Gezin terrorismeverdachten lijkt op dat van andere wetsovertreders

Gepubliceerd op

De gezinscontext van terrorismeverdachten in Nederland. Kenmerken en criminaliteit van ouders, broers en zussen

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De gezinnen van terrorismeverdachten in Nederland lijken sterk op gezinnen van verdachten van andere vormen van criminaliteit. In de gezinnen is relatief vaak sprake van een lage sociaaleconomische status en samengestelde gezinnen. Verder plegen ouders, broers en zussen vaker delicten dan binnen gezinnen uit de algemene populatie. Toch komt het maar sporadisch voor dat meerdere personen uit één gezin verdachte worden van een terroristisch misdrijf. Dit blijkt uit grootschalig onderzoek van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en de Vrije Universiteit Amsterdam in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Hoewel de gezinscontext een voedingsbodem kan bieden voor het proces van radicalisering, lijkt het er dus op dat de onderzochte gezinskenmerken een meer algemene negatieve invloed op (delinquent) gedrag hebben. Ook individuele factoren spelen echter een rol: niet ieder kind in het gezin wordt verdachte van een (terroristisch) misdrijf. Het is goed om aandacht te besteden aan mogelijk beschermende factoren. 

De gezinscontext wordt beschouwd als een van de factoren die van belang kan zijn bij radicalisering en het plegen van terroristische misdrijven. Hoe belangrijk het gezin is als risicofactor en op welke manier, was tot nu toe echter nog onduidelijk. Hier is nu voor het eerst kwantitatief onderzoek naar gedaan. Daarbij zijn individuele kenmerken en eventuele betrokkenheid bij criminaliteit van de (stief)ouders, (half)broers en (half)zussen (‘siblings’) van terrorismeverdachten in kaart gebracht. Dit is gedaan via een koppeling tussen een geanonimiseerde lijst van terrorismeverdachten van het Openbaar Ministerie en gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). 

Grotere en gebroken gezinnen, lage sociaaleconomische status
Uiteindelijk konden de onderzoekers de gegevens analyseren van 226 terrorismeverdachten en hun 792 (half)broers/-zussen en 463 (stief)ouders. Zij maakten een vergelijking met ruim duizend verdachten van andere vormen van criminaliteit en hun gezinsleden, en met personen uit de algemene populatie en hun gezinsleden. Het blijkt dat terrorismeverdachten uit gemiddeld grotere gezinnen komen dan personen uit de algemene populatie, en dat er vaker sprake is van een samengesteld gezin met minimaal één stiefouder en één of meer halfbroers/-zussen. Daarnaast hebben de gezinsleden van terrorismeverdachten een lagere sociaaleconomische positie dan gezinsleden van personen uit de algemene populatie. Deze demografische en sociaaleconomische kenmerken lijken sterk op die van de gezinsleden van verdachten van andere vormen van criminaliteit. 

Criminaliteit binnen de gezinnen van terrorismeverdachten
Het komt maar weinig voor dat meerdere personen uit één gezin terrorismeverdachte worden. Daarnaast worden de broers/zussen van terrorismeverdachten vaker verdachte dan de broers/zussen van personen uit de algemene populatie, maar minder vaak dan de broers/zussen van de groep van verdachten van andere vormen van criminaliteit. Interessant is ook dat een groter deel van de ouders van terrorismeverdachten, in vergelijking met de ouders van de algemene populatie, op enig moment werd verdacht van een delict. Tegelijkertijd blijkt dat de ouders van terrorismeverdachten van gemiddeld minder delicten werden verdacht dan ouders van verdachten van andere vormen van criminaliteit. In grote lijnen lijkt de criminele voorgeschiedenis van de gezinsleden van terrorismeverdachten echter sterk op die van de gezinsleden en gezinnen van andere verdachten. 

Terrorismeverdachten en hun broers/zussen
Tot slot zijn de terrorismeverdachten vergeleken met zo veel mogelijk vergelijkbare (‘gematcht’ op leeftijd en geslacht) broers/zussen uit dezelfde gezinnen. De broers/zussen zijn wat vaker hoog opgeleid, en de werk- en inkomenssituatie van de broers/zussen is een jaar voor de verdenking gunstiger dan dat van de terrorismeverdachten zelf. Met betrekking tot de criminele voorgeschiedenis blijkt dat terrorismeverdachten binnen het gezin veel vaker verdacht zijn geweest van verschillende soorten delicten dan hun broers/zussen, en vaker een periode in detentie zaten dan hun broers/zussen. 

Meer aandacht voor beschermende factoren
De broers/zussen van terrorismeverdachten wijken dus op een aantal kenmerken significant af van de terrorismeverdachten en het komt maar sporadisch voor dat meerdere personen uit één gezin verdachte worden van een terroristisch misdrijf. Dit toont aan dat bepaalde gezinskenmerken niet zonder meer de kans verhogen om (terrorisme)verdachte te worden. Bepaalde individuele factoren van de broers en zussen werken mogelijk beschermend tegen de in potentie negatieve invloed van de gezinscontext. Het is daarom belangrijk om diepgaander te onderzoeken waarom sommige gezinsleden, ondanks bepaalde gedeelde risicofactoren, niet radicaliseren en niet met terrorisme in aanraking komen. 

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Elanie Rodermond: 06-41635539 e.rodermond@vu.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De gezinscontext van terrorismeverdachten in Nederland. Kenmerken en criminaliteit van ouders, broers en zussen’. (PW102A)

Door: Elanie Rodermond, Karin Monster en Frank Weerman. Politiewetenschap 102A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Onlinecriminaliteit: slachtoffer doet zelden aangifte en is ontevreden

Gepubliceerd op

Slachtoffer van onlinecriminaliteit, wat nu? Een onderzoek naar aangiftebereidheid onder burgers en ondernemers.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Slachtoffers van onlinecriminaliteit doen zelden aangifte bij de politie en wanneer zij dit wel doen, leidt dit vaak tot ontevredenheid. Dit blijkt uit een nieuwe studie onder een groot aantal Nederlandse burgers en mkb’ers, uitgevoerd door onderzoekers van het NSCR en de Erasmus Universiteit in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Slechts één op zeven slachtoffers doet aangifte bij de politie. Met name delicten die gericht zijn op ICT-systemen, zoals malware, ransomware, hacken en DDoS-aanvallen, worden zelden aangegeven. De meest genoemde redenen die men geeft zijn dat men ‘het zelf op lost’ en dat ‘de politie er niets aan zal doen’. Slachtoffers die wel aangifte deden, zijn in de helft van de gevallen (zeer) ontevreden omdat de politie onverschillig reageerde en de problemen niet zijn opgelost. Samenwerkingsverbanden tussen de politie en relevante publieke en private partijen zouden nuttige informatie over onlinecriminaliteit kunnen opleveren, aangezien slachtoffers de delicten vaker melden bij andere organisaties dan de politie.

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van twee steekproeven van 595 burgers en 529 ondernemers om te onderzoeken welke delict- en slachtofferkenmerken aangiftebereidheid na onlinecriminaliteit voorspellen. Verder is gekeken wat de belangrijkste redenen zijn om wel of geen aangifte te doen, en wat de ervaringen van slachtoffers zijn met het doen van aangifte na onlinecriminaliteit. Met een vignettenstudie (denkbeeldige situaties) is onderzocht hoe respondenten zouden reageren in enkele hypothetische gevallen van slachtofferschap van onlinecriminaliteit. Twee derde van de respondenten geeft aan dat zij hiervan aangifte zouden doen. Wanneer dezelfde personen vervolgens gevraagd wordt hoe zij handelden na daadwerkelijk slachtofferschap van onlinecriminaliteit, blijkt echter dat slechts één op de zeven naar de politie stapt. 

Delictkenmerken bleken aangiftebereidheid beter te verklaren dan persoons- en bedrijfskenmerken. Zo is men vaker bereid om ernstigere delicten aan te geven en blijkt dat onlinecriminaliteit gericht op ICT-systemen (bijv. malware, hacken) minder vaak bij de politie wordt gemeld dan interpersoonlijke delicten (bijv. online bedreiging, cyberstalking) en vormen van online fraude (bijv. identiteitsfraude, marktplaatsfraude). De meest genoemde redenen om geen aangifte te doen, zijn dat mensen het zelf oplossen en dat het geen nut heeft omdat de politie niets zal doen. Daarentegen doen mensen juist wel aangifte van onlinecriminaliteit om te voorkomen dat de dader het opnieuw bij een ander kan doen en omdat ze willen dat de dader gepakt wordt. 

Wanneer respondenten wel aangifte doen, zijn ze in de helft van de gevallen (zeer) ontevreden over de manier waarop de politie met de aangifte is omgegaan. De meest genoemde redenen voor deze ontevredenheid zijn dat de politie onverschillig was en dat de problemen niet zijn opgelost. Het lijkt daarom van belang om aan verwachtingsmanagement te doen, zodat voor slachtoffers duidelijk is wat er met hun aangifte wordt gedaan en hoe aannemelijk het is dat de dader opgespoord zal worden. 

Over het algemeen komen de resultaten uit de burger- en de ondernemerstudie sterk overeen. Deze bevinding, in combinatie met de beperkte rol van persoons- en bedrijfskenmerken, suggereert dat mogelijk beleid om de aangiftebereidheid te vergroten niet op specifieke subgroepen gericht hoeft te zijn. 

Tot slot blijkt dat één op de drie slachtoffers de onlinecriminaliteit wel bij andere organisaties (zoals banken, meldpunten en helpdesk) meldt, wat mogelijkheden biedt voor samenwerkingen tussen de politie en deze partijen, met als doel de informatiepositie van de politie te verbeteren. 

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Steve van de Weijer; 06-52590238 svandeweijer@nscr.nl

- Rutger Leukfeldt; 06-46610144 rleukfeldt@nscr.nl

- Sophie van der Zee; 06-13493702 vanderzee@ese.eur.nl


Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


'Slachtoffer van onlinecriminaliteit, wat nu? Een onderzoek naar aangiftebereidheid onder burgers en ondernemers’. (PW120)

Door: S.G.A. van de Weijer, E.R. Leukfeldt, S. van der Zee. Politiewetenschap 120, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Rechercheurs bouwen in stugge praktijk aan opsporing van de toekomst

Gepubliceerd op

Q-teams. De politie onderweg naar toekomstbestendige opsporing en vervolging?

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Kleine groepjes jonge, ambitieuze rechercheurs willen de opsporing toekomstbestendig maken en zijn daar deels of volledig voor vrijgemaakt. Zij experimenteren met innovaties in zogenaamde Q-teams binnen hun politie-eenheid. Dat doen zij bewust los van de staande politieorganisatie die vooral gericht is op productie. DSP-groep volgde de Q-teams 1,5 jaar lang in een verkennend en verdiepend onderzoek in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Op kleine schaal blijken de Q-teams succesvol. Zo wist één basisteam zijn grote achterstallige werkvoorraad in korte tijd weg te werken doordat Q er experimenteerde met een nieuwe werkmethode. Maar borging en uitbreiding van innovaties blijkt moeilijk in de op productie gerichte, hiërarchische en bureaucratische organisatie. Q ontwikkelde bijvoorbeeld met succes een app om de professionaliteit van piketdiensten te verbeteren en de rechercheurs hierbij meer rust en zekerheid te geven. De app werd met lof en enthousiasme ontvangen en dagelijks door rechercheurs gebruikt. Toch lukte het uiteindelijk niet het gebruik van de app op te schalen en werden ook benodigde updates niet uitgevoerd. De successen die door Q behaald zijn, laten zien dat er in de opsporing ruimte is voor innovatie, maar dat het zeker niet eenvoudig is.

Q-teams bestaan sinds 2016. Het gedeelde doel van Q-teams is om de opsporing te verbeteren en deze ‘toekomstbestendig’ te maken. Dat doen ze door experimenten te initiëren die gericht zijn op het verbeteren van processen (zoals Scrum), op innovatieve werkwijzen (zoals Televoorgeleiding, @ppsporing, en Cold cases & AI) en op het ontwikkelen en uitwisselen van kennis (zoals CSI: Rotterdam en Training Digitale Opsporing). 

Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een inventarisatie waarin is verkend welke Q-teams er zijn in welke eenheden, hoe zij werken en wat zij doen. Ook is een totaaloverzicht van alle gestarte experimenten gemaakt. In het tweede, verdiepende deel is ingezoomd op zes experimenten en worden per experiment de succes- en faalfactoren en de knelpunten getoond, die Q-teams ervaren binnen de politieorganisatie. Hiervoor is ook gesproken met diverse andere betrokkenen zoals deelnemers, leidinggevenden en inhoudelijk experts. 

Uit de gesprekken blijkt dat Q-teams de opsporingspraktijk willen verbeteren, maar daarbij veel praktische en organisatorische obstakels moeten overwinnen. Ze moeten hun eigen wegen aanleggen, veel muren doorbreken en voortdurend goodwill kweken om hun experimenten van de grond te krijgen. Als dit eenmaal is gelukt zit de steun van de eenheidsleiding op de uitvoering van een specifiek experiment, maar vaak niet op de uitrol en schaalvergroting daarna - daar worden vooraf vaak geen afspraken overgemaakt. Dit zit succesvol opschalen in de weg.

We kunnen niet spreken over één beweging met één strategie. Q-teams ontstaan bottom-up, werken decentraal en hun doel is de opsporing verbeteren door innovatie. De manieren waarop zij dat doel willen bereiken, verschilt. Het Q-team Oost stelde in 2016 als eerst (waarna Q-team Rotterdam snel volgde) een strategie op die erop gericht was om de opsporing fundamenteel te veranderen: de organisatie moest gaan kantelen waardoor een wendbare, ontwikkelgerichte en niet-hiërarchische organisatie zou ontstaan. Begin 2019 heeft Q-Oost haar strategie aangepast toen bleek dat de randvoorwaarden voor structurele verandering ontbraken bij de politie. In de nieuwe strategie is innovatie het doel en cultuurverandering ‘krijg je daarmee vanzelf op gang’ is daarbij de gedachte. Deze strategie staat haaks op die van sommige andere Q-teams, waar de strategie ‘laat duizend bloemen bloeien’ geldt. Ook in deze opvatting worden experimenten uitgevoerd, maar het belangrijkste hierbij is dát er geëxperimenteerd wordt, ‘waar dat toe leidt zien we later wel’.

Q-teams bestaan uit bijzonder gedreven, enthousiaste, sociale en vastberaden mensen en dat helpt de teams zich staande te houden in de organisatie. Ze hebben zich ongevraagd vrijgevochten om een rol te pakken die nog niet bestond. Door veel collega’s wordt dit gewaardeerd. Q-teamleden moeten zich echter ook wapenen tegen vooroordelen en kritiek. Sommige collega’s zijn van mening dat Q zich makkelijk onttrekt aan het productiewerk en in plaats daarvan de wereld van de ‘warme douches en luxe broodjes instapt zonder broeken te verslijten’. Hun ambitie is de kracht, maar ook de kwetsbaarheid van Q. De teams bestaan uit een beperkt aantal personen. De vraag of de politieorganisatie bereid is om structureel taken van Q over te nemen, is daarmee nog niet beantwoord.

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Paul van Egmond: 0616110884 (pvanegmond@dsp-groep.nl)

- Aniek Verwest: 0620986096 (averwest@dsp-groep.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Q-teams. De politie onderweg naar toekomstbestendige opsporing en vervolging?. (PK105)

Door: Paul van Egmond, Arjun Swami-Persaud en Aniek Verwest. Politiekunde 105, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Politie gebruikt minder fysiek geweld, meer pepperspray en vuurwapen

Gepubliceerd op

Met gepast geweld. Politiegeweld in Nederland in 2016

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Politiegeweld staat opnieuw volop in de aandacht. Wat weten we over politiegeweld in Nederland? Regioplan Beleidsonderzoek en de Vrije Universiteit Amsterdam deden in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap onderzoek naar geweldgebruik door agenten in 2016, in vergelijking met de jaren 2000, 2005 en 2010.

Het onderzoek laat zien dat de politie naar verhouding minder vaak fysiek politiegeweld gebruikt maar relatief vaker pepperspray en vuurwapens inzet. De omvang en achtergrond van politiegeweld is nauwelijks veranderd in vergelijking met eerder onderzochte jaren. 

Een mogelijke verklaring voor de geconstateerde verschuiving van fysiek geweld naar de inzet van geweldmiddelen als pepperspray en vuurwapen, is dat politiemensen meer oog hebben voor de eigen veiligheid: meer afstand houden en daarmee ook minder fysiek geweld gebruiken maar eerder andere geweldmiddelen Ook veranderingen in de aansturing van politiemensen, zoals meer druk op noodhulp en gebruik van actuele informatie over de melding, bieden wellicht een verklaring. 

De afgelopen weken stond het gebruik van politiegeweld zowel in de samenleving als binnen de politie weer volop in de aandacht. De maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van de politie zijn hoog, variëren door de tijd en zijn soms zelfs tegenstrijdig. Dat betreft de doeltreffendheid van de taakuitoefening (handhaven van recht en orde) maar zeker ook de integriteit van het gebruik van bevoegdheden zoals geweldgebruik. Daarom is inzicht in de feiten van groot belang: wat zijn de aard en omvang van en de ontwikkelingen binnen het politiegeweld?

Om de aard en omvang van politiegeweld inzichtelijk te maken zijn bijna 10.000 meldingsformulieren geweldaanwending van de basispolitiezorg over 6.711 geweldvoorvallen geanalyseerd. Aanvullend is ter verdieping een dossieranalyse van een selectie van de geweldmeldingen uit 2016 uitgevoerd. Daarnaast zijn de dossiers van de Rijksrecherche uit 2016 onderzocht die betrekking hebben op politiegeweld met ernstig letsel of de dood tot gevolg. De bevindingen over het jaar 2016 zijn vergeleken met bevindingen uit (vergelijkbare) onderzoeken over 2000, 2005 en 2010. Mogelijke verklaringen voor geconstateerde resultaten zijn in beeld gebracht met interviews en een expertmeeting met politiefunctionarissen uit verschillende geledingen van de politie.

Het onderzoek laat zien dat het politiegeweld nauwelijks is veranderd in omvang en achtergrond, in vergelijking tot de jaren 2000, 2005 en 2010. Wel is er een verschuiving van fysiek politiegeweld geweld (duwen, trekken, naar de grond brengen etc.) naar het gebruik van vooral pepperspray en het vuurwapen. Vergeleken met voorgaande jaren is het aandeel van voorvallen waarbij een vuistslag is gegeven en/of de verdachte is gefixeerd, licht toegenomen en het aandeel van de technieken duwen en trekken, naar de grond brengen, verwurgingen, armklemmen en schoppen afgenomen. Gebruik van geweld door de politie vond in een meerderheid van de gevallen plaats na één of meer waarschuwingen. In de helft van de gevallen bleek sprake van voorafgaand geweld door de verdachte, niet zelden een persoon met verward gedrag of iemand onder invloed van verdovende middelen.

Het onderzoek draagt een aantal mogelijke verklaringen aan voor de verschuiving naar pepperspray en vuurwapen. De aandacht van politieagenten voor hun eigen veiligheid lijkt te zijn toegenomen waardoor zij meer fysieke afstand  bewaren en eerder geweldmiddelen als pepperspray en vuurwapen ingezet worden. Experts binnen de politie zien daarnaast een toenemende handelingsverlegenheid van agenten door enerzijds de complexere maatschappelijke problematiek en anderzijds een training met meer nadruk op de inzet van geweldmiddelen. Een mogelijke verklaring is gelegen in de aansturing van politiemensen. Agenten rijden naar verhouding meer op (mogelijk escalerende) noodhulpmeldingen in plaats van algemene surveillance. Bovendien worden agenten tijdens het aanrijden door de meldkamer meer geïnformeerd over de situatie en de personen waar zij naar op weg zijn. 

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Onderzoeker: Dr. J.S. Timmer, Vrije Universiteit Amsterdam

E j.s.timmer@vu.nl

T 020-5989148

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Met gepast geweld. Politiegeweld in Nederland in 2016’. (PW118)

Door: Marije Kuin, Frank Kriek (Regioplan), Jaap Timmer (Vrije Universiteit Amsterdam). Politiewetenschap 118, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

 

 

Bodycambeelden helpen agenten betere processen-verbaal te schrijven

Gepubliceerd op

De rol van bodycambeelden in de opsporing en bewijsvoering

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Als politieagenten een proces-verbaal van bevindingen over een incident schrijven, mogen zij doorgaans niet de bodycambeelden van het incident bekijken. Toch schrijven agenten met behulp van bodycambeelden volledigere en juistere processen-verbaal. Dit blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Het is wel van belang dat politieagenten eerst hun eigen bevindingen vastleggen in een proces-verbaal en pas daarna de beelden bekijken en het proces-verbaal aanvullen en corrigeren. Zo blijft de bron van hun bevindingen helder voor henzelf en voor andere betrokkenen bij de strafzaak, zoals de rechter, advocaat en officier van justitie. Op die manier kunnen bodycams niet alleen bijdragen aan de veiligheid van agenten en het vertrouwen in de politie, maar ook aan de opsporing en bewijsvoering in strafzaken. 

De politie maakt steeds meer gebruik van bodycams. Dat roept allerlei interessante vragen op over de potentiële rol van bodycambeelden in de waarheidsvinding, zoals over de invloed van het bekijken van de beelden op de inhoud van het proces-verbaal en de manier waarop de beelden kunnen bijdragen aan de bewijsvoering in een strafzaak. Onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzochten deze en andere vragen in een grootschalig onderzoek bestaande uit een literatuuronderzoek, een veldexperiment met ruim honderd politieagenten en een juridische analyse. 

In het veldexperiment namen 102 politieagenten in koppels deel aan een training waarin zij een uit de hand gelopen burenruzie onderzochten. Na afloop van het incident schreven de agenten ieder apart een proces-verbaal van bevindingen, ofwel voordat zij de bodycambeelden bekeken ofwel daarna. Agenten die de beelden pas na het schrijven van het proces-verbaal bekeken, mochten hun proces-verbaal nog aanpassen op basis van de beelden. Die aangepaste processen-verbaal bleken het volledigst te zijn en relatief de minste fouten te bevatten. 

De rechtspraakanalyse liet zien dat bodycambeelden vooralsnog weinig worden gebruikt in de bewijsvoering in strafzaken, met uitzondering van enkele zaken waarin het ging om een conflict tussen burger en politieagent(en). Toch zouden bodycambeelden vanuit juridisch oogpunt wel een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de bewijsvoering, zolang in het proces-verbaal maar duidelijk wordt vermeld welke informatie de politieagent tijdens het incident heeft waargenomen en welke informatie later is aangepast naar aanleiding van de bodycambeelden. Zo zouden de beelden kunnen worden gebruikt bij de beantwoording van de vraag of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van politieagenten en bij het controleren van de inhoud van een proces-verbaal.

Uit het rapport komen drie concrete aanbevelingen voor de politiepraktijk naar voren. De onderzoekers raden politieagenten aan om eerst hun proces-verbaal te schrijven en pas daarna de beelden van de bodycam te bekijken. Op basis van de beelden kunnen zij hun proces-verbaal dan aanpassen, zolang zij maar precies vastleggen wat zij hebben veranderd, toegevoegd of verwijderd. Als zij bovendien het tijdstip op de bodycambeelden erbij vermelden, kunnen de rechter, advocaat en officier van justitie gemakkelijk zelf de beelden op dat punt bekijken. Als deze werkwijze wordt gevolgd, kunnen bodycambeelden de kwaliteit van processen-verbaal verhogen en een waardevolle bijdrage leveren aan de waarheidsvinding in strafzaken.

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Dr. Annelies Vredeveldt, hoofdonderzoeker: 06-38625639, a.vredeveldt@vu.nl

- Mr. Linda Kesteloo, juridisch onderzoeker: 020-5983242, l.kesteloo@vu.nl

- Alieke Hildebrandt, junior onderzoeker: 020-5985255, a.c.hildebrandt@vu.nl

 

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De rol van bodycambeelden in de opsporing en bewijsvoering. (PW119)

Door: A. Vredeveldt, L. Kesteloo, A. Hildebrandt; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Gebruik beeldmateriaal in verdachtenverhoor is maatwerk

Gepubliceerd op

‘Verbeelding in de verhoorkamer. De invloed van het gebruik van beeldmateriaal in het verhoor op verhoortechnieken en proceshouding’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap. 

Tekeningen, plattegronden, video’s, foto’s, virtuele reconstructies: steeds meer soorten beeldmateriaal worden, in steeds grotere aantallen, gebruikt in het verdachtenverhoor. En door de grote beschikbaarheid van videocamera’s op mobiele telefoons zal dit in de toekomst alleen maar toenemen. Toch is er nog maar weinig bekend over de effecten van de inzet van beeldmateriaal op de proceshouding van de verdachte en de keuze voor een bepaalde verhoortechniek door politie en justitie. In opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Universiteit Leiden onderzoek gedaan naar het gebruik van beeldmateriaal in verdachtenverhoor. De uitgevoerde studies in dit rapport laten zien dat beelden vaak anders beoordeeld worden dan tekstuele omschrijvingen. Zo worden camerabeelden vaak onterecht geïnterpreteerd als evidence verité (zoals het werkelijk gebeurd zou zijn). Dit rapport biedt een aantal aanknopingspunten voor de verhoorpraktijk. Ook onderstrepen de onderzoekers het belang van randvoorwaarden zodat beeld informatie kan verduidelijken voor verschillende groepen verdachten, en equality of arms: gelijke kansen borgen voor het maken, opvragen en gebruiken van beeldmateriaal. 

De publicatie ‘Verbeelding in de verhoorkamer’ laat zien welk beeldmateriaal beschikbaar is en hoe dit wordt ingezet in het verdachtenverhoor. Hiervoor is gebruik gemaakt van een literatuurstudie, secundaire analyse van verhoortranscripten en interviews met makers en gebruikers (verhoorders, officieren van justitie en advocaten) van beeldmateriaal. Het is duidelijk dat zaakafhankelijkheid belangrijk is en dat maatwerk vereist is. Ook valt de grote aanwezigheid van camerabeelden op en hoe deze vaak onterecht geïnterpreteerd worden als evidence verité (zoals het werkelijk gebeurd zou zijn). 

Uit een veldexperiment onder verhoorders blijkt dat de gruwelijkheid van een foto van een stoffelijk overschot en de herkenbaarheid van de verdachte op bewakingscamerabeelden, van invloed zijn op de aanname van schuld of onschuld van de verdachte. Ook zijn ze van invloed op de bij de verhoorder opgewekte emoties en morele verontwaardiging. Er is geen eenduidige invloed gevonden van de beeldkenmerken op de keuze voor verhoorstijlen.

In een labexperiment zijn studenten in de positie van verdachte gebracht. Daarbij is nagegaan hoe de proceshouding door het tonen van bewijs in de vorm van een video-opname in vergelijking met een tekstuele beschrijving wordt beïnvloed. De vorm van het bewijs had in deze simulatie duidelijk effect op de keuze voor de proceshouding; studenten die het geld uit de portemonnee hadden gestolen bekenden vaker schuld na confrontatie met het videobewijs dan na het lezen van het tekstuele bewijs. Ook bleek er verschillend gedacht te worden over de sterkte van video ten opzichte van tekstueel bewijs en vreesden met name onschuldige verdachten vaker voor een (onterechte) veroordeling na confrontatie met de videobeelden. 

De bevindingen van dit onderzoek bieden belangrijke aanknopingspunten voor hoe in de praktijk vorm kan worden gegeven aan het vergroten van de bewustwording onder professionals betrokken bij het verdachtenverhoor. Onderzoekers Verhoeven, Vanderveen, Van Dillen en Kruit concluderen onder meer dat de verantwoordelijkheid van het problematiseren, duiden en nuanceren van beeldmateriaal nu veelal bij de verdediging gelegd wordt. De vraag is of die verantwoordelijkheid ook niet meer bij het OM moet liggen vanuit zijn magistratelijke rol, en bij degenen die beeld creëren dan wel inzetten. Verder moet het gebruik van beeldmateriaal tijdens een verhoor beter voorbereid worden en is het belangrijk dat aan verdachten wordt uitgelegd wat het doel is van het gebruik van beeldmateriaal tijdens een verhoor. 

De verschillende studies met de belangrijkste conclusies zijn ook visueel weergegeven in een infographic (te vinden op www.politieenwetenschap.nl).

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers:  

- Willem-Jan Verhoeven: 010-4081623 (verhoeven@law.eur.nl) 

- Gabry Vanderveen (vanderveen@law.eur.nl)

- Lotte van Dillen (dillenlfvan@fsw.leidenuniv.nl) 

 

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Verbeelding in de verhoorkamer. De invloed van het gebruik van beeldmateriaal in het verhoor op verhoortechnieken en proceshouding’. (PW117)

Door: W.J. Verhoeven, G. Vanderveen, L. van Dillen, S. Kruit m.m.v. M. Hysaj. Politiewetenschap 117, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl. Ook is daar de samenvattende infographic te vinden.

 

Impact vuurwapengebruik groter dan cijfers doen vermoeden

Gepubliceerd op

'De lading van vuurwapens. Een onderzoek naar de impact van illegale vuurwapens in Nederland'

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Illegale vuurwapens krijgen in onze samenleving niet de aandacht die nodig is. Het vuurwapengebruik laat diepe sporen achter bij slachtoffers, nabestaanden, in woonbuurten, bij professionals die gewoon hun werk doen èn in onze samenleving. Niet alleen het letsel zelf, maar ook verdriet, frustratie, angst, onrust, agressie, het niet meer kunnen functioneren, of zich juist onaantastbaar wanen, kunnen het gevolg zijn. Dit blijkt uit een onderzoek naar de impact van illegale vuurwapens dat in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap door Bureau Beke uit Arnhem is uitgevoerd. De inzichten uit het onderzoek benadrukken het belang van een gerichte aanpak van illegaal wapenbezit en kunnen bijdragen aan het afremmen van een dreigende normalisering als het gaat om het gebruik van illegale wapens. 

Regelmatig worden we opgeschrikt door zeer ernstige incidenten waarbij (illegale) vuurwapens zijn gebruikt. In het vandaag te publiceren onderzoek staan het gebruik, het bezit en de impact van illegale vuurwapens centraal. Aan bod komen vragen als: om welke wapens gaat het en waar komen deze wapens vandaan? Wie gebruikt ze en op welke wijze? En wat valt er te zeggen over de invloed en ontwikkeling van dergelijke wapens op dader- en slachtofferschap? 

Uit het onderzoek blijkt de urgentie om meer aandacht te besteden aan illegaal wapenbezit. In Nederland zijn grote aantallen vuurwapens aanwezig, vooral afkomstig uit de Balkanlanden en uit landen van de voormalige Sowjet-Unie. Op basis van politiecijfers blijkt dat er zich van januari 2019 tot september 2019 in Nederland 445 schietincidenten hebben voorgedaan waarbij 92 gewonden en 21 doden zijn gevallen. Gemiddeld vinden er twee schietincidenten per dag plaats. De doorgroei van criminele jeugdgroepen gaat in veel gevallen gepaard met cocaïnehandel waarbij illegale vuurwapens tot de standaard uitrusting van de criminelen behoren. Jaarlijks komen er naar schatting 300 slachtoffers met schotwonden door een vuurwapen op de Spoedeisende Eerste Hulp van ziekenhuizen terecht. Professionals, zoals politiefunctionarissen, krijgen steeds vaker te maken met daders die beschikken over zware automatische vuurwapens en daar soms ook gebruik van maken. Op basis van een survey onder teamleiders opsporing in ons land blijkt dat bij 60% van de geïnventariseerde opsporingsonderzoeken een illegaal vuurwapen is gebruikt. 

In het onderzoeksrapport wordt de impact van illegaal vuurwapengebruik onder andere geïllustreerd aan de hand van reconstructies van tien incidenten waarbij vuurwapens een rol speelden. De reconstructies zijn gebaseerd op open bronnen en interviews met betrokkenen. De casus hebben betrekking op een bedreiging van een misdaadjournalist, een overval op een tankstation door jeugdige daders, een overval op een gelddepot waar politiemensen in het nauw komen, het gebruik van een automatisch vuurwapen in een woonwijk, gerichte moordaanslagen, een liquidatiepoging in een buurthuis, een familiedrama, vergismoorden, terroristische aanslagen en een politieke moord. Deze verhalen laten zien dat de impact groot en verschillend kan zijn voor zowel burgers, professionals, buurten en de samenleving als ook voor beleid en procedures. 

De aanpak van illegale vuurwapens en de wapenhandel dient volgens geraadpleegde experts uit meer sporen te bestaan. Experts onderscheiden daarbij preventie en awareness, onttrekken van wapens aan de samenleving en internationale samenwerking.

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Henk Ferwerda, criminoloog en directeur van Bureau Beke: 06-54360963 of h.ferwerda@beke.nl 

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

 

‘De lading van vuurwapens. Een onderzoek naar de impact van illegale vuurwapens in Nederland’. (PK 104)

Door: H. Ferwerda, J. Wolsink, I. van Leiden. Politiekunde 104, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Professionaliteit en veerkracht in een weerbarstige praktijk

Gepubliceerd op

‘Interveniëren in criminele families’.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Het draaiboek voor een effectieve aanpak van criminele families bestaat niet. Alles staat of valt met aandacht voor situatie, context en maatwerk – met professionaliteit en veerkracht in een weerbarstige praktijk. De ‘harde’ aanpak van repressie, verstoring en afpakken, sluit nog te beperkt aan op de ‘zachte’ benadering van preventie, hulpverlening, scholing, maatschappelijk werk en gezondheidszorg. En we zijn pas net gaan beseffen dat in vrijwel elke aanpak ook de directe leefomgeving van criminele families zou moeten worden gemobiliseerd. Tot die harde en heldere conclusie komen onderzoekers van EMMA – Experts in Media en Maatschappij, en Tilburg University in hun onderzoek in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. 

Met inzichten van de werkvloer en uit de wetenschap beoogt het vandaag gepubliceerde boek ‘Interveniëren in criminele families’ alle professionals te inspireren, die bij en voor gemeenten proberen vat te krijgen op deze complexe en persistente problematiek.

Dit boek gaat over wat Nederlandse gemeenten doen om criminele families aan te pakken en de intergenerationele overdracht van criminaliteit te doorbreken. De problematiek van de georganiseerde misdaad in Nederland en zijn ondermijnende effecten kan immers niet los worden gezien van de rol die criminele families hierin spelen. Dat lieten Hans Moors en Toine Spapens in Criminele families in Noord-Brabant - Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad (2017) klip en klaar zien. 

De leden van criminele families zijn over het algemeen bedreven in het ontlopen van de strafrechtelijke repercussies van de criminaliteit die ze plegen. Ze zijn evenzeer in staat om interventies van preventieve aard te frustreren. Het gaat om gesloten groepen, die vaak een negatieve sfeer van intimidatie en afhankelijkheid creëren in hun fysieke en sociale omgeving, maar die tegelijkertijd het liefst onder de radar opereren en instanties buiten de deur houden, of er juist van profiteren. Een overheid die te dichtbij komt en illegale verdienmodellen verstoort, kan echter op forse weerstand rekenen. Dat onderstreepten vrijwel alle Nederlandse professionals, net als de Zweedse en Britse collega’s waarmee de onderzoekers hebben gesproken.

Op basis van een systematische literatuurstudie, tientallen interviews en groepsgesprekken met uitvoerende professionals komen de onderzoekers tot een harde en heldere conclusie. Ondanks de brede aandacht voor integrale samenwerking en de creatieve inzet van straf-, civiel- en bestuursrechtelijke middelen van de afgelopen jaren, valt er een wereld te winnen. De ‘harde’ aanpak van repressie, verstoring en afpakken, sluit nog te beperkt aan op de ‘zachte’ benadering van preventie, hulpverlening, scholing, maatschappelijk werk en gezondheidszorg. En we zijn pas net gaan beseffen dat in vrijwel elke aanpak ook de directe leefomgeving van criminele families zou moeten worden gemobiliseerd. 

Het draaiboek voor een effectieve aanpak van criminele families bestaat niet. Alles staat of valt met aandacht voor situatie, context en maatwerk – met professionaliteit en veerkracht in een weerbarstige praktijk. Daarom willen de onderzoekers met de inzichten van de werkvloer en uit de wetenschap in dit boek alle professionals inspireren die bij en voor gemeenten vat proberen te krijgen op deze complexe en persistente problematiek.


NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Anne Boer, senior onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij: boer@emma.nl, 06-51383203

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Interveniëren in criminele families’. (PW 94A)

Door: Anne Boer, Rik Ceulen, Hans Moors, Toine Spapens. Politiewetenschap 94A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

 

Het rapport is gratis te downloaden als pdf of als E-book van de websites www.politieenwetenschap.nl en www.emma.nl.

 

Verbetering van de opsporing vraagt ook om systeemaanpassingen

Gepubliceerd op

‘Kijk naar het systeem. Begrijpen en beïnvloeden van opsporingspraktijken’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Verbeteringen in de kwaliteit en effectiviteit van de opsporing vragen ook om veranderingen op systeemniveau. Bij het systeem gaat het onder andere om de wijze waarop de opsporing wordt gestuurd, is ingericht en van personeel wordt voorzien. Dit vermoeden onderzoekers van Twynstra Gudde na een uitgebreid (actie)onderzoek in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. De onderzoekers hebben op basis van hun analyse van de opsporingspraktijk onderbouwde hypothesen opgesteld die in vervolgonderzoek kunnen worden getoetst. Op basis van de analyse adviseren de onderzoekers de politie en andere betrokkenen (waaronder het Openbaar Ministerie) om een veranderstrategie met twee sporen te volgen: naast het huidige spoor van lokale leeromgevingen (proeftuinen, experimenten, et cetera) ook een spoor met systeemwijzigingen die kunnen bijdragen aan duurzame veranderingen in de opsporing.  

De opsporing is in Nederland geen rustig bezit. Integendeel. In de afgelopen decennia lijkt er sprake van een vrijwel voortdurende behoefte aan verandering in de opsporing: het moet altijd beter. Ondanks de vele verbeterambities en -inspanningen, blijven er echter aanhoudende zorgen over de kwaliteit en effectiviteit van de opsporing in Nederland. De opsporingspraktijk verandert blijkbaar minder snel dan de meeslepende verandertaal doet vermoeden. Twynstra Gudde is op zoek gegaan naar antwoorden op de vraag waardoor dit komt. Er heeft in drie rechercheteams uitgebreid actieonderzoek plaatsgevonden. Daarnaast zijn diverse aanvullende casestudies verricht en is een uitgebreide literatuurstudie naar de opsporing uitgevoerd. 

Deze onderzoeksinspanningen hebben geleid tot zes ‘concepten’ die helpen bij het begrijpen van (verandering in) opsporingspraktijken. Het eerste concept is de blauwe identiteit: de kwaliteit van het werk wordt beïnvloed door de ‘blauwe’ manier waarop naar het recherchewerk wordt gekeken. Het tweede concept is de strafrechtelijke habitus: rechercheurs zijn georiënteerd op het gebruik van het strafrecht en bepaalde manieren van opsporen, omdat de manier van (be)sturen hen daartoe uitnodigt. Het derde concept is de overlappende gelaagdheid: rechercheurs nemen soms weinig eigenaarschap, omdat velen zich bemoeien met de inhoud van opsporingsonderzoeken en er op deze wijze weinig ruimte voor hen overblijft. Het vierde concept is de functionele ordening: de interne samenwerking wordt bemoeilijkt door de manier waarop de organisatiestructuur is ingericht. Het vijfde concept is de wankele balans: een deel van de rechercheurs is ontevreden en trekt zich enigszins terug, omdat zij zich onrechtvaardigheid behandeld voelen door de organisatie. Het zesde concept wordt gevormd door de positionele betrekkingen: het machtsspel binnen de politie kan ontaarden in een machtsstrijd met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van de opsporing.

De rode draad in de concepten is dat de ervaren problemen in opsporingspraktijken – rondom onder andere de kwaliteit van het werk, de strafrechtelijke oriëntatie in de aanpak, de interne samenwerking of het eigenaarschap van rechercheurs – meer te maken hebben met de eigenschappen van het systeem waarbinnen politiemensen werken, dan met de eigenschappen van de politiemensen zelf. De centrale boodschap van het vandaag gepubliceerde boek is daarom ‘kijk naar het systeem’. 

Aan ieder van de zes concepten is handelingsperspectief voor verandering gekoppeld. Dit handelingsperspectief bestaat een combinatie van acties die in de lokale teams kunnen worden opgepakt en acties die op het niveau van het opsporingssysteem betrekking hebben. Deze acties of interventies kunnen worden gebruikt voor een (actualisering van de) veranderstrategie. 

Samen met de politie wordt bekeken hoe een vervolg wordt gegeven aan dit onderzoek. 

 

Opvang asielzoekers is te verbeteren via ervaringen uit 2015

Gepubliceerd op

‘In- en doorstroom van nieuwkomers in beeld. Opgetekende lessen uit acht casussen rond de opvang van asielzoekers in Nederland’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De ervaringen rondom de asielopvang in 2015 leveren de nodige lessen op. Deze lessen kunnen van pas komen voor de toekomst, mocht er weer sprake zijn van een verhoogde instroom. Bureau Beke deed daarom in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap onderzoek naar de ervaringen bij de asielopvang. Uit de bestudeerde casussen komt naar voren dat er veel goede lokale initiatieven en samenwerkingsverbanden zijn ontstaan. Toch zijn ook aandachtspunten te benoemen die voor verbetering vatbaar zijn. Al deze ervaringen zijn vervat in concrete handelingsperspectieven voor de toekomst, waar met name het COA, de politie en de opvangende gemeenten van kunnen profiteren. Het onderzoeksrapport wordt vandaag gepubliceerd.

In 2015 werd Nederland geconfronteerd met een verhoogde asielzoekersinstroom, met name vanuit Syrië en Eritrea. Dit leidde tot een tekort aan opvanglocaties en een hausse aan initiatieven om dit tekort op te vangen, vooral door diverse crisis- en noodopvangen te openen. Toentertijd is bij de belangrijkste ketenpartners (COA, gemeenten en politie) zeer veel kennis opgedaan over de doelgroep zelf en het beheer rondom opvanglocaties. Om deze ervaringen bij de ketenpartners op te tekenen, zijn acht casussen bestudeerd door documenten te analyseren en gesprekken te voeren. Daarbij is er niet alleen aandacht voor de rol van ketenpartners, maar bijvoorbeeld ook voor omwonenden van een opvanglocatie en de media. 

Te constateren is dat lokaal rondom opvanglocaties veel oplossingen zijn bedacht om ontwikkelingen op het gebied van openbare orde, criminaliteit, incidenten op de opvanglocaties en onveiligheidsgevoelens onder omwonenden te beheersen. Binnen de acht casussen zijn daarvan goede voorbeelden te geven, maar er zijn ook situaties opgetekend die voor verbetering vatbaar zijn. 

De politie had regelmatig een bemiddelende, stabiliserende functie in het opvangproces. In de hectiek opereerden wijkagenten in veel gevallen als spin in het web, omdat ze zich zowel op het terrein van leefbaarheid (voor nieuwkomers en omwonenden) moesten begeven als op het terrein van veiligheid (handhaving op overlast en criminaliteit). Politiemensen bleken bereid om zich open te stellen voor nieuwe invloeden/culturen en bereid om kennis hierover op te doen. Ook haakten ze flexibel in op nieuwe ontwikkelingen die zich voordeden. 

Over het algemeen liggen er momenteel voldoende lokale werkwijzen om een toekomstbestendige opvang van asielzoekers zonder grote problemen te laten verlopen. Belangrijk is dan wel, dat de betere lokale werkwijzen landelijke bekendheid en opvolging krijgen.

Om het opvangproces verder te optimaliseren resulteert het onderzoek in handelingsperspectieven op de volgende thema’s: het omgaan met mediaberichtgeving, het verbeteren van het kennisniveau over nieuwkomers, de interactie met omwonenden rond een opvanglocatie en het verbeteren van de uitstroom én de begeleiding van statushouders in wijken. Op deze vier thema’s is nog het nodige te verbeteren. Daarvoor worden in het onderzoek concrete suggesties gegeven. Deze handelingsperspectieven kunnen in de toekomst door de ketenpartners gebruikt worden om het lokale proces van in- en doorstroom van nieuwkomers te optimaliseren.

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke: 06-27172367, j.kuppens@beke.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘In- en doorstroom van nieuwkomers in beeld. Opgetekende lessen uit acht casussen rond de opvang van asielzoekers in Nederland’. (PK103)

Door: J. Kuppens, L. Klein Haneveld, R. Rijnink, H. Ferwerda. Politiekunde 103, 

Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Geen homogeen risicoprofiel van dader (fataal) huiselijk geweld

Gepubliceerd op

Wanneer blaffende honden bijten. Een vergelijking tussen fataal en niet-fataal huiselijk geweld

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Terwijl het gezin vaak wordt beschouwd als de hoeksteen van de samenleving, kan het ook tot één van de meest gewelddadige sociale instituties worden gerekend. Het Institute of Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden onderzocht in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap in welke opzichten fataal huiselijk geweld (partnerdoding en kinderdoding) onderscheiden kan worden van niet-fataal huiselijk geweld (partnermishandeling en kindermishandeling). Het doel was om door middel van een vergelijking kenmerken te identificeren van huiselijk geweld met dodelijke afloop. Uit het onderzoek bleek dat aan fatale zaken niet altijd waarschuwingssignalen vooraf gingen. Hoewel dit een vroegtijdige interventie moeilijker maakt, bieden de resultaten wel aanknopingspunten voor de politie en haar ketenpartners.

In het onderzoek werd gekeken welke delicts-, individuele en relationele kenmerken fataal huiselijk geweld onderscheiden van niet-fataal huiselijk geweld. Voor de beantwoording van deze vraag zijn ruim 600 zaken geanalyseerd. 

Het was op basis van dit onderzoek niet mogelijk om een uniform profiel op te stellen van daders of slachtoffers van beide vormen van geweld. Er werden wel verschillen gevonden tussen kenmerken van fataal en niet-fataal huiselijk geweld. 

Partnerdodingen werden voornamelijk gepleegd vanwege angst voor verlating of scheiding, of in psychotische toestand. De dader was vaak getrouwd met het slachtoffer en er had niet eerder huiselijk geweld jegens het slachtoffer plaatsgevonden. De dader gebruikte een wapen tijdens het delict. Bij partnermishandelingen gebruikte de dader vooral fysiek geweld en de mishandeling vond voornamelijk plaats in de context van een uit de hand gelopen ruzie. Daarnaast kende de relatie tussen de dader en het slachtoffer een geschiedenis van huiselijk geweld.

Kinderdoding onderscheidde zich van kindermishandeling door de relatie tussen dader-slachtoffer, het motief en de leeftijd van het slachtoffer. Kindermishandeling werd voornamelijk gepleegd door een man en/of een stiefouder waar de mishandeling het resultaat was van een uit de hand gelopen ruzie. De slachtoffers van kindermishandeling waren gemiddeld 11-15 jaar. In kinderdodingszaken was de dader vaak de biologische moeder, de doding werd in psychotische toestand gepleegd en het slachtoffer had een gemiddelde leeftijd tussen 0 en 5 jaar. Maar ook dodingen die uit wraak werden gepleegd door de biologische vader onderscheidden zich van de kindermishandelingen. In deze gevallen werd voornamelijk een wapen gebruikt om het kind te doden en het slachtoffer had een leeftijd tussen de 5-10 jaar.

Het onderzoek had niet tot doel om een checklijst van ‘voorspellers’ voor aanstaand fataal geweld te ontwikkelen. Toch bieden de resultaten wel aanknopingspunten voor de politie en haar ketenpartners over risico’s. Bij partnerdoding brengt de (angst voor) scheiding een verhoogd risico op slachtofferschap. Deze bevinding benadrukt de noodzaak voor de politie en haar partners om alert te zijn op aanhoudende dreiging van ex-partners (denk aan bedreiging en stalking), en pogingen om opnieuw een relatie met hun ex-partner aan te gaan. Bij de preventie van kinderdoding wijzen de onderzoeksresultaten uit dat specifieke aandacht uit dient te gaan naar een verslechtering in de psychische conditie van de ouder. Daarnaast vormen (toenemende) spanningen tussen (stief)ouders en (stief)kinderen een belangrijke rode vlag om tijdig hulp te bieden. 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers:
- Pauline Aarten: 06-40154891 (p.g.m.aarten@fgga.leidenuniv.nl)
- Marieke Liem: 06-40302545 (m.c.a.liem@fgga.leidenuniv.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Wanneer blaffende honden bijten. Een vergelijking tussen fataal en niet-fataal huiselijk geweld’. (PW115)

Door: P. Aarten, C. Boelema Robertus, L. Alink, M. Liem. Politiewetenschap 115, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2020.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Digitalisering van de criminaliteit vraagt om brede inzet politie

Gepubliceerd op

De aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie. Van intake van cybercrime naar opsporing en vervolging

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De aanpak van cybercrime door de politie verdient een verbreding en intensivering vanwege een toenemende digitalisering van de criminaliteit. De oprichting van cybercrimeteams binnen regionale eenheden van de politie leidt weliswaar tot een spilfunctie voor enkele gespecialiseerde teams, maar (nog) niet tot een brede inbedding van de aanpak binnen de politieorganisatie. De politie komt hierdoor te weinig toe aan een adequate intake van aangiften van cyberdelicten, van screening van cyberzaken en van opsporing van cyberverdachten. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek van BBSO in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. De onderzoekers adviseren de politie om de verschillende politie-onderdelen (intake en service, de blauwe teams en recherche) meer te betrekken bij de aanpak van cybercrime. Verdergaande digitale deskundigheidsontwikkeling van de politie is ook gewenst.

Cybercriminaliteit is een belangrijk fenomeen geworden in onze gedigitaliseerde wereld met een grote impact op de maatschappelijke veiligheid. De aanpak hiervan is voor de Nederlandse politie al verscheidene jaren een reden van aandacht en ook van zorg. De populariteit van de Nederlandse infrastructuur onder cybercriminelen en de grote impact van cybercrime bij bedrijven en onder burgers zijn aanleiding geweest om de aanpak van cybercrime door de politie te intensiveren. Hiertoe zijn, naast het Team High Tech Crime van de Landelijke Eenheid, ook in regionale eenheden van de politie ‘cybercrimeteams’ opgericht. Deze teams bestrijden digitale criminaliteit zoals hacken, phishing en gijzelingssoftware. De prioritering van de aanpak van cybercrime bij de politie is terug te vinden in de afspraken van de Veiligheidsagenda 2015-2018. 

Naast hun taak verdachten van cybercrime op te sporen en aan te houden, wordt van de cyberteams ook verwacht dat zij hun kennis en ervaring overdragen aan andere teams binnen de politie-eenheid, zodat de politieorganisatie zich ook in brede zin beter toerust op de aanpak van cybercrime. Daarnaast dienen de cyberteams zich te richten op preventie en het ‘weerbaar’ maken van organisaties en het publiek voor cybercrime. De cyberteams zouden in dit kader een vliegwielfunctie kunnen hebben om de politieorganisatie in brede zin beter toe te rusten voor de bestrijding van cybercriminelen.

In de verkennende studie is in drie regionale eenheden gekeken naar de inzet van de politie bij cybercrime in het gehele proces van intake naar opsporing en vervolging. Uit een uitgebreide veldwerkronde bij de cyberteams komt naar voren dat er een toename is van het aantal aangehouden verdachten van cybercrime, maar dat het ophelderingspercentage van cybercrime nog laag is. Bovendien blijkt dat de behoefte die er is om meer cyberdeskundigheid ‘aan de voorkant’ met fenomeenonderzoeken op te bouwen, niet goed is te combineren met de noodzaak kwantitatieve doelen te behalen. Het onderzoek geeft het beeld van een ‘cyberaanpak in opbouw’ waarbij de eenheden zelf verschillende prioriteiten geven aan de aanpak in hun eenheid. Een aantal cyberteams heeft nog onvoldoende mogelijkheden om gezamenlijk met andere cyberteams landelijke onderzoeken op te pakken. Verbetering en borging van de informatiepositie van de politie op vormen van cybercrime is essentieel. 

Aangezien criminaliteit steeds vaker een digitale component heeft, is een grotere mate van aandacht voor de opbouw van de digitale expertise binnen de reguliere opsporing en politie in brede zin van belang en is de focus op alleen cybercrimeteams (te) smal. Het denkkader dient daarbij meer gericht te worden op het bredere fenomeen van ‘criminaliteit en digitaliteit’.

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Paul Boekhoorn, directeur BBSO: 06-51855576, p.boekhoorn@bbso.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De aanpak van cybercrime door regionale eenheden van de politie. Van intake van cybercrime naar opsporing en vervolging’. (PK102)

Door: P. Boekhoorn. Politiekunde 102, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Gedrag inbrekers met virtual reality bestudeerd

Gepubliceerd op

Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, schrikt inbrekers nauwelijks af. De zichtbare, fysieke aanwezigheid van buurtbewoners op straat doet dit wel. Dit blijkt uit een onderzoek met behulp van virtual reality van de Vrije Universiteit Amsterdam en Universiteit van Twente in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Het beter begrijpen waarom inbrekers bepaalde doelwitten kiezen is essentieel om inbraken te voorkomen. Door virtual reality te gebruiken kunnen inbrekers geplaatst worden in virtuele wijken en kan hun gedrag geobserveerd worden terwijl zij deze wijk scouten. Hierdoor wordt duidelijk wat hen aantrekt en afschrikt. Het onderzoeksrapport wordt vandaag gepubliceerd.
181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers namen deel aan dit unieke onderzoek. Het onderzoek had twee doelen. Het eerste doel was om vast te stellen of virtual reality als onderzoeksmethode gebruikt kan worden om inbrekers te bestuderen. Het tweede doel was om te onderzoeken of en hoe de fysieke of symbolische aanwezigheid van buurtbewoners inbrekers afschrikt. Hiervoor werden twee virtuele wijken ontwikkeld. In de eerste wijk werden deelnemers blootgesteld aan verschillende afschrikkingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, in de tweede wijk werden zij virtual blootgesteld aan de aanwezigheid van een buurtbewoner. Aan deelnemers werd gevraagd beide wijken te scouten alsof zij een woninginbraak wilden plegen. Na dit scoutingsproces werden er verschillende vragenlijsten afgenomen over wat hen aantrok of afschrikte en werd een kort interview gehouden met de inbrekers.
Uit de reacties van de inbrekers bleek dat zij de virtuele wijken als realistisch ervoeren. Zij hadden veelal het gevoel daadwerkelijk in de virtuele omgeving te zijn. Dit wijst erop dat het gedrag in de virtuele wereld sterk lijkt op het gedrag dat deze inbrekers vertonen in de echte wereld. Hiermee wordt bevestigd dat virtual reality een effectieve onderzoeksmethode kan zijn om inbrekers te bestuderen.
De effectiviteit van het plaatsen van borden om inbrekers af te schrikken lijkt bescheiden te zijn. Vooral niet-inbrekers reageerden op afschrikkingsborden, waarbij zij bijvoorbeeld sociale cohesie in de buurt hoger achtten wanneer deze borden aanwezig waren. Dit laat zien dat, alhoewel een bord misschien voor de gewone burger een bepaalde impact heeft, dit voor inbrekers niet het geval is. 
De aanwezigheid van buurtbewoners had wel een afschrikkend effect op inbrekers. Wanneer er een virtuele buurtbewoner in de wijk aanwezig was werd onder andere de waargenomen pakkans als hoger gezien, terwijl de aantrekkelijkheid van de wijk afnam. Hiermee wordt bevestigd dat de fysieke aanwezigheid van buurtbewoners een belangrijke factor is om inbraken te voorkomen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
 Onderzoeker: Iris van Sintemaartensdijk: +31 20 59 89897 (i.van.sintemaartensdijk@vu.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden ‘ (PW114)

Door: I. van Sintemaartensdijk, J.L. van Gelder, P.A.M. van Lange, M. Otte, J.W. van Prooijen. Politiewetenschap 114, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Innovatieve aanpak van kinderpornoplegers aan herziening toe

Gepubliceerd op

'NIET MEER DOEN!' Een onderzoek naar de INDIGO-afdoening

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Sinds 2012 werken politie en OM met een aanpak, genaamd INDIGO, voor het sneller afwikkelen van kinderpornozaken. Voor deze afdoening komt een specifieke categorie downloaders in aanmerking. Zij hebben een laag risicoprofiel en komen niet voor de rechter. In plaats daarvan volgen zij een behandeling. Bureau Beke heeft in opdracht van het programma Politie en Wetenschap onderzocht wat de kenmerken en achtergronden zijn van deze groep downloaders. De ‘INDIGO-groep’ is vergeleken met downloaders van wie de zaak wel op de rechtszitting is geweest en die een straf hebben gehad. Het doel van het onderzoek was om vast te stellen wat de effecten – onder andere in de recidive - en (praktische) werking zijn van de INDIGO-afdoening. Het blijkt dat de downloaders uit de INDIGO-groep juist sneller naar een zedendelict recidiveren dan de vergelijkingsgroep. Het onderzoek maakt duidelijk dat de INDIGO-aanpak aan herziening toe is en meer maatwerk vergt. 

Voor een specifieke categorie downloaders heeft de politie in samenwerking met de reclassering, het OM en behandelinstituten een aanpak ontwikkeld: Initiatief Niets Doen Is Geen Optie, ofwel INDIGO. Downloaders met een laag risicoprofiel kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid om niet voor de rechter te verschijnen als ze een behandeling volgen en het toezicht door de Reclassering op de gestelde voorwaarden accepteren. In dit onderzoek is een groep downloaders in de tijd gevolgd. Er is gebruikt gemaakt van de literatuur, informatie van de reclassering en politie. Daarnaast zijn interviews gehouden met politiefunctionarissen, behandelaars, reclasseringsmedewerkers en een vijftal downloaders die de INDIGO-afdoening hebben gehad. Het onderzoek is uniek voor Nederland vanwege de omvang van de onderzoeksgroepen en de lange looptijd waarin de criminele carrière is onderzocht. 

De Nederlandse kinderporno downloaders zijn vaak blanke, alleenstaande mannen van middelbare leeftijd. Bijna de helft van de downloaders (46%) heeft een of meer problemen ervaren in hun jeugdjaren. Hierin verschillen beide groepen nauwelijks van elkaar. 

Bijna driekwart van de INDIGO-groep is first offender is bij het delict waarvoor zij zijn veroordeeld, bij de controlegroep is dit bijna de helft. Over de INDIGO-afdoening zijn alle gesproken respondenten enthousiast, grotendeels omdat deze doelgroep vooral gebaat zou zijn bij hulpverlening. 

Opvallend is daarom dat er meer downloaders (19%) uit de INDIGO-groep recidiveren naar zedendelicten dan in de controlegroep (9%). Dit kan aanleiding geven om de aard en inhoud van de INDIGO-afdoening te heroverwegen. Maatwerk, waarbij rekening wordt gehouden met de problemen en behoeften van de downloader, kan meer richting geven aan het (behandel)traject.  

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Anton van Wijk, projectleider, directeur Bureau Beke (06-23035340)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘NIET MEER DOEN! Een onderzoek naar de afdoening’. (PK101)

 

Door: Anton van Wijk, Sylvia Dickie, Juno van Esseveldt

Politiekunde 101, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Integrale analyse biedt kansen bij opsporing van synthetische drugs

Gepubliceerd op

De Intelligence Paradox. Lessen uit de integrale pilot Analyse Synthetische Drugs in Oost-Nederland

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De laatste jaren worden ook in Gelderland steeds meer drugsproductielocaties en -dumpingen aangetroffen. Yvette Schoenmakers Onderzoek & Advies heeft in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap een team van analisten in Oost-Nederland gevolgd die integraal zicht proberen te krijgen op netwerken die zich met synthetische drugs bezighouden. In het onderzoek is gekeken wat succesfactoren en leerpunten zijn geweest in deze samenwerking. Naast de waarde van het samen brengen van informatie van ketenpartners die vaak blijft liggen, blijkt de groepsdynamiek, houding en flexibiliteit van het analistenteam een cruciale factor in de nieuwe werkwijze te zijn.

Eind 2017 lanceerde Politie Oost-Nederland een geregisseerde aanpak van drugsafvaldumpingen, waarbij alle drugsafvaldumpingen in onderzoek genomen moeten worden. Parallel hieraan startten politie, Team Ketentoezicht Gelderse Omgevingsdiensten, Belastingdienst en RIEC in 2018 een pilot Analyse Synthetische Drugs. Analisten van de vier ketenpartners kregen van hun leidinggevenden alle ruimte om samen te pionieren met een integrale analysewerkwijze op het thema synthetische drugscriminaliteit.

De onderzoekers volgden de intelligencepilot van binnenuit, om zo de beslissingen, uitgevoerde handelingen, uitkomsten, de rol van de analisten in het RIEC-verband en partners in het veld te kunnen waarnemen en duiden. Uiteenlopende signalen die mogelijk duiden op synthetische drugsproductie, zoals anonieme meldingen van burgers, waarnemingen van surveillanten en toezichthouders, maar ook drugsafval-incidenten, worden binnen deze pilot door de analisten uitgeplozen. Naast een beschrijving van de werkwijze van dit team en de gebruikte informatiebronnen geeft het vandaag gepubliceerde onderzoeksrapport een gedetailleerde beschrijving van drie casussen waarmee men tijdens de uitvoering van het onderzoek werd geconfronteerd.

De pilot toont aan dat met een gedreven integrale aanpak belangrijke opsporingsinformatie boven tafel gehaald kan worden. Er zijn volop kansen om samen met ketenpartners een beeld te krijgen van de processen en netwerken achter de synthetische drugscriminaliteit. Tegelijkertijd toont het onderzoek ook de versnipperde aanpak in het veld, de gebrekkige slagkracht van de overheid ten aanzien hiervan en de achtergebleven intelligencepositie. De opsporing blijkt momenteel nog niet voldoende in staat de verkregen intelligence bij te houden. In een vervolgproject, dat direct na afsluiting van de pilot van start is gegaan in Oost-Nederland, ligt juist de nadruk op de opvolging van de gepresenteerde informatie en daarmee op de opsporing zelf.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Shanna Mehlbaum, shanna@mehlbaumonderzoek.nl, 06-48505790
- Jacco Lievaart, J.Lievaart@odrivierenland.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De Intelligence Paradox.
Lessen uit de integrale pilot Analyse Synthetische Drugs in Oost-Nederland’(PK83A)

Door: Y. Schoenmakers, S. Mehlbaum, Politiekunde 83A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Aanpak criminele vrijplaatsen vraagt om integraliteit en volharding

Gepubliceerd op

De wortel en de stok. Praktijklessen uit een gebiedsgerichte probleemaanpak van ondermijning

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Het structureel verbeteren van een notoire probleemstraat, die bekendstaat als criminele vrijplaats, vraagt langdurige inzet van verschillende overheidspartijen en het inzetten van een breed scala aan interventies. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum Onderzoek in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Het onderzoek laat zien dat een gemotiveerd multidisciplinair team met strategische rugdekking van hun organisaties, in korte tijd veel kan bereiken. Door veel aanwezig te zijn in de buurt en regelmatig integrale controles te organiseren, verdwijnt de anonieme voedingsbodem voor criminele spelers. Interventies als stedelijke vernieuwing of het aanpakken van dubieuze pandeigenaren zijn lastiger te realiseren en vragen een lange adem. Volharding en focus op het probleemgebied zijn dan ook nodig om ook deze lange termijn interventies te bewerkstelligen. 

Wat te doen met een buurt waar criminelen de overhand hebben en de overheid geen voet aan de grond krijgt? De laatste jaren werken politie, gemeente en andere overheden steeds meer samen om de inbedding van georganiseerde criminaliteit in buurten tegen te gaan, maar dit blijkt geen eenvoudige opgave. In dit onderzoek is een multidisciplinair team gedurende een half jaar intensief gevolgd en zijn de randvoorwaarden en lessen van een lokale ondermijningsaanpak in kaart gebracht.

Het projectplan van het team richtte zich op zowel repressieve interventies op de korte termijn als op langere termijn interventies, om verbetering van het gebied te stimuleren. Zij noemen dit een strategie van de wortel (stimuleren) en de stok (repressie). De aanpak is gebaseerd op inzichten uit eerder wetenschappelijk onderzoek.

Op basis van interviews, observaties, bijgewoonde overleggen en analyse van projectdocumentatie is in het vandaag gepubliceerde onderzoek in kaart gebracht hoe de gebiedsgerichte aanpak in zijn werk is gegaan. Er is gekeken welke bijdrage veiligheidspartners, zoals de politie, Belastingdienst en gemeente, kunnen leveren. Maar ook partijen als de omgevingsdienst en het energiebedrijf. Tegen welke hordes op het gebied van samenwerking en informatiedeling liepen de projectleden aan en hoe zijn ze hiermee omgegaan?

De lessen uit de werkwijze, inclusief ingezette interventies, zijn opgetekend als handreiking voor andere, soortgelijke aanpakken. Dit project dient dan ook als een waardevolle proeftuin voor andere gemeenten en basisteams van de politie die met hardnekkige en lokale problematiek kampen.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
Shanna Mehlbaum, shanna@mehlbaumonderzoek.nl, Tel: 06-48505790

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘De wortel en de stok. Praktijklessen uit een gebiedsgerichte probleemaanpak van ondermijning. (PK92A)

Door: S. Mehlbaum, Y. Schoenmakers. Politiekunde 92A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Effectievere radarcontroles en surveillance maken snelweg veiliger

Gepubliceerd op

‘Verkeershandhaving op Nederlandse autosnelwegen. Evaluatie van de werkwijze van het Team EVT, de effecten en de acceptatie van politiecontroles’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Het positieve effect van de verkeershandhaving op Nederlandse autosnelwegen op de verkeersveiligheid kan worden verbeterd door een gerichtere inzet van radarcontroles op wegen met een hoog risico. Daarnaast verbetert een intensievere verkeerssurveillance de veiligheid met controle op risicovolle overtredingen, zoals op handheld smartphonegebruik en excessieve snelheid. Een betere terugkoppeling van de effecten van radarcontroles zal bovendien tot een snellere bijsturing van die controles kunnen leiden. Dit blijkt uit onderzoek dat SWOV in samenwerking met de politie heeft uitgevoerd in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Intensievere verkeershandhaving is nodig omdat de laatste jaren het aantal geregistreerde verkeersongevallen toeneemt. Weggebruikers hebben in meerderheid begrip voor geïntensiveerde verkeershandhaving op risicovolle overtredingen.

Hoewel autosnelwegen verhoudingsgewijs veilige wegen zijn, is de ontwikkeling van de verkeersveiligheid op deze wegen de afgelopen jaren ongunstig: het aantal geregistreerde ongevallen neemt de afgelopen jaren toe. Ongevallen op autosnelwegen worden onder andere veroorzaakt door onveilig rijgedrag zoals te snel rijden, het gebruik van alcohol en/of drugs en afleiding. Recente cijfers geven aan dat dergelijk onveilig rijgedrag frequent voorkomt op autosnelwegen. Deskundigen vragen in dat verband aandacht voor het belang van voldoende verkeershandhaving.

SWOV, het nationale instituut voor wetenschappelijk verkeersveiligheidsonderzoek, heeft onderzocht hoe de huidige aanpak van de verkeershandhaving op Nederlandse autosnelwegen geoptimaliseerd kan worden. Er is bij de aanpak gekeken naar de effectiviteit, efficiëntie en acceptatie door de burger. Daarvoor zijn het beleid en de huidige verkeershandhavingspraktijk geanalyseerd en zijn pilots uitgevoerd met geïntensiveerd toezicht. Ook is weggebruikers gevraagd of zij begrip hebben voor geïntensiveerde verkeershandhaving.

De conclusie is dat gerichte handhaving op risicovol rijgedrag kan leiden tot veiliger verkeersgedrag en tot minder ongevallen. In 2017 werd driekwart van de locaties voor radarcontrole echter mede uitgekozen vanwege de opsporing van algemene criminaliteit. Een betere monitoring van de effecten van radarcontroles zal tot een betere bijsturing van de radarcontroles kunnen leiden en daarmee een positief effect hebben op verkeersveiligheid.

Naast radarcontroles blijven staandehoudingen nodig waarbij de politie controleert op risicovol verkeersgedrag, zoals veel te hard rijden en het handheld gebruiken van de smartphone. Uit de vraaggesprekken met chauffeurs blijkt dat er begrip is voor de noodzaak van een geïntensiveerde verkeershandhaving.

SWOV heeft in dit onderzoek samengewerkt met het Team Elektronisch Verkeerstoezicht (EVT) van de Landelijke Eenheid van de politie.


NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Directeur SWOV: dr. Peter van der Knaap / peter.van.der.knaap@swov.nl
- Onderzoeker: dr. Charles Goldenbeld (charles.goldenbeld@swov.nl)
- Persvoorlichting SWOV: patrick.rugebregt@swov.nl / persvoorlichting@swov.nl Tel.: 070-3173318 / 06-12365471

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Verkeershandhaving op Nederlandse autosnelwegen. Evaluatie van de werkwijze van het Team EVT, de effecten en de acceptatie van politiecontroles ‘. (PW113)

 

Door: Dr. Ch. Goldenbeld, Dr. A. Stelling-Konczak, S. van der Kint, MSc. Politiewetenschap 113, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Bodycams kunnen veiligheid van politiemensen verbeteren

Gepubliceerd op

Evaluatie bodycams Landelijke Eenheid; Proeftuin bodycams Dienst Infrastructuur 2018.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Agressie en geweld tegen politiemensen is afgenomen en hun veiligheidsgevoel is verbeterd tijdens een proef met bodycams. Dat blijkt uit onderzoek in de Landelijke Eenheid van de politie. De proef met bodycams maakte deel uit van een reeks experimenten met bodycams in alle politie-eenheden. De evaluatie is uitgevoerd door Sander Flight in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap.

Voor dit onderzoek zijn meer dan 300 vragenlijsten ingevuld door politiemensen, interne registraties van geweld tegen politieambtenaren geanalyseerd, logfiles van de bodycams bestudeerd en zijn gesprekken gevoerd met vijftig medewerkers van de Landelijke Eenheid. In het boek wordt al deze informatie geanalyseerd en gepresenteerd.

Het aantal incidenten van lichamelijke agressie en serieuze bedreigingen is gehalveerd: van bijna vierhonderd incidenten in het jaar voorafgaand aan de proef naar iets minder dan tweehonderd incidenten in het jaar dat de bodycams werden gedragen. Ook het veiligheidsgevoel is verbeterd: politiemensen die de bodycam vaak droegen voelden zich significant veiliger dan degenen die de bodycam nooit of maar af en toe droegen. Het is aannemelijk dat dit komt door het de-escalerende effect van bodycams. Dat effect werkt twee kanten op: burgers gedragen zich respectvol richting de politie en werken beter mee. Maar ook de politie zelf gaat zich professioneler gedragen, aangezien ook hun gedrag wordt vastgelegd.

In de proeftuin was het ook de bedoeling te testen of live meekijken met bodycams door het Operationeel Centrum toegevoegde waarde heeft. Dat deel van de proef is niet goed uit de verf gekomen door technische beperkingen van de bodycams en doordat veel politiemensen het een onprettig idee vinden als de meldkamer zelf de bodycam kan aanzetten, zonder dat de drager van de bodycam dat weet. Ook het gebruik van opnames achteraf is niet gebeurd. Er zijn ruim 1.250 opnames gemaakt in het jaar dat de proef liep, maar die zijn niet gebruikt als bewijsmateriaal en ook niet voor het afhandelen van klachten. Vijf opnames zijn ‘veilig gesteld’ om te voorkomen dat ze automatisch werden gewist na 28 dagen, maar ook die opnames zijn niet gebruikt.

Het onderzoek laat zien dat bodycams een preventief effect hebben op agressie en geweld richting politiemedewerkers. Dat positieve effect is echter niet vanzelfsprekend. Minstens zo belangrijk is de conclusie van dit onderzoek dat dit soort technologische innovaties lang niet altijd gelijk goed ‘landen’ binnen organisaties zoals de politie. Er was in deze proeftuin meer aandacht voor de technologie dan voor de medewerkers die met de technologie moesten werken. Die ‘zachte’ kanten van nieuwe technologie zijn echter minstens zo belangrijk als de ‘harde’ kanten – zo blijkt uit dit onderzoek.

De aanbevelingen aan het eind van het rapport zijn gericht aan de politie, maar ook andere organisaties die bodycams willen gebruiken kunnen baat hebben bij de geleerde lessen.

NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Sander Flight: 06-41315432

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Evaluatie bodycams Landelijke Eenheid; Proeftuin bodycams Dienst Infrastructuur 2018 - (PW93b). Door: S. Flight. Politiewetenschap 93b, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Samenwerking cruciaal voor verstoren internationale aankoopfraude

Gepubliceerd op

Aankoopfraude vanuit het buitenland: Alternatieven voor opsporing.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Proactieve verstoring is dé methode om internationale aankoopfraude aan te pakken, aangezien slachtofferschap hiermee voorkomen wordt. Bij internationale aankoopfraude maakt het slachtoffer geld over naar het buitenland zonder de dienst of het product waarvoor betaald is, te ontvangen. Internationale aankoopfraude kent een lucratief verdienmodel; de winstmarge is hoog en de pakkans is laag. Dit blijkt uit onderzoek van de Onderzoeksgroep Cybersafety (NHL Stenden Hogeschool en Politieacademie) in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. In dit onderzoek wordt in kaart gebracht hoe criminelen te werk gaan en zijn oplossingsrichtingen, zowel op nationaal als internationaal niveau, gepresenteerd die kunnen bijdragen aan een veiliger online handel. Het onderzoek wordt vandaag gepubliceerd.

Voor het onderzoek zijn 150 meldingen van het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting geanalyseerd en 20 slachtoffers geïnterviewd om de aanvalsstrategieën van fraudeurs in kaart te brengen. Daarnaast zijn verstoringsmogelijkheden van aankoopfraude geïdentificeerd aan de hand van interviews met experts uit binnen- en buitenland. Tevens is deskresearch verricht naar de juridische zorgplicht van partijen die een rol spelen in de aanvalsstrategieën.

De vier meest voorkomende criminele methoden (crimescripts) van internationale aankoopfraude zijn: (1) het plaatsen van een online advertentie; (2) het opzetten van een valse webshop; (3) het misbruiken van een account of naam; en (4) het reageren op een zoekadvertentie.

Het is belangrijk dat de politie – in samenwerking met partners– voortdurend op zoek gaat naar mogelijkheden om daders en crimescripts bij aankoopfraude op internet te verstoren. Proactieve maatregelen zijn in potentie effectiever dan opsporing. Het onderzoek biedt maatregelen die gebruikt kunnen worden gericht op verschillende partijen: de koper, andere betrokken partijen en internationale actoren.

De eerste strategie is gericht op het weerbaarder maken van internetters. De tweede strategie richt zich op het versterken van controles. Voor deze strategie spelen enerzijds de partijen in het fraudeproces een belangrijke rol, zoals het identificeren en verifiëren van klanten. Anderzijds is een rol weggelegd voor overheids- en/of brancheorganisaties en wordt ingezet op het invoeren van echtheidskenmerken. De derde strategie richt zich op het versterken van Europese samenwerking. Er worden verschillende verstoringsmogelijkheden gepresenteerd om deze strategieën uit te voeren.

In het juridische kader wordt de zorgplicht van betrokken partijen behandeld. Een particulier of consument heeft een aantal mogelijkheden om zijn recht te halen. Een van deze manieren is door een handhavingsverzoek in te dienen tegen de fraudeur bij de Autoriteit Consumenten Markt. Tussenpersonen zoals Internet Service Providers en banken aansprakelijk stellen is lastig.

Met alle betrokken partijen samen kan internationale aankoopfraude als lucratieve verdienmodel gedwarsboomd worden. Vanwege de complexiteit van het probleem bestaat dé oplossing niet, maar zijn er wel oplossingsrichtingen die het probleem verkleinen. De aangereikte verstoringsmogelijkheden bieden handvaten daarvoor en kunnen in de praktijk worden gebruikt door klanten, binnen- en buitenlandse betrokken partijen en overheidsinstanties.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker Jurjen Jansen: j.jansen@nhl.nl
- Onderzoeker Saskia Westers: saskia.westers2@nhl.nl


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Aankoopfraude vanuit het buitenland: Alternatieven voor opsporing’ (PK99)

Door: Jurjen Jansen, Saskia Westers, Suzanna Twickler, Wouter Stol.
Politiekunde 99, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Geef politie meer helderheid over kaders waarbinnen te handelen

Gepubliceerd op

‘Grijs vakmanschap? Taakgerelateerd ongeoorloofd handelen binnen de politie.’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Politieagenten schenden soms regels, niet zozeer voor persoonlijk gewin, maar om eenvoudiger, sneller of doelgerichter te kunnen optreden. Dit kan echter negatieve gevolgen hebben voor de legitimiteit van het politieoptreden, zeker op langere termijn en als het gedrag structureel is. Het Expertisecentrum Veiligheid van Avans Hogeschool deed onderzoek naar het zogenoemde taakgerelateerd ongeoorloofd handelen (TOH) door politiemensen: het overtreden van regels en formele afspraken met het oogmerk te handelen op een manier die ten goede komt aan de politiële taakuitvoering. Zij keken hoe deze schendingen zich in de praktijk manifesteren en welke verklaringen ervoor bestaan. Het onderzoek vond plaats in opdracht van het programma Politie en Wetenschap en wordt vandaag gepubliceerd.

Het onderzoek naar taakgerelateerd ongeoorloofd handelen is uitgevoerd binnen een regionale eenheid en was hoofdzakelijk gericht op de basispolitiezorg. De uitvoering van het onderzoek was als volgt: er zijn klachten en interne onderzoeken bestudeerd, er zijn agenten geobserveerd bij het uitvoeren van hun werkzaamheden en er zijn interviews gehouden met politieagenten van verschillende basisteams, teamchefs, interne onderzoekers, klachtbehandelaars, een parketsecretaris en een hoofdofficier van justitie.

TOH blijkt verbonden te zijn met voor agenten alledaagse werkzaamheden, zoals verkeerscontroles, fouilleringen en inbeslagnames. In het onderzoeksrapport zijn vormen van TOH geordend in categorieën en is casuïstiek beschreven. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van overdadig handelen, selectief optreden of een informele manier van afhandelen.

Er wordt ingegaan op verschillende factoren die bijdragen aan TOH, zoals de vaardigheden van agenten, leiderschap binnen de organisatie en ontwikkelingen in de samenleving. De context waarbinnen wordt opgetreden blijkt een belangrijke invloed te hebben op TOH.
Deze publicatie is bedoeld als discussie- en reflectiemateriaal voor gebruik in het politieonderwijs en binnen basisteams. De gevarieerde casuïstiek laat zien waarom politieagenten soms besluiten om bepaalde regels niet na te leven in het belang van de taak. Hoewel ‘grijs’ kunnen denken en handelen soms nuttig kunnen zijn om het politievak op een gedegen manier te kunnen uitoefenen, blijft het ongeoorloofd en mogen de negatieve gevolgen van TOH niet worden onderschat.

Het onderzoek laat zien dat het belangrijk is om te investeren in de kennis en vaardigheden van politieambtenaren en (meer) helderheid te geven over de kaders waarbinnen moet worden gehandeld. Bewustwording over het fenomeen helpt de politie om TOH zo veel mogelijk te beperken.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Serge Mouthaan (Persvoorlichter) 06-51549587 / 088-5258656

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Grijs vakmanschap? Taakgerelateerd ongeoorloofd handelen binnen de politie‘ (PK100)

Door: R.C. van Halderen. Politiekunde 100, Politie en Wetenschap, Den Haag;
Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Meer bewustwording nodig zorg voor kinderen bij aanhouding ouders

Gepubliceerd op

‘Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders. Best practices uit binnen- en buitenland.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Wat gebeurt er met kinderen als hun ouders worden aangehouden bij een politie-inval in een woning? Heeft het aanhoudingsteam een protocol voor de omgang met zulke kinderen, voor wie de aanhouding heel beangstigend en traumatisch kan zijn? In een nieuwe uitgave van Politie en Wetenschap beschrijft Joni Reef, universitair docent aan de Universiteit Leiden, hoe deze zorg in binnen- en buitenland is geregeld, welke werkwijzen succesvol zijn en waar de knelpunten zitten.

In 2018 riep de Raad van Europa de politie in alle 47 lidstaten op om adequater om te gaan met aanhoudingen waarbij kinderen aanwezig zijn. Zo moet de aanwezigheid van kinderen bij de aanhouding worden vermeden, en als dat niet mogelijk is moet de aanhouding ‘kindvriendelijk’ worden uitgevoerd. Voor dit soort gevoelige aanhoudingen is in Nederland geen officiële politieprocedure. Daar komt bij dat lang niet alle politie-invallen zorgvuldig zijn gepland en er soms weinig voorbereidingstijd is.

In Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders beschrijft Reef samen met onderzoeker Naomi Ormskerk welke partijen er betrokken zijn bij een aanhouding, waar politieteams mee te maken krijgen wanneer er kinderen bij een aanhouding betrokken zijn, welke keuzes de politiemensen moeten maken en wat op dit moment goed werkt. De onderzoekers spraken onder meer met slachtoffers van wie ouders zijn opgepakt, politiemensen, medewerkers van Veilig Thuis (VT) en van het Crisis Interventie Team (CIT).

Zowel voor, tijdens als na de aanhoudingen blijken er knelpunten te zijn waarbij kinderen betrokken zijn. Zo is er bij dergelijke aanhoudingen vaak geen zorgspecialist aanwezig en treft de politie soms ook onverwacht kinderen aan bij een aanhouding. Reef en Ormskerk concluderen onder andere dat er meer bewustwording moet komen op het gebied van de zorgbehoefte van kinderen. Ook is er meer samenwerking nodig tussen instanties die betrokken zijn bij de situatie van het kind wiens ouders worden aangehouden.

Wel is er steeds meer aandacht voor de positie van kinderen bij een aanhouding. Bij ongeplande aanhoudingen waarbij kinderen aanwezig blijken te zijn, maakt de politie vaker een melding bij VT en in toenemende mate wordt gekeken of een aanhouding kan plaatsvinden zonder dat daar kinderen bij aanwezig zijn. Mocht de aanwezigheid van kinderen toch niet te vermijden zijn, dan stellen de onderzoekers dat het belangrijk is dat de politie tijdens de aanhouding de tijd neemt om aan de kinderen uit te leggen dat het niet hun schuld is en dat het gebruik van handboeien en grove taal zoveel mogelijk moet worden vermeden.

Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders is een publicatie in de reeks Politiekunde van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap. Deze publicaties bestaan uit concrete handelingen, modellen en werkwijzen die direct te gebruiken zijn voor de politiepraktijk.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- dr. Joni Reef: 071-527 85 96

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders. Best practices uit binnen- en buitenland' (PK98)

Door: Dr. J (Joni) Reef, Drs. N (Naomi) Ormskerk (Universiteit Leiden)
Politiekunde 98, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Er is niets mis met het gezag van de politie op straat

Gepubliceerd op

Politiestraatgezag en (on)gehoorzaam burgergedrag.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Veruit de meeste burgers doen wat de politie van hen vraagt. Maar liefst 92% van de 210 mensen in een onderzoek van Crisislab gehoorzaamden aan alle oproepen van de politiefunctionaris. Veruit de meeste mensen (82%) deden dit ook nog eens zonder protest. Dit staat haaks op het overheersende beeld dat het gezag van de politie in toenemende mate in het geding is. Crisislab deed het onderzoek naar het gezag op straat van de Nederlandse politie in opdracht van Politie en Wetenschap. Uit het onderzoek blijkt ook dat het vragen om medewerking in plaats van het geven van een bevel leidt tot significant meer gehoorzaamheid.
 
De onderzoekers zijn in het onderzoek met politiemensen van acht basisteams tijdens hun dienst meegelopen en hebben interacties tussen politiemensen en burgers geobserveerd. Ook is de motivatie van (120 van de 210) burgers om wel of niet te gehoorzamen gepeild aan de hand van flitsinterviews na afloop van de (on)gehoorzaamheidsinteracties. Zo is gekeken welke factoren bepalend zijn voor gehoorzaamheid en wat de motivatie van burgers is om te gehoorzamen.

Het vragen om medewerking door de politiefunctionaris heeft effect. Het geven van een ‘bevel’ door de politiefunctionaris blijkt juist tot significant minder gehoorzaamheid bij de burger te leiden. Een grote meerderheid van de respondenten (91%) vond overigens dat de politiefunctionarissen tijdens de interactie beleefd tegen hun waren. Andere factoren die zijn onderzocht blijken niet van significante invloed op de mate van gehoorzaamheid te zijn, zoals ervaring, geslacht of huidskleur van de politiefunctionaris. Ook het wel of niet dragen van een pet heeft geen duidelijke invloed. Opvallend is dat het geven van uitleg bij de oproep niet tot meer (of minder) gehoorzaamheid leidt, terwijl dit in eerdere studies wel wordt gesuggereerd.

Innerlijke overtuiging is het belangrijkste motief voor burgers om te gehoorzamen en niet te protesteren: men voelt een geïnternaliseerde verplichting om te gehoorzamen en vindt het vervolgens niet passen om tegen, in dit geval, de politie te protesteren die gewoon zijn werk doet.

De onderzoekers geven aan dat de Nederlandse politie er goed aan doet haar straatgezag te koesteren door in opleiding en procedures te wijzen op het belang van een respectvolle omgang met burgers.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Astrid Scholtens, Crisislab: 06-10525780

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Politiestraatgezag en (on)gehoorzaam burgergedrag’. (PW112)

Door: A. Scholtens, M. Helsloot, I. Helsloot. Politiewetenschap 112, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Dragen van bodycam kan bijdragen aan veiligheid van politie op straat

Gepubliceerd op

Focus. Evaluatie pilot bodycams Politie Eenheid Amsterdam 2017-2018

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Het dragen van bodycams door de politie kan zowel leiden tot een afname van geweld tegen deze politiemensen als een verhoging van hun gevoel van veiligheid. Dit blijkt uit een pilot met circa honderd bodycams die de politie eenheid Amsterdam in 2017 en 2018 deed. De pilot is een van de ruim dertig ‘proeftuinen’ in heel Nederland, bedoeld om uit te vinden of de bodycam aan de standaarduitrusting moet worden toegevoegd. Elke proeftuin heeft een eigen doel: in de Eenheid Amsterdam was het doel het vergroten van het veiligheidsgevoel van politieambtenaren in de basispolitiezorg en het verminderen van geweld tegen politieambtenaren. De evaluatie werd uitgevoerd door Sander Flight in opdracht van het programma Politie en Wetenschap.

Er zijn ruim duizend enquêtes ingevuld en ongeveer honderd diepte-interviews gehouden. Verder zijn interne registraties van geweldsincidenten gebruikt, evenals logfiles over het gebruik van de bodycams en het aantal gemaakte opnames. Ook hebben de onderzoekers diensten meegedraaid om met eigen ogen te zien hoe de bodycam in de praktijk werkt. Er werd gewerkt met een experimentele groep politiemensen die gedurende de proef een bodycam droeg en een controlegroep die dat niet deed – het is voor het eerst dat er in Nederland een onderzoek naar bodycams is gedaan dat aan deze hoge wetenschappelijke onderzoeksstandaard voldoet.
In de teams zonder bodycams – de controlegroep – is het veiligheidsgevoel niet veranderd. Van degenen die vaak een bodycam droegen zei 15% dat ze zich (veel) veiliger voelden dan drie maanden eerder.

Geweld tegen politieambtenaren is in de teams met bodycams ook significant afgenomen. Dat geldt voor elk van de drie onderzochte indicatoren: lastig gedrag, serieuze bedreigingen en lichamelijke agressie. Bij serieuze bedreigingen daalde het percentage slachtoffers van 74% naar 57%. In de controlegroep was geen verschil te zien. Door de experimentele onderzoeksopzet is de conclusie gerechtvaardigd dat de bodycam de oorzaak is van de verbeterde veiligheid.

Er is in de pilot ook onderzocht in hoeverre instructies en begeleiding ertoe doen. Het leidende principe in deze pilot was vrijwilligheid bij het gebruiken van de bodycam en het al dan niet maken van opnames. Dit leidde ook tot een zekere mate van vrijblijvendheid. Een kwart van de bodycamgebruikers heeft bijvoorbeeld geen training gehad over de bodycam en de helft kreeg geen uitleg over de richtlijnen en toegang tot de opnames. Om te zien wat het effect is als alle agenten de bodycam dragen in plaats van alleen vrijwilligers, hebben de onderzoekers in een wijkteam een ‘proef binnen de proef’ gedaan. Daarbij is zes maanden lang alles in het werk gesteld om het gebruik maximaal te stimuleren: trainingen, persoonlijke begeleiding, nieuwsflitsen, snel repareren van technische gebreken. Het gebruik van de bodycam verzesvoudigde in drie maanden tijd en in geen enkel ander team waren de richtlijnen zo bekend of werden ze zo goed nageleefd. Het belangrijkste ingrediënt voor dit succes waren de actieve kerninstructeurs die vragen konden beantwoorden, misverstanden en angsten wegnemen, en die technische problemen razendsnel oplosten voordat ze tot negatieve verhalen in de wandelgangen konden leiden.
Dit onderzoek levert het bewijs dat bodycams een positief effect hadden: er werd minder geweld tegen politieambtenaren gepleegd. Andere organisaties die overwegen bodycams te gebruiken zouden wel eerst hun eigen situatie goed moeten vergelijken met die van de politie in Amsterdam. De fysieke, technische en beleidsmatige context van de uitrol kan van invloed zijn op de resultaten. Door de opzet van deze pilot kon niet worden gemeten wat de waarde is van live streaming van beelden naar een toezichtcentrale of over het gebruik van opnames na incidenten. Deze onderwerpen worden in andere pilots onderzocht.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Sander Flight: 06-41315432


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Focus. Evaluatie pilot bodycams Politie Eenheid Amsterdam 2017-2018 ‘(PW93a)

Door: S. Flight. Politiewetenschap 93a, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Handhaving verbod Outlaw Motorcycle Gangs op de tocht

Gepubliceerd op

Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie & Wetenschap.

Outlaw Motorcycle Gangs (OMGs) zijn broeinesten van individuele misdaad en georganiseerde criminaliteit, aldus de Minister van Justitie en Veiligheid. Om aan deze clubs een stevig halt toe te roepen, initieert hij in 2012 een integrale bestrijdingsmethode: met alle denkbare middelen bemoeilijkt dan wel dwarsboomt de overheid het functioneren van OMGs. Sommige van de omstreden motorclubs zijn inmiddels verboden. Wat de consequenties van een verbod zijn, is echter onduidelijk. Mogen leden bijvoorbeeld niet meer samenkomen en is het hen niet langer toegestaan om hun clubkleding in het openbaar te dragen? De Nederlandse wet is – anders dan bijvoorbeeld de Duitse en Franse wet – op dit punt allesbehalve helder. Tot onder meer deze conclusie komen onderzoekers van het Centrum voor Openbare Orde & Veilig-heid van de Rijksuniversiteit Groningen in een onderzoek dat zij uitvoerden in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. 

Integrale aanpak
In 2012 start de minister van Veiligheid en Justitie de integrale aanpak van OMGs. Hiermee pakt de overheid in vrijwel al haar geledingen deze motorclubs aan. OMG-leden krijgen ontslag dan wel ondervinden weerstand bij gevoelige particuliere functies zoals die in de beveiligingsbranche. Vergunningen voor clubevenementen en clubhuizen worden geweigerd. Bestaande clubhuizen gaan dicht of zelfs tegen de vlakte. Om het vergaderen in cafés en huurwoningen te beletten, oefenen lokale overheden druk uit op horeca-uitbaters en woningcorporaties. Aan de strafrechtelijke vervolging van leden van OMG-leden voor misdrijven als diefstal, belastingfraude, geweldsdelicten en deelneming aan een criminele (drugs)organisatie verleent het Openbaar Ministerie (OM) prioriteit. En het OM verzoekt de rechter om OMGs te ontbinden en te verbieden.

Verbod en handhaving verbod
In de afgelopen twee jaar verbood de rechter Bandidos, Catervarius en Satudarah. Hells Angels en No Surrender wacht waarschijnlijk eenzelfde lot. De gevolgen van een verbodenverklaring zijn echter slechts summier geregeld in artikel 140 lid 2 van ons Wetboek van Strafrecht. Die bepaling stelt strafbaar ‘de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie.
In de wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur wordt heel verschillend gedacht over de betekenis van deze woorden. Mede hierdoor is het allerminst duidelijk wanneer een persoon zich aan dit misdrijf schuldig maakt. Valt het dragen van clubkleuren en -tatoeages in het openbaar hier bijvoorbeeld onder? Mogen OMG-leden niet langer vergaderen op voor publiek toegankelijke plaatsen? En is het leden niet toegestaan een nieuwe club op te richten?
Anders dan in Nederland bevat de wetgeving van Duitsland, Frankrijk en Australië (Queensland) gedetailleerde en concreet omschreven bepalingen met daarin vastgelegd welke handelingen en gedragingen in elk geval strafbaar zijn na een clubverbod. Het meest sprekende voorbeeld is het Duitse ‘Kenzeichenverbot’ op basis waarvan het uitdrukkelijk is verboden tekens te voeren die refereren aan een verboden organisatie.

Onderzoeksmethoden
De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd op klassiek-juridisch onderzoek naar het Nederlandse, Duitse, Franse recht en het recht van de Australische staat Queensland inzake de aanpak en het verbieden van onrechtmatige organisaties. Het onderzoek bevat eveneens een empirisch-juridische component: 41 personen van gemeenten, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie en andere professionals zijn met behulp van semigestructureerde interviews bevraagd op de integrale aanpak van OMGs in de praktijk, de mogelijkheden tot handhaving van een organisatieverbod en de wenselijkheid van gedetailleerdere regelgeving over de gevolgen van een verbod volgens het Nederlandse recht.

Aanbevelingen
De onderzoekers bevelen aan het huidige verbodsregime te voorzien van een solidere wettelijke basis in lijn met de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen. Ook roepen zij op tot een herbezinning op het instrumentarium van de integrale aanpak als hiervoor een wettelijke basis ontbreekt.


Nadere informatie:

Van de zijde van de onderzoekers:
- J. Koornstra – j.koornstra@rug.nl / 050 363 2994
- B. Roorda – b.roorda@rug.nl
- M. Vols – m.vols@rug.nl
- J.G. Brouwer – j.g.brouwer@rug.nl

Van de zijde van Politie & Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

J. Koornstra, B. Roorda, M. Vols & J.G. Brouwer, Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief, (Politiewetenschap 111, Politie en Wetenschap Den Haag); Den Haag, Sdu Uitgevers 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl.

 

Noodhulp van politie kan efficiënter georganiseerd worden

Gepubliceerd op

Naar een efficiëntere noodhulp?

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Het reageren op spoedeisende meldingen is een belangrijke taak van de politie. Een uitdaging waarmee de politieorganisatie worstelt is hoe deze noodhulp efficiënter georganiseerd kan worden. Ofwel: hoe organiseer je een betere benutting van de wachttijd tussen de spoedeisende meldingen door, zonder dat dit ten koste gaat van de reactietijd en de afhandeling van meldingen. Deze vraag is des te belangrijker nu de politie een grote druk op haar capaciteit ervaart. Vandaag wordt een onderzoek gepubliceerd waarin verslag wordt gedaan van enkele experimenten met de organisatie van de noodhulpfunctie. Het onderzoek is uitgevoerd door Crisislab in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. Doel was om een werkwijze voor de noodhulpfunctie te ontwikkelen die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.

De noodhulporganisatie moet 24/7 paraat staan om te reageren op spoedeisende meldingen. In de basisteams van de politie is met een interne breed samengestelde werkgroep nagedacht over deze noodhulpfunctie en mogelijke werkwijzen om dit efficiënter vorm te geven. Daartoe werden twee hoofdrichtingen onderscheiden.

De eerste hoofdrichting is om politiemensen die beschikbaar moeten zijn voor noodhulpmeldingen (de noodhulpteams), door gerichte sturing met werkopdrachten meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede hoofdrichting is het opheffen van specifieke noodhulpteams door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris. Iedereen rijdt meldingen. Hierbij wordt samengewerkt met de meldkamer.

De werkwijzen zijn in drie basisteams van de politie tijdelijk geïmplementeerd en aan de hand van een meting voor en na het experiment (een nul- en éénmeting) op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.  Daarnaast hebben de onderzoekers de uitvoering van de werkwijzen geobserveerd en er is aan de politiemedewerkers via een vragenlijst na hun dienst gevraagd wat zij vonden van de nieuwe werkwijze.

Een eerste conclusie is dat politieleidinggevenden nog niet echt uit de voeten kunnen met het formuleren van werkopdrachten tussen meldingen door en dat het operationeel aansturen van medewerkers niet goed van de grond kwam in de experimenten. De eerste hoofdrichting lijkt daarmee op dit moment weinig kansrijk.

Het opheffen van de aparte noodhulpteams blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Deze werkwijze vraagt wel weer om een andere organisatie van het overige werk, zodat voldoende zinvol werk gevonden kan worden voor de medewerkers.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Astrid Scholtens: 06-10525780 a.scholtens@crisislab.nl
- Ira Helsloot: 06-51188627 i.helsloot@crisislab.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Naar een efficiëntere noodhulp?’. (PW110)

Door: A. Scholtens, I. Helsloot, Politiewetenschap 110, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Wijkagenten: continuïteit in werk bij organisatorische turbulentie

Gepubliceerd op

‘Wijkagenten en veranderingen in hun dagelijks werk’.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De wijkagent komt in Nederland in toenemende mate onder druk te staan door een steeds complexer wordende taak. De afgelopen jaren heeft de wijkagent te maken gehad met vele organisatorische veranderingen, deels samenhangend met de komst van de Nationale Politie in Nederland. De wijkagent neemt een centrale positie in binnen de Nederlandse politie. Daarbij zijn de ambities en de verwachtingen over wat wijkagenten zouden moeten (nog) verder toegenomen. Zij moeten zich nu bijvoorbeeld ook bezig houden met relatief nieuwe problemen zoals ondermijnende criminaliteit, tekenen van radicalisering of de vaak complexe problematiek van ‘verwarde’ personen. Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit in opdracht van het programma Politie en Wetenschap. Ondanks de veranderingen ten opzichte van tien jaar geleden valt vooral de grote mate van continuïteit op in het werk en de werkwijzen van wijkagenten.

De onderzoekers hebben tien jaar geleden al eens onderzoek gedaan naar het dagelijks werk van wijkagenten. In de vandaag gepubliceerde studie ligt de nadruk op de diepgang en het detail in het dagelijks werk van wijkagenten. Om die reden hebben langdurige observaties plaatsgevonden bij een beperkt aantal wijkagenten op verschillende locaties in Nederland. De bevindingen bieden een goed inzicht in de dagelijkse professionele taken van de wijkagent anno 2018.

De afgelopen decennia heeft het gebiedsgebonden werken binnen de Nederlandse politie een steeds belangrijker plaats gekregen. Ook in de plannen van de Nationale Politie werd aan de lokale inbedding van de politie groot belang toegekend. Ondanks de invoering van een nationaal politiebestel en de komst van de basisteams valt in de praktijk vooral de continuïteit op in het werk en de werkwijzen van wijkagenten. Op grote lijnen is hun werk niet erg veranderd in de afgelopen jaren. De nadruk in het werk van wijkagenten ligt nog steeds op nabijheid, aanspreekbaarheid, persoonlijk contact met bewoners, op veelal informele samenwerking met andere instanties en het bij voorkeur direct reageren op uiteenlopende problemen in wijk, buurt of dorp. Er is wel sprake van een grote variëteit in de werkwijzen die wijkagenten in de praktijk hanteren.

Tegelijk worden wijkagenten geconfronteerd met stijgende verwachtingen en ambities over wat zij in hun werk zouden moeten doen. Zo zouden zij volgens de plannen meer ‘probleemgericht’, ‘informatiegestuurd’ en ‘contextgedreven’ moeten werken. In de praktijk blijkt het vaak lastig deze ambities te verwezenlijken. Dat hangt deels samen met de vaak wat geïsoleerde positie van wijkagenten en de nadruk die in de basisteams vaak ligt op het noodhulp-werk. Daar komt bij dat de problemen waarop wijkagenten zich moeten richten in de loop van de tijd diverser zijn geworden. De afgelopen jaren zijn thema’s als radicalisering, spanningen tussen etnische bevolkingsgroepen, ‘ondermijnende criminaliteit’ en de uitwassen van de wereldpolitiek op wijkniveau op hun agenda gezet. Wijkagenten hebben bovendien te maken met de complexe en tijdrovende problematiek van ‘verwarde’ personen. Van wijkagenten wordt verwacht dat zij bovenstaande problemen in een vroegtijdig stadium onderkennen en signaleren en bijdragen aan het voorkomen en oplossen daarvan. Daarmee stijgen de verwachtingen, zowel bij bestuur, leiding, bevolking als media over wat wijkagenten zouden moeten doen en kunnen. Dat kan voor spanning zorgen gegeven de grenzen aan beschikbare middelen en capaciteiten.

Ondanks het feit dat de wijkagent binnen de Nederlandse politie niet meer is weg te denken, blijft zijn positie vaak wankel en tegenstrijdig. Van meerdere kanten wordt toenemend aan de wijkagent getrokken. In dit onderzoek wordt dan ook gepleit voor verdere professionalisering van en steun voor wijkagenten in hun dagelijks werk.    

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker Prof.dr.ir. J. (Jan) Terpstra: 024-3612495 (E: j.terpstra@jur.ru.nl))


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Wijkagenten en veranderingen in hun dagelijks werk.’ (PW109)

Door: J. Terpstra m.m.v. A. Evers. Politiewetenschap 109, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Bestuurlijke aanpak van onveiligheid krijgt meer straffend karakter

Gepