het internet
Openbare-ordebevoegdheden van de burgemeester zijn niet goed toepasbaar in cyberspace. Dit komt deels doordat deze bevoegdheden zijn geschreven met een fysieke wereld in gedachte. Het gedrag van mensen in een sterk gedigitaliseerde maatschappij laat zich echter steeds moeilijker scheiden in een ‘online’ en ‘offline’ deel. In werkelijkheid zijn die twee werkelijkheden daarvoor te sterk met elkaar verweven.
Bij de toepassing van offline bevoegdheden op online vraagstukken wordt op een drietal knelpunten gestuit. Ten eerste houden digitale dreigingen zich niet aan de fysieke gemeentegrenzen. Een burgemeester mag echter met zijn bevoegdheden van oudsher alleen binnen zijn eigen gemeente optreden. Wanneer iemand uit een andere gemeente oproept tot een massale samenkomst, is de burgemeester van de ontvangende gemeente niet bevoegd om dat te voorkomen. Ten tweede betekent ingrijpen al snel een ontoelaatbare inbreuk op grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting. Preventief ingrijpen via het internet betekent in veel gevallen het aanpassen of verwijderen van berichten van mensen, terwijl de burgemeester daartoe niet bevoegd is. Ten derde is het bij dreigende berichtgeving via het internet lastig om in te schatten wat de gevolgen op straat kunnen zijn. Dat maakt de verantwoording bij een eventueel ingrijpen lastig.

Veel verschillende meningen over de rol van burgemeesters
Het onderzoek laat zien dat burgemeesters en experts binnen het openbaar bestuur wisselend denken over mogelijkheden en wenselijkheid van het online toepassen van de huidige bevoegdheden. Sommigen willen geen bevoegdheden op het internet, omdat ze vinden dat burgemeesters zich verre van uitingen van burgers moeten houden en optreden door het Openbaar Ministerie (strafrecht) meer voor hand ligt. Anderen geven aan dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de openbare orde binnen hun gemeente en dat online dreigingen binnen hun gemeente daar ook onder vallen. Er is bereidheid om te proberen de huidige bevoegdheden in te zetten om vast te stellen waar de grenzen liggen (jurisprudentie creëren). Er zijn ook burgemeesters die de voorkeur geven aan verandering van wetgeving, waardoor ook online ingrijpen door burgemeesters mogelijk wordt gemaakt. Tot slot pleiten sommigen voor de oprichting van een landelijke autoriteit die beter online kan handhaven.

Veel problemen worden opgelost zonder juridische instrumenten
Burgemeesters lossen nu veel openbare-ordevraagstukken op zonder de inzet van formele bevoegdheden, bijvoorbeeld door met mensen in gesprek te gaan of door samenwerking te zoeken met andere burgemeesters en het Openbaar Ministerie. Dit kan een reden zijn om geen extra bevoegdheden te wensen. Daarnaast worden in het onderzoek door de geïnterviewden andere mogelijke oplossingen geopperd. Bijvoorbeeld het indienen van verzoeken aan sociale media tot het verwijderen van berichten of het maken van een tegenvlog wanneer er zaken gebeuren die de burgemeester als onwenselijk bestempelt.

Stappen naar bestuurlijke of strafrechtelijke handhaving van het internet
Gezien de vergaande en toenemende digitalisering van de samenleving en de verwevenheid van de online en offline wereld pleiten de onderzoekers voor het bewuster omgaan met vraagstukken van online ordehandhaving. Oplossingen dienen meer toekomstbestendig te zijn. Er kan al veel  worden gewonnen met de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen burgemeesters en het Openbaar Ministerie. Dit onderzoek heeft daar reeds aan bijgedragen.

Uiteindelijk spelen er echter fundamentele vragen waarop de wetgever een antwoord zal moeten geven. Dat is onder meer de vraag in hoeverre ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is in het kader van de handhaving van de openbare orde en of het de burgemeester moet zijn die de handhaving in een concreet geval ter hand neemt.

 NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Dr. W. Bantema (NHL Stenden Hogeschool) – willem.bantema@nhl.nl - 06-29737978
- Onderzoeker: Prof. S. Munneke (Rijksuniversiteit Groningen) - s.a.j.munneke@rug.nl - 050 363 5682

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Burgemeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld. (PW103)

Door: W. Bantema, S.M.A. Twickler, S.A.J. Munneke, M. Duchateau, W.Ph. Stol. Politiewetenschap103, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Terrorismeverdachte lijkt sterk op ‘gewone wetsovertreder’

Gepubliceerd op

Verdachten van terrorisme in beeld. Achtergrondkenmerken, ‘triggers’ en eerdere politiecontacten.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Verdachten van terroristische misdrijven in Nederland hebben vaak al een strafblad en bijna altijd een lage sociaaleconomische positie, zo blijkt uit grootschalig onderzoek van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Wat betreft hun achtergrond lijken terrorismeverdachten sterk op verdachten van misdrijven in het algemeen. Een algemeen risicoprofiel van dé terrorist lijkt daarmee niet te bestaan.

Nu de opsporing en berechting van terroristische misdrijven hoog op de agenda staat, klinkt steeds luider de roep om meer inzicht te krijgen in plegers van dergelijke misdrijven. Het is belangrijk om te weten of er bepaalde triggers zijn – gebeurtenissen die het radicaliseringsproces in gang zetten of versnellen – die mogelijk tot een terroristisch misdrijf leiden. Het NSCR onderzocht in opdracht van Politie & Wetenschap voor het eerst de gehele populatie verdachten van een terroristisch misdrijf in Nederland sinds de invoering van de Wet terroristische misdrijven in 2004. Daarbij zijn demografische en sociaaleconomische kenmerken en betrokkenheid bij andere/eerdere vormen van criminaliteit van in totaal 279 verdachten onderzocht. Dit is gedaan via een koppeling tussen een geanonimiseerde lijst van terrorismeverdachten van het Openbaar Ministerie en bevolkingsgegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Man, 30 jaar, laagopgeleid en vaak eerder in aanraking geweest met politie
Op basis van de onderzoeksresultaten concluderen de onderzoekers dat de verdachten van terrorisme in Nederland doorgaans man (87,5%), gemiddeld 30 jaar en relatief laagopgeleid zijn. Het merendeel van de verdachten heeft een migratieachtergrond. Ook zijn de verdachten iets vaker werkloos dan de gemiddelde Nederlander. Ongeveer tweederde van de verdachten is eerder in aanraking geweest met de politie, waarbij het vaak gaat om relatief veelvoorkomende delicten. Deze risicofactoren komen overeen met risicofactoren voor reguliere criminaliteit. De onderzoekers ontdekten daarnaast een aantal kenmerkende verschillen tussen diverse subgroepen met betrekking tot leeftijd, migrantenstatus, werksituatie en crimineel verleden. Zo blijkt dat verdachten van terroristische misdrijven na de opkomst van Islamitische Staat gemiddeld jonger zijn dan daarvoor en vaker een strafblad hebben.

Welke factoren blijken een triggerfactor?
Daarnaast is geanalyseerd in hoeverre elk van deze factoren afzonderlijk kunnen worden beschouwd als risicofactor of triggerfactor. Daartoe is gekeken naar specifieke gebeurtenissen in het jaar voorafgaand aan de verdenking. De belangrijkste bevinding is dat ruim 10 procent van de verdachten van een terroristisch misdrijf in het jaar voorafgaand aan de verdenking een baan verloor, en dat dit het risico om terrorisme-verdachte te worden significant vergrootte, ook als rekening wordt gehouden met andere factoren. Werkloos raken kan dus worden opgevat als triggerfactor.

Uitkomsten relevant bij tactische beslissingen door politie en justitie
Dit onderzoek draagt bij aan meer inzicht en expertise met betrekking tot deze groep verdachten, die relatief nieuw is voor Nederland. De gevonden factoren kunnen een rol spelen bij tactische beslissingen door politie en/of justitie wanneer eenmaal sprake is van een redelijke verdenking. Duidelijk is echter ook dat de overgrote meerderheid van personen met een bepaalde risicofactor niet betrokken raakt bij terroristische misdrijven. Het is dus niet eenvoudig te voorspellen wie verdachte zal worden van een terroristisch misdrijf en wie niet. Verder (kwalitatief) onderzoek is nodig om vast te stellen wat sommige mensen met bepaalde risicofactoren en triggers drijft in de richting van terrorisme en wat andere mensen, onder vergelijkbare omstandigheden, daarvan weerhoudt.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Elanie Rodermond: 020 598 3492 erodermond@nscr.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Verdachten van terrorisme in beeld. Achtergrondkenmerken, ‘triggers’ en eerdere politiecontacten’. (PW102)

Door: Fabienne Thijs, Elanie Rodermond en Frank Weerman. Politiewetenschap 102, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Een op de drie gemeenten signaleert criminele weldoeners

Gepubliceerd op

Ondermijning door criminele ‘weldoeners’. Inventariserend onderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Personen met een dubieuze achtergrond proberen regelmatig om zich positief te profileren met het steunen van maatschappelijk nuttige activiteiten. Ze sponsoren sportverenigingen, zitten achter stichtingen voor goede doelen, organiseren evenementen, zijn actief in de zorg, of regelen van alles voor buurtbewoners. Minimaal een op de drie Nederlandse gemeenten kent wel een dergelijke ‘weldoener.’ Dit blijkt uit onderzoek van Tilburg University in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap.

Weldoenerschap biedt personen met een verdachte achtergrond de gelegenheid om hun aanzien in de samenleving te vergroten. Dit was al bekend uit het buitenland. Een voorbeeld is de Colombiaanse drugsbaron Pablo Escobar, die investeerde in sociale voorzieningen, huizen, sportvelden, scholen en allerlei soorten van armenzorg. Ook in Nederland kunnen gemakkelijk voorbeelden worden gevonden, maar tot op heden ontbrak systematisch onderzoek. Het rapport ‘Ondermijning door criminele weldoeners’ laat zien dat het probleem in vrijwel alle grotere gemeenten bekend is. Er zijn ruim 50 casus bestudeerd. Gemiddeld heeft een op de drie gemeenten een criminele weldoener binnen de grenzen.

De belangrijkste vorm is het sponsoren van sportverenigingen, vooral in het voetbal. De financiële steun loopt uiteen van het kopen van een reclamebord tot het betalen van de complete jeugdopleiding. Een variant hierop is het financieren van evenementen. Criminelen blijken daarnaast met stichtingen de meest uiteenlopende goede doelen te ondersteunen. Die stichtingen worden echter ook misbruikt voor criminele activiteiten. Dat geldt ook voor de zorg, waar het regelen van PGB-budgetten voor hulpbehoevenden vaak hand in hand gaat met fraude. Een laatste variant zijn ‘wijkkoningen’, die voor hun buurt en de bewoners allerlei zaken regelen. In ruil daarvoor wordt wel zwijgzaamheid en loyaliteit verwacht.
De achtergrond van weldoeners loopt uiteen. Het gaat bijvoorbeeld om (voormalige) drugscriminelen, leden van motorbendes en louche ondernemers. Hun maatschappelijke activiteiten komen doorgaans aan het licht wanneer er een strafrechtelijk onderzoek tegen ze wordt gestart, of wanneer er klachten binnenkomen. Weldoeners zijn vaak invloedrijk en krijgen van de omgeving lang het voordeel van de twijfel, onder het mom: ‘er is nog nooit iets bewezen.’ Ook de lijntjes naar gemeentebestuurders of raadslieden zijn soms opvallend kort.

Onderzoeken naar criminele weldoeners zijn in de regel slepende zaken. De overheid heeft meestal niet de menskracht en middelen om de aanwijzingen die er zijn, diepgaand te onderzoeken. Er zit om die reden vaak niets anders op dan te wachten tot de criminele weldoener opzichtig in de fout gaat en een strafbaar feit pleegt, voordat maatregelen kunnen worden genomen. Bij gemeenten, maar bijvoorbeeld ook bij sportverenigingen, ontbreekt het nog aan alertheid. Gebrek aan controle op stichtingen is al langer een bekend en serieus probleem.
Het onderzoek heeft tot doel om de bewustwording omtrent het fenomeen te vergroten en te helpen bij het verbeteren van de aanpak van criminele weldoeners.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Toine Spapens: 013 466 3618 (a.c.spapens@uvt.nl)
- Monique Bruinsma: 06 – 464 360 69 (info@bureaubruinsma.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Ondermijning door criminele ‘weldoeners’. Inventariserend onderzoek (PK93)

Door: Monique Bruinsma, Rik Ceulen, Toine Spapens, m.m.v. Charlotte Deij.
Politiekunde 93, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Wondermiddelen voor tegengaan etnisch profileren niet voorhanden

Gepubliceerd op

Tegengaan van etnisch profileren. Een internationale literatuurstudie naar effecten van interventies

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Voor het tegengaan van etnisch profileren zijn ook in het buitenland geen interventies bekend waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze werken. Dit blijkt uit een internationaal literatuuronderzoek van Twynstra Gudde in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap. Het combineren van verschillende interventies in een samenhangend programma biedt nog de meeste kans op positieve effecten, zo leren de buitenlandse ervaringen. Dit betekent dat de aandacht niet alleen dient uit te gaan naar het gedrag van individuele agenten, maar ook naar beleid en wetgeving.

Sinds de signalen dat etnisch profileren door politieagenten in Nederland voorkomt, is ook het gesprek over het tegengaan van etnisch profileren op gang gekomen. Vooral in de grote steden is het zowel in de lokale politiek als in de politieorganisatie een thema en worden diverse maatregelen of interventies voorgesteld en uitgevoerd. De vraag is welke effecten van deze interventies mogen worden verwacht. Om hier meer gefundeerd inzicht in te bieden, is een internationale literatuurstudie uitgevoerd naar de effecten van en ervaringen met interventies om etnisch profileren door de politie tegen te gaan.

De literatuurstudie brengt systematisch mogelijk relevante interventies en hun aangetoonde effectiviteit in kaart. Het blijkt dat er heel weinig onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van interventies en dat er daardoor in beperkte mate wetenschappelijke kennis beschikbaar is over wat (niet) werkt. Wel concluderen de onderzoekers dat het verstandig is om verschillende interventies te combineren in een brede en samenhangende aanpak en hierbij de nadruk te leggen op de (procedurele) rechtvaardigheid van proactief controleren.

Daarnaast zou men niet alleen aandacht moeten besteden aan het optreden van politieagenten, maar ook oog moeten hebben voor de institutionele structuren waarbinnen dit optreden tot stand komt. De ervaring in het buitenland leert dat teveel eenzijdige aandacht voor het gedrag van individuele agenten leidt tot weerstand en onbegrip bij deze agenten. Dit terwijl juist ook de institutionele inbedding van dit gedrag een belangrijke oorzaak kan zijn. Bijvoorbeeld het repressief veiligheidsbeleid en daarmee samenhangende wetgeving, politiebeleid en aandacht voor prestatie-indicatoren (bijvoorbeeld het aantal verdachten). Een eenzijdige oriëntatie op het gedrag van politieagenten roept tegenkrachten op en vermindert de effectiviteit van interventies.

De literatuurstudie eindigt met enkele aanbevelingen voor de aanpak van etnisch profileren en voor vervolgonderzoek. Zo houdt men een pleidooi voor meer effectstudies naar interventies, waaronder aangeboden trainingen.


NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Henk Sollie: 06-83999454 | hso@tg.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Tegengaan van etnisch profileren. Een internationale literatuurstudie naar effecten van interventies’. (PW91A)

Door: Wouter Landman & Henk Sollie, Twynstra Gudde. Politiewetenschap 91A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Belangrijke rol voor wijkagent bij interesseren jongeren voor politie

Gepubliceerd op

Kiezen voor politie. Een onderzoek onder mbo-studenten met een migratieachtergrond in het veiligheidsdomein

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap

Wijkagenten kunnen mogelijk een belangrijke rol spelen bij het interesseren van jongeren met een migratieachtergrond voor politie. Dit komt doordat zij door hun persoonlijk contact met jongeren het beeld van de politie sterk beïnvloeden. Dit blijkt uit onderzoek dat het Verwey-Jonker Instituut heeft uitgevoerd in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap.

Jongeren met een migratieachtergrond kiezen minder vaak voor een politieopleiding dan leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Tegelijkertijd zijn mbo-veiligheidsopleidingen wel populair onder jongeren met een migratieachtergrond. Hoe valt dit verschil te verklaren? En op welke wijze zijn deze jongeren eventueel te interesseren in een opleiding bij politie? Dit waren twee vragen van het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Voor het onderzoek zijn 45 studenten geïnterviewd die momenteel een mbo-opleiding in het veiligheidsdomein volgen, namelijk de opleiding Beveiliger, Coördinator Beveiliging of HTV (Handhaver Toezicht en Veiligheid). In totaal 35 van de 45 studenten hebben een migratieachtergrond.

Opvallende uitkomst van het onderzoek is dat driekwart van de studenten aan een mbo-veiligheidsopleiding aangeeft werken bij de politie interessant te vinden. Zo geven zij onder andere aan te denken dat politiewerk, vergeleken met werk in de beveiligingsbranche, socialer en maatschappelijk relevanter kan zijn. Een deel van de geinterviewde studenten ziet de HTV-opleiding of beveiligingsopleiding, als (mogelijk) voortraject voor de politieopleiding. Een kwart van de geïnterviewde jongeren stelt dat werken bij de politie voor hen geen optie is, bijvoorbeeld vanwege negatieve ervaringen met de politie, de risico’s van politiewerk of omdat zij vinden dat de politieopleiding te duurt.

De opleidingskeuze voor het veiligheidsdomein van de mbo-studenten blijkt sterk beïnvloed door hun persoonlijke contacten en ervaringen. Zo hebben persoonlijke indrukken (bijvoorbeeld van beveiliging op vliegveld) en persoonlijke ervaringsverhalen (van familieleden en kennissen met dezelfde opleiding of hetzelfde beroep) en/of persoonlijk advies van docenten/ouders veel invloed. Onderzoeker Suzan de Winter-Koçak: “Veel jongeren gaven aan iemand in hun netwerk te hebben die een beveiligingsopleiding doet of heeft gedaan en zijn zo in aanraking met het beroep gekomen.”

Een tweede in het oog springende uitkomst van het onderzoek is de rol van de wijkagent. Van de studenten met een migratieachtergrond zegt 80 procent een positief beeld van de politie te hebben. Uit meerdere interviews blijkt dat een positief beeld van de politie en interesse in werken bij de politie ontstaan is of versterkt wordt door het eigen contact met politie. En dan vooral door het contact met de wijkagent. “Positief contact met de politie werkt ook als een beschermende factor”, zegt De Winter-Koçak. “Alle jongeren horen in hun omgeving negatieve verhalen over de politie, maar zij lijken daar minder gevoelig voor te zijn wanneer zij zelf positieve ervaringen hebben. Als jongeren een negatieve ervaring met de politie hebben gehad, maakt dit helaas echt iets kapot. Voor deze jongeren is politiewerk geen optie meer.”

De onderzoekers adviseren om na te gaan of wijkagenten een rol kunnen spelen bij de werving. Onderzoek de mogelijkheden van het samen optrekken van (diversiteits)recruiters en wijkagenten, is een van de aanbevelingen. 


NADERE INFORMATIE:
Verwey-Jonker Instituut:
- Dyonne van Haastert, communicatieadviseur Verwey-Jonker Instituut: 06-34738631

Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg: 06-118 78 237

‘Kiezen voor politie. Een onderzoek onder mbo-studenten met een migratieachtergrond in het veiligheidsdomein.’

Door: De Winter-Koçak, S., Klooster, E. & Day, M. Politiekunde .., Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als pdf of als E-book via:
www.politieenwetenschap.nl
www.verwey-jonker.nl

Hardnekkige (georganiseerde) criminaliteit in Nederlandse straten.

Gepubliceerd op

Notoire straten. Over de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Hoewel niet altijd zichtbaar blijken sommige (winkel)straten in Nederland het toneel voor allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit, zoals drugshandel, witwassen en illegaal gokken. Deze notoire straten fungeren als criminele ontmoetingsplekken en bieden allerlei faciliterende diensten. Een combinatie van factoren maakt dat deze straten een relatief anonieme en veilige omgeving bieden voor schimmige praktijken. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum Onderzoek in opdracht van Politie en Wetenschap.

Iedereen kent waarschijnlijk wel de plekken in zijn of haar woonplaats waar het vermoeden is van activiteiten die het daglicht slecht verdragen. Dergelijke ‘notoire straten’ staan centraal in dit onderzoek. Om inzicht te krijgen in wat zich nu precies afspeelt op dergelijke locaties hebben de onderzoekers langdurig gekeken in drie van zulke straten. Daarbij lag de focus op lokaal ingebedde vormen van criminaliteit en mogelijkheden om deze beter in beeld te brengen. Voor het onderzoek is zowel opsporings- als handhavingsinformatie van de politie geanalyseerd en zijn expertsessies en interviews gehouden met wijkagenten, rechercheurs, gemeenteambtenaren, bewoners en ondernemers.

Het onderzoek laat zien dat diverse vormen van georganiseerde criminaliteit in de gebieden voorkomen. Het gaat dan om drugscriminaliteit, illegaal gokken, illegale prostitutie, liquidaties en vuurwapenincidenten. Naast deze criminele activiteiten hangt in de straten ook een sfeer van intimidatie en dreiging. Het gaat dan onder andere om het wegpesten van ondernemers, claimen van parkeerruimte en daadwerkelijke bedreiging. Er kunnen diverse betrokkenen zijn bij de criminaliteit in de straat: ondernemers, werknemers, bewoners, bezoekers, pandeigenaren, makelaars en huurders. In iedere straat is een ander type het sterkst vertegenwoordigd.

Deze beruchte straten vallen bij de aanpak vaak tussen wal en schip. De recherche werkt niet voldoende gebiedsgericht en wijkteams hebben geen zicht op criminaliteit achter de gevel. De problematiek is hardnekkig en bewoners en ondernemers hebben vaak het vertrouwen in de overheid verloren om het tij te keren. Dit verbeteren is een zaak van lange adem en vraagt gezamenlijke inspanningen van onder andere recherche, wijkpolitie, gemeente en bijzondere opsporingsdiensten.

In het onderzoeksrapport zijn indicatoren benoemd die professionals in de straten kunnen ondersteunen bij het herkennen van lokaal ingebedde georganiseerde criminaliteit.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Shanna Mehlbaum: 06-48505790 / shanna@mehlbaumonderzoek.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Notoire straten. Over de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit (PK92)

Door: Shanna Mehlbaum, Yvette Schoenmakers, Judith van Zanten. Politiekunde 92, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Hooligans maken vechtafspraken buiten voetbalwedstrijd om

Gepubliceerd op

Vechten op afspraak. Inzicht in het fenomeen en input voor de ontwikkeling van een politiestrategie.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Confrontaties tussen hooligans vinden niet altijd meer plaats rondom een wedstrijd maar juist veelal op een neutraal, afgelegen terrein. Via het organiseren van en deelnemen aan vechtafspraken kunnen groepen zich profileren en – binnen de scene – status verwerven. Ook personen ‘van buiten’ deze supportersgroepen, die zich hebben bekwaamd in vechtsport (Mixed Martial Arts), doen mee. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. De kick van het vechten, het zich willen opwerken binnen een (supporters)groep en groepsdruk kunnen voor personen redenen vormen om deel te nemen aan dergelijke confrontaties. Het bundelen van informatiestromen over vechtafspraken en daarbij betrokken groepen/personen, vormt een eerste stap om tot concretere sturingsinformatie te komen en tot een persoonsgerichte aanpak, waarbij ook Betaald Voetbal Organisaties kunnen worden betrokken.   

De afgelopen jaren zijn meermaals beelden online verschenen van groepen voetbalsupporters die met elkaar op de vuist gaan op een veelal afgelegen locatie. De groepen hebben voorafgaand contact over tijdstip en locatie van de confrontatie en om afspraken over bijvoorbeeld de grootte van de groepen en ‘spelregels’ vast te leggen.  Tijdens de confrontatie zijn groepen duidelijk van elkaar te onderscheiden, bijvoorbeeld door T-shirts van verschillende kleuren te dragen.

De politie heeft gevraagd om nader onderzoek naar ontwikkelingen bij deze vechtafspraken, de reikwijdte daarvan en de implicaties voor de politieaanpak. Voor het onderzoek is een vragenlijst afgenomen onder Nederlandse en buitenlandse politiemedewerkers en zijn interviews gehouden met medewerkers van politie en Betaald Voetbalorganisaties. Verder zijn drie casus, die tot een opsporingsonderzoek hebben geleid, bestudeerd. Van de in deze opsporingsonderzoeken genoemde verdachten is vervolgens een profiel opgesteld. 

Afgelopen jaren hebben gemiddeld een tot twee confrontaties per maand plaatsgevonden. Dit is waarschijnlijk een minimale schatting: het precieze aantal vechtafspraken is onbekend, omdat deze zo heimelijk mogelijk georganiseerd worden en op afgelegen locaties en buiten wedstrijddagen plaatsvinden. Een relatief kleine groep personen houdt zich bezig met vechtafspraken. Voor zover bekend hebben vechtafspraken – in binnen en buitenland – nauwelijks geleid tot doden of zwaargewonden. Dit is mede te danken aan het feit dat de politie, wanneer zij op de hoogte is van vechtafspraken, deze tracht te voorkomen (‘stukmaken’) en daarbij soms ook slag- en steekwapens in beslag neemt. Aandacht van de politie voor vechtafspraken is daarnaast nodig omdat vechtgroepen getraind kunnen raken en op andere plekken een bedreiging voor de openbare orde gaan vormen.

Het opsporen en vervolgen van personen die deelnemen aan vechtafspraken gebeurt tot op heden vrijwel niet: het belang van de openbare orde handhaving prevaleert in de praktijk, mede gelet op de capaciteit die opsporingsonderzoek vergt en het feit dat deelnemers zelf (vrijwel) niet over hun rol zullen verklaren. Kansen voor de opsporing liggen daarom met name bij vechtafspraken waarvan beelden online verschijnen en deelnemers herkenbaar in beeld zijn. Het bundelen van informatiestromen en identificeren van bij vechtafspraken betrokken personen kan worden benut voor het opstellen van een persoonsgerichte aanpak, waarbij ook Betaald Voetbal Organisaties kunnen worden betrokken.   

 

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Tom van Ham  (06-50281549)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Vechten op afspraak. Inzicht in het fenomeen en input voor de ontwikkeling van een politiestrategie’. (PK91)

Door: T. van Ham, L. Scholten, A. Lenders, H. Ferwerda. Politiekunde 91, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Klein deel Amsterdamse daders van zwaar delict wordt zware crimineel

Gepubliceerd op

Doorgroeiers in de misdaad. De criminele carrières en achtergrondkenmerken van jonge daders van een zwaar delict.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Jonge daders van een zwaar delict kampen vaak met ernstige en uiteenlopende problemen in het gezin en op school. Toch is de combinatie van problemen bij deze jongeren niet per definitie een voorbode van een doorgroei in de zware criminaliteit. Slechts een klein deel van deze groep groeit daadwerkelijk door in de zware misdaad. Dit blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam onder meer dan 1000 jonge daders. Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met de Politie Eenheid Amsterdam en Jeugdbescherming Regio Amsterdam in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Er blijkt slechts beperkt sprake te zijn van onderscheidende kenmerken tussen stoppers en doorgroeiers. De latere doorgroeiers hebben vaker schulden en gebruiken meer softdrugs dan stoppers. Het contact met de Jeugdbescherming verloopt bovendien moeizaam en gaat gepaard met een negatieve prognose aan het einde van hun behandeltraject.

Aanleiding voor het onderzoek was de veelgehoorde hypothese dat een nieuwe generatie jonge criminelen in Amsterdam is doorgegroeid in de zware criminaliteit. Zij zouden al jaren bekend zijn bij hulpverleningsinstanties en politie, maar desondanks zijn uitgegroeid tot zware criminelen. In dit onderzoek zijn de criminele carrières van meer dan 1000 jonge daders van een zwaar delict bestudeerd, die in 2000 voor het eerst werden verdacht van een zwaar geweldsdelict of een delict waarvoor een gevangenisstraf van ten minste 9 jaar kan worden opgelegd. Het zijn jongeren die in 2000 tussen de 12 en 30 jaar oud waren en woonachtig waren in Amsterdam. Vervolgens werden alle aan het zware delict voorafgaande en erop volgende antecedenten t/m 2013 in kaart gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat slechts een klein deel van deze groep ook daadwerkelijk doorgroeit in de zware misdaad.

Welke jonge daders van een zwaar delict groeien door in de zware criminaliteit en welke niet? Een deel van de jongeren werd al op jonge leeftijd begeleid door de Jeugdbescherming, omdat er ernstige zorgen bestonden over hun ontwikkeling. Op basis van de Jeugdbeschermingsdossiers is een verkennende analyse uitgevoerd naar de onderscheidende kenmerken van 50 doorgroeiers en 49 stoppers. Hieruit blijkt dat beide groepen gekenmerkt worden door ernstige problemen in het gezin en op school. Velen van hen groeiden op in gezinnen met financiële problemen waarin weinig structuur werd geboden en waarin de jongeren lang niet altijd op liefdevolle betrokkenheid van moeder of vader konden rekenen. Op school werden vaak gedragsproblemen gesignaleerd en was er veel verzuim. Relatief veel van deze jongeren verlieten school dan ook voortijdig. Hoewel deze problemen op zichzelf niet voorspellen of een jonge dader stopt of doorgroeit in de misdaad, kan de combinatie van problemen dat wel doen. Voortijdig schoolverlaten, softdrugsgebruik en het hebben van slechte vrienden zijn samen voorspellend voor het doorgroeien in de zware misdaad.

Ook jongeren bij wie de begeleiding door Jeugdbescherming Regio Amsterdam minder soepel verliep, konden als het ware ‘gevlagd’ worden als risicovol en hadden een grotere kans om door te groeien in de zware misdaad.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Vere van Koppen Tel.: 06-25265377 mv.van.koppen@vu.nl 
- Onderzoeker: Victor van der Geest – v.vander.geest@vu.nl
- Onderzoeker: Edward Kleemans – e.r.kleemans@vu.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Doorgroeiers in de misdaad. De criminele carrières en achtergrondkenmerken van jonge daders van een zwaar delict’ (PW100)

Door: M.V. van Koppen, V.R. van der Geest en E.R. Kleemans. Politiewetenschap 100, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Veel geweld in de psychiatrie maar weinig aangiften bij politie

Gepubliceerd op

Geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie. Aard, omvang en aangifte bij de politie.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Meer dan andere beroepsgroepen hebben hulpverleners in de psychiatrie te maken met fysiek geweld, soms met ernstige gevolgen. Tegelijkertijd is er juist in deze sector onduidelijkheid over hoe dit geweld afgehandeld moet worden en in welke gevallen een strafrechtelijke reactie op zijn plaats is. Slachtoffers in de psychiatrie die aangifte overwegen, stuiten op een aantal knelpunten en dilemma’s. Het gevolg is dat vaak geen aangifte wordt gedaan van deze geweldsdelicten. In onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit van Amsterdam zijn de barrières bij het doen van aangifte van geweld in de psychiatrie in kaart gebracht en is gekeken wat de GGZ, de politie en het OM kunnen doen om slachtoffers beter te ondersteunen. 

Voor dit onderzoek zijn inventariserende enquêtes uitgezet en zijn 35 diepte-interviews afgenomen bij slachtoffers die aangifte hebben gedaan, leidinggevenden uit de GGZ, politiefunctionarissen, leden van de rechterlijke macht en andere betrokkenen. Ook zijn beleidsprogramma’s en documenten verzameld die betrekking hebben op de afdoening van geweld tegen hulpverleners.
Alle betrokken partijen menen dat agressie en geweld tot op zekere hoogte hoort bij het werk in de psychiatrie. Maar het is onduidelijk waar de grens van het toelaatbare ligt. Bij geweld in de psychiatrie wordt vaak verondersteld, zonder dat dit nader is onderzocht, dat de patiënt door de psychiatrische stoornis niet verantwoordelijk is voor het geweld.

Slachtoffers die aangifte doen bij de politie doorbreken op dat moment hun beroepsgeheim. De regels over de gronden waarop dit mag zijn streng en zo ingewikkeld dat het slachtoffer vaak afziet van het doen van aangifte. Anders dan in overige sectoren moet het slachtoffer in de psychiatrie vaak zorg blijven verlenen aan de patiënt die gewelddadig is geweest. De hulpverlener is soms bang om aangifte te doen, omdat hij of zij bang is voor represailles door de patiënt. Volledige anonimiteit van het slachtoffer kan in een strafproces niet worden gegarandeerd.
Voor slachtoffers in de psychiatrie, die een aangifte overwegen, speelt vergelding vrijwel nooit een rol. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming, niet alleen van henzelf maar ook van collega’s en patiënten. Om tot verbeteringen in de praktijk te komen moeten de GGZ, politie en het openbaar ministerie gezamenlijk werken aan praktische oplossingen voor de knelpunten. Slachtoffers kunnen worden geholpen door hen te horen en goed te informeren. Er moet worden gezocht naar mogelijkheden om de zorg aan patiënten die gewelddadig zijn geweest voort te zetten zonder dat slachtoffers hiervan hinder ondervinden.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Joke Harte, projectleider Geweld in de Psychiatrie
Vrije Universiteit: 020-5986217 j.harte@vu.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg, Programma Politie & Wetenschap: 06-11878237

‘Geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie. Aard, omvang en aangifte bij de politie’. (PW98)

Door: J.M. Harte, I. van Houwelingen, M.E. van Leeuwen. Politiewetenschap 98, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website http://www.politieenwetenschap.nl

Opsporingswerk in hechte dorpen en volkswijken is een vak apart

Gepubliceerd op

Horen, zien en zwijgen. Opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De geslotenheid van sommige hechte wijken en buurten bemoeilijkt het werk van de politie. Bij opsporing in deze gemeenschappen komt het vooral aan op houding, kennis en timing van politiemensen, die situaties goed moeten kunnen aanvoelen. De informatiepositie van de politie is vaak beperkt: men valt op in de gemeenschap en daardoor loopt een opsporingsonderzoek snel ‘stuk’. Het is behoorlijk ingewikkeld om in een omgeving waar iedereen elkaar kent, verraad wordt bestraft en buitenstaanders direct opvallen, een netwerk van informanten op te bouwen. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Bervoets in samenwerking met Monique Bruinsma in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. Opsporing in deze buurten vereist een bijzondere samenwerking tussen wijkagenten en rechercheurs. Een goede wijkagent stelt zich dienstbaar op naar de gemeenschap, maar met een rechte rug, doordat hij enerzijds personen in de gemeenschap wil helpen en anderzijds ook steeds duidelijk maakt dat hij, waar nodig, samen met zijn (recherche)collega’s optreedt tegen misdaad. Op basis van de onderzoeksbevindingen komen de onderzoekers tot een pleidooi voor meer inzet op gebiedsgericht recherchewerk.
In het onderzoek is gekeken naar de opsporing in een vijftal stadsbuurten en dorpen, die in de media en literatuur nogal eens het label ‘hecht’ krijgen toegekend: het West-Brabantse Sint Willebrord, de Vogeltjesbuurt in Tilburg, de stadsbuurt Ondiep in Utrecht, Volendam en de stadsbuurt Enschede-Wesselerbrink. Dergelijke kernen hebben een vaak historisch gegroeide terughoudendheid tegenover de buitenwereld en dat heeft ook zo zijn gevolgen voor de relatie tussen de politie en de lokale gemeenschap in deze gebieden. Dataverzameling heeft plaatsgevonden via literatuurstudie, diepte-interviews en vormen van participerende observatie.
In het opsporingsproces in deze gemeenschappen blijkt de rol van de wijkagent cruciaal. Deze wordt uitgetest, op waarde geschat en geëvalueerd door de gemeenschap. Een wijkagent, die in de ogen van de politie goed werk verricht voor de gemeenschap, hoeft nog geen goede wijkagent te zijn volgens de gemeenschap. Een goede wijkagent is voor hen betrokken, kent de lokale ongeschreven codes en mores én maakt het de gemeenschap niet te lastig. Een wijkagent die te veel meebeweegt met de gemeenschap is echter in mindere mate bruikbaar voor opsporingsdoeleinden, omdat deze niet zondermeer informatie deelt met collega’s van de recherche. De onderzoeksresultaten laten zien dat gebiedsgericht recherchewerk met kennis van de lokale gemeenschap wenselijk is en tonen aan hoe belangrijk én potentieel kwetsbaar de positie van de wijkagent daarbij is.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Monique Bruinsma: 06 – 464 360 69, info@bureaubruinsma.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Horen, zien en zwijgen. Opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap’  (PW97)
Door: E. Bervoets, M. Bruinsma. Politiewetenschap 97, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website  www.politieenwetenschap.nl

 

Grote verschillen eis en opgelegde straf georganiseerde criminaliteit

Gepubliceerd op

In bijna driekwart van de strafzaken naar georganiseerde criminaliteit, in eerste aanleg en in hoger beroep, legt de rechter een lagere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie was geëist. Dat blijkt uit onderzoek van Erasmus School of Law dat in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap is uitgevoerd. In eerste aanleg betreft het verschil tussen de geëiste en opgelegde vrijheidsstraf gemiddeld 15 maanden, in hoger beroep 17,5 maanden. Ook laat het onderzoek zien dat het verschil tussen de in eerste aanleg en in hoger beroep opgelegde gevangenisstraf gemiddeld 9 maanden is. Bij een gemiddelde eis van 66 maanden in eerste aanleg legt de rechtbank een gevangenisstraf op van gemiddeld 49 maanden. In hoger beroep vordert het OM vervolgens gemiddeld 59 maanden waarna het gerechtshof de straf matigt tot gemiddeld 40 maanden. Daarmee betreft het verschil tussen de eis in eerste aanleg en de opgelegde straf in hoger beroep gemiddeld 26 maanden Dit leidt tot de conclusie dat in hoger beroep gaan de verdachte een gevangenisstraf oplevert die gemiddeld twee jaar lager is dan in eerste aanleg werd geëist. Deze verschillen zijn terug te voeren op deelvrijspraken (de situatie dat de rechter een deel van de ten laste gelegde feiten niet bewezenverklaart) en op de lange doorlooptijden bij de behandeling van deze strafzaken. De onderzoekers bepleiten discussie over de (on)wenselijkheid van deze verschillen, het inbouwen van incentives die alle procespartijen belang geven bij een snelle afdoening van de zaak en de ontwikkeling van een centrale, landelijke databank waarin gegevens over geëiste en opgelegde straffen zijn opgenomen.

Hoewel de aanpak van georganiseerde criminaliteit sinds de jaren negentig hoog op de politieke agenda staat en een van de belangrijkste prioriteiten van politie en justitie betreft, zijn er maar weinig feitelijke gegevens bekend over hoe deze zaken worden afgedaan. Het doel van dit onderzoek was daarom om inzichtelijk te maken hoe georganiseerde misdaadzaken strafrechtelijk worden afgedaan en welke verschillen daarbij optreden tussen de door de officier van justitie geëiste en door de rechter opgelegde vrijheidsstraffen, in eerste aanleg en in hoger beroep. Dit zijn ogenschijnlijk simpele vragen, maar ze kunnen slechts na veel zoekwerk in de justitiële gegevensbestanden worden beantwoord. Op basis van 70 zaken uit de Monitor Georganiseerde Criminaliteit is voor 471 verdachten nagegaan welke gevangenisstraffen in eerste aanleg en in hoger beroep werden geëist en vervolgens door de rechter werden opgelegd. Deze informatie heeft betrekking op 444 zaken in eerste aanleg, 207 zaken in hoger beroep en 180 zaken waarvan de onderzoekers zowel de zaak in eerste aanleg als het hoger beroep hebben kunnen vinden. Tot slot zijn twintig interviews gehouden met rechters, officieren van justitie en rechercheurs om de gevonden verschillen te kunnen duiden.
Het onderzoek laat zien dat de rechter in bijna driekwart van de zaken in eerste aanleg en in hoger beroep een lagere gevangenisstraf oplegt dan door de officier van justitie was geëist. Daarnaast legt het gerechtshof in hoger beroep in een meerderheid van de gevallen ook een lagere gevangenisstraf op dan de rechter in eerste aanleg. Gemiddeld betreft het verschil negen maanden. Dit leidt tot de conclusie dat het instellen van hoger beroep de verdachte een vrijheidsstraf oplevert die gemiddeld 26 maanden korter is dan in eerste aanleg was geëist.
De interviews laten vervolgens zien dat deze verschillen niet het gevolg zijn van diepgaande meningsverschillen over de ernst of strafwaardigheid tussen officieren van justitie en rechters of tussen eerste en tweede aanleg, maar terug te voeren zijn op partiële vrijspraken enerzijds en lange doorlooptijden anderzijds. Georganiseerde criminaliteit betreft veelal complexe zaken die lang voortduren, gemiddeld bijna 25 maanden. Deze bevindingen geven aanleiding tot overdenking van twee vragen. In de eerste plaats de vraag naar de (on)wenselijkheid van deze verschillen en de oorzaken die ten grondslag liggen aan de partiële vrijspraken. Ten tweede zou moeten worden nagedacht over welke incentives in het strafrechtelijk systeem kunnen worden ingebouwd om alle procespartijen belang te geven bij een snelle afdoening van de zaak.
Tot slot heeft dit onderzoek laten zien dat onderzoek naar de wijze waarop strafzaken worden afgedaan geen eenvoudige opgave is. Er bestaat op landelijk niveau geen databestand waarin gegevens over geëiste en opgelegde straffen zijn opgenomen. Ook laat dit onderzoek zien dat de opgevraagde gegevens soms zeer gebrekkig zijn. Een belangrijke aanbeveling is dan ook de ontwikkeling van een centrale, landelijke databank voor de opslag van gegevens over geëiste en opgelegde straffen. Dit komt niet alleen ten goede aan de leereffecten voor de politieorganisatie, het openbaar ministerie en de rechtspraak, maar ook aan de mogelijkheden van toekomstig wetenschappelijk onderzoek.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Karin van Wingerde: 010-4082664 / vanwingerde@law.eur.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Geëiste en opgelegde straffen bij de strafrechtelijke afhandeling van georganiseerde criminaliteit. Rapportage in het kader van de vijfde ronde van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit’ (PW99)

Door: K. van Wingerde, H. van de Bunt (Erasmus Universiteit, Rotterdam).
Politiewetenschap 99, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Sdu, Den Haag 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website http://www.politieenwetenschap.nl

Georganiseerde misdaadfamilies: hardnekkig en moeilijk te bestrijden

Gepubliceerd op

Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Hans Moors: 070 8700460 (moors@emma.nl)
- Toine Spapens: 013 4663618 (a.c.spapens@uvt.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


‘Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad’. (PW84)

Door: H. Moors en T. Spapens. Politiewetenschap 94, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eén op de acht dierenmishandelaars is een vrouw

Gepubliceerd op

De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden van dierenmishandelaars.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Het profiel van dierenmishandelaars is erg gevarieerd; er kan niet worden gesproken van dé dierenmishandelaar. Bureau Beke heeft in opdracht van Programma Politie en Wetenschap voor het eerst onderzocht wie die dierenmishandelaars zijn. Ondanks dat in de literatuur voornamelijk over mannelijke dierenmishandelaars wordt gesproken is 1 op de 8 daders een vrouw. In de meeste gevallen gaat het om mishandeling van een hond (57%) of een kat (17%). Hierbij gaat het in meer dan de helft van de gevallen om het eigen dier. De mishandeling bestaat voornamelijk uit slaan, schoppen en/of gooien met het dier. De onderzoekers pleiten op basis van het onderzoek voor meer aandacht voor dierenmishandeling.

Met enige regelmaat verschijnen berichten in de media over dieren die mishandeld zijn. Het zijn zaken die voor heftige beroering in de samenleving kunnen zorgen. Denk aan de vele paarden die vanaf 2012 verspreid over Nederland ernstig zijn toegetakeld. Een zaak die nog steeds niet is opgelost. De vraag is: wie doet nu zoiets? Wie zijn deze dierenmishandelaars, wat zijn hun kenmerken en achtergronden?
 
Onderzoeksmethoden
Na een lange zoektocht in verschillende registratiesystemen van diverse instanties zijn de kenmerken en achtergronden van 97 dierenmishandelaars in beeld gebracht. De gegevens van de instanties zijn ook gebruikt om een beeld te geven van de aard en omvang van dierenmishandeling. Vervolgens is er met meerdere deskundigen vanuit verschillende organisaties gesproken om hun kennis en ervaring op te tekenen en om de resultaten te duiden. Ook zijn er vragenlijsten afgenomen bij taakaccenthouders dierenwelzijn van de Nationale Politie en bij chauffeurs van de dierenambulances.

Dierenmishandelaars
De kernmerken en achtergronden van dierenmishandelaars zijn divers. De leeftijdsrange van de dierenmishandelaars loopt uiteen; de jongste is 7 en de oudste is 85 jaar. De dierenmishandelaars zijn gemiddeld 34 jaar oud ten tijde van het plegen van de dierenmishandeling.
Dierenmishandelaars zijn geen criminelen pur sang. Integendeel, de helft is volgens politiegegevens te beschouwen als first offender; ze hebben behalve het dierenfeit, geen andere HKS-registratie. Van deze groep zou in theorie kunnen worden verwacht dat zij later wel ernstiger delicten kunnen gaan plegen, hoewel een deel ouder is dan 30 jaar. De andere helft van de dierenmishandelaars plegen – over het geheel genomen – allerlei vormen van criminaliteit. Hierbij valt vooral het aandeel van de vermogensmisdrijven (34%) en geweldsmisdrijven (23%) op. Slechts bij negen personen is vastgesteld dat er naast dierenmishandeling ook sprake is van huiselijk geweld. Het is dus zaak om ook buiten de context van huiselijk geweld te kijken naar dierenmishandelaars teneinde een compleet beeld te verkrijgen van het fenomeen. Wat ook opvalt, is dat de plaats van de dierenmishandeling binnen de totale criminele carrière vaker aan het eind ervan dan aan het begin ervan is, althans voor zover dat is op te maken uit de politieregistraties.

De dierenmishandelaars ervaren in de meeste gevallen problemen op verschillende leefgebieden. Ondanks dat de registraties matig gevuld zijn, blijkt een aanzienlijk deel van de mishandelaars werkeloos te zijn (40%) en/of schulden te hebben (40%). Ook is er regelmatig alcohol- en/of (soft-)drugs in het spel te zijn tijdens de dierenmishandeling. Opvallend is dat een derde van de mishandelaars agressieregulatieproblemen heeft en ook impulscontrolestoornissen (18%) en een gebrek aan sociale vaardigheden (18%) komen voor.

Aanbevelingen
Uit het onderzoek volgen verschillende aanbevelingen. Alertheid bij de taakaccenthouders én bij de surveillancedienst kan leiden tot een betere signalering van dierenmishandeling. Ook is het belangrijk dat de kennis en kunde van alle politiefunctionarissen die met dierenmishandeling te maken kunnen krijgen op peil wordt gebracht en gehouden. Idealiter zou een database kunnen worden opgezet om zaken van dierenmishandeling consequent te registreren. Tot slot is het belangrijk dat de politie voldoende tijd krijgt om dierenmishandelingzaken op te pakken en te onderzoeken.

De kennis die in de rapportage ‘De aard van het beestje’ wordt gedeeld, is nuttig voor iedere politiefunctionaris en andere professionals die op welke manier dan ook te maken kunnen krijgen met dierenmishandeling. De ‘puzzel’ rondom de persoon van de dierenmishandelaar is nog niet opgelost maar dit eerste onderzoek geeft een goede aanzet voor verdere studie naar het fenomeen dierenmishandeling en de plegers ervan.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Anton van Wijk, directeur Bureau Beke/projectleider (026-4438619, a.vanwijk@beke.nl)
- Manon Hardeman, onderzoeker (026-4438619, m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De aard van het beestje. Kenmerken en achtergronden
van dierenmishandelaars. (PK86)

Door: A. van Wijk en M. Hardeman. Politiekunde 86, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Eerlijke informatie achterblijvers cruciaal bij opsporing vermisten

Gepubliceerd op

Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Van de tienduizenden vermissingen die jaarlijks bij de politie worden gemeld, resulteren er bijna honderd in een langdurige vermissing. Deze langdurige vermissingen moeten vanaf het eerste moment met een opsporingsbril worden bekeken en niet te veel vanuit een hulpverleningsperspectief. Zo wordt voorkomen dat belangrijke informatie wordt gemist en er kostbare tijd verloren raakt. Medewerking van achterblijvers is hierbij cruciaal, maar deze wordt niet altijd direct gegeven aan de politie. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke, waarin 30 langdurige vermissingszaken zijn gereconstrueerd.

Het onderzoek
De Nationale Politie beschikt sinds vorig jaar over de zogenaamde 'Beke-lijst' met daarop 1500 personen die een jaar of langer worden vermist. In dit vervolgonderzoek is gekeken hoe de politie met langdurige vermissingszaken omgaat en wat daarvan geleerd kan worden. In het onderzoek is een reconstructie gemaakt van de opsporing van 30 langdurige vermissingen waarbij de politie op enig moment het vermoeden van een misdrijf heeft. Het gaat om zowel opgehelderde als niet-opgehelderde zaken. De vermissingen dateren uit het tijdvak 1985 tot en met 2010 en kennen een gemiddelde looptijd van elf jaar. Van die zaken is het politiedossier geanalyseerd en er zijn interviews gehouden met de betrokken politiefunctionarissen. In een aantal zaken is daarnaast gesproken met de achterblijvers van de vermisten om ook hun ervaringen met het politieonderzoek op te tekenen. De reconstructies bieden inzicht in de recherchepraktijk bij vermissingszaken en leveren lessen op voor de opsporing. Dat zijn niet alleen lessen voor de politie maar ook voor achterblijvers van vermisten. Omdat bij een vermissing onbekend is wat er aan de hand is, heeft de politie in feite direct een achterstand. Hoe eerder de vermissingszaak toch serieus wordt opgepakt, des te groter de kans dat een zaak wordt opgehelderd.

Rol achterblijvers
Achterblijvers hebben hier een belangrijk aandeel in: zij moeten op tijd melding maken van een vermissing én geen informatie achterhouden. Omdat er bij een vermissing vaak weinig tastbaars is, moet de politie voornamelijk op verhalen van achterblijvers afgaan. Het blijkt echter regelmatig voor te komen dat achterblijvers vanwege schaamte, trots of angst informatie verzwijgen, bijvoorbeeld over problemen die spelen. Daardoor bestaat de kans dat de politie de verkeerde denk- en zoekrichtingen inslaat en er onnodig tijd verloren raakt. Achterblijvers moeten zich er daarom van bewust zijn dat het cruciaal is dat zij direct eerlijk alle relevante informatie met de politie delen.
Van de zijde van de politie mag verwacht worden dat de verklaringen van achterblijvers niet zondermeer voor waar worden aangenomen maar worden geverifieerd. Een achterblijver kan immers betrokkenheid hebben bij de verdwijning. Dat kan blijken uit een gebrek aan bezorgdheid, het bewust achterhouden van informatie of het bewust op het verkeerde spoor zetten van de politie. Een voorbeeld is een zaak waarin een achterblijver verklaart dat de vermiste uit eigen beweging naar het buitenland is vertrokken. Jaren later blijkt hij haar vermoord en begraven te hebben.

Lessen voor de opsporing
De intuïtie (het fingerspitzengefühl) van ervaren politiefunctionarissen moet serieus worden genomen, blijkt uit het onderzoek. Daarnaast zijn creativiteit, vasthoudendheid en het betrekken van bijzondere expertises voorwaarden bij de behandeling van een vermissingszaak.
De politie hanteert geen protocol voor het opnieuw in onderzoek nemen van oude vermissingszaken. Naast de 1500 langdurige vermissingen zijn er ruim 1000 onopgeloste ernstige misdrijven (cold cases) waar ook opsporingscapaciteit voor nodig is. Er wordt in het onderzoek voor gewaarschuwd dat de aandacht voor langdurige vermissingen niet beperkt moet blijven tot een administratieve borging.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden: 026 4438619 / 06 55384883 (i.vanleiden@beke.nl)
- Manon Hardeman: 026 4438619 (m.hardeman@beke.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen. (PK85)
Door: I. van Leiden en M. Hardeman. Politiekunde 85, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Vakmedianet, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

ZSM leidt binnen de politie tot meer aandacht voor de aanpak van VVC

Gepubliceerd op

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Renze Salet: 024-3612494 (r.salet@jur.ru.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

VVC onder de aandacht. Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk.
Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap
(PW92)

Door: R. Salet en J. Terpstra m.m.v. P. Frielink. Politiewetenschap 92, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Betere opsporing door politie vergt heldere keuzes

Gepubliceerd op

Naar een rationele opsporing. Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing.

Nieuwe publicatie Politie en Wetenschap in de reeks speciale uitgaven.

Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk kan worden gedownload van de website van Politie en Wetenschap en is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit: 06-51188627

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Het rapport is gratis te downloaden als PDF van de website www.politieenwetenschap.nl

Effecten bodycam bij politie afhankelijk van context

Gepubliceerd op

De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Invoering van de bodycam door de politie leidt niet altijd tot gewenste effecten als vermindering van het aantal klachten en geweldgebruik door politie en gebruik van opnames voor opsporing. Dit blijkt uit een grootschalig internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd door Sander Flight. Positieve effecten die wel gevonden werden in de VS bleken niet op te treden in de andere landen waar grondige onderzoeken met bodycams zijn uitgevoerd. Context, zoals de relatie tussen politie en burgers, beleidsmatige keuzes, technische specificaties en het juridisch kader zijn blijkbaar van invloed. Met behulp van te evalueren pilots kan de politie beter zicht krijgen op de effecten in de Nederlandse context en bij verschillend gebruik.
Er zijn in de literatuur negen evaluaties aangetroffen die voldoende degelijk van opzet waren om mee te mogen doen in deze meta-evaluatie: in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Vijf van de negen onderzoeken lieten zien dat het aantal klachten tegen politiemensen aanzienlijk daalde (met 14 tot 87 procent). De vier andere evaluaties onderzochten andere doelen en deden dan ook geen uitspraak over klachten. Ook geweldsgebruik door de politie kan dalen door bodycams: dat lieten drie van de negen evaluaties zien (dalingen met 28 tot 75 procent). Over de waarde van opgenomen beelden voor de opsporing weten we nog maar weinig: slechts twee van de bestudeerde evaluatierapporten rapporteerden positieve, zij het kleine, bijdragen van bodycams aan de strafrechtketen.

De effecten van bodycams lijken sterk af te hangen van de beleidsmatige context. Moet de politie zelf de bodycam aanzetten of staat hij altijd aan? En wie werken met de bodycams: doet men dit alleen vrijwillig of is het gebruik verplicht? Dit is van invloed op het aantal opgenomen beelden. Beleid en instructies zijn dus heel belangrijk. Hetzelfde geldt voor technische specificaties (bijvoorbeeld of te zien is dat de camera aanstaat), het juridische kader (bijvoorbeeld hoe lang de beelden bewaard worden en of zij direct naar het OM en de rechter gaan of moeten worden uitgeschreven in een proces-verbaal) en de fysieke context (bijvoorbeeld het type locatie of soort politiedienst). Hoe dit alles op elkaar inwerkt is nog niet duidelijk; niet in het buitenland en ook niet in Nederland.

Een belangrijke aanbeveling is om een onderzoeksprogramma te starten en de effecten van bodycams ook in Nederland grondig te onderzoeken. Het doel van vervolgonderzoek zou moeten zijn om uit te vinden hoe publiek en politie op de bodycams reageren, wat bodycams bijdragen aan waarheidsvinding, bewijsvoering, klachtafhandeling, het voorkomen van geweld tegen de politie en aan intercollegiaal leren. Dit vervolgonderzoek, waarbij pilots worden geëvalueerd, kan uitwijzen hoe, waar, in welke situatie en op welke manier bodycams bij de uitrusting van de politie zouden kunnen gaan behoren.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoeker:
- Sander Flight, zelfstandig onderzoeker: 06 - 41315432

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk. Een internationaal literatuuronderzoek.’ (PW93)
Door: S. Flight. Politiewetenschap 93, Politie en Wetenschap, Apeldoorn/Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl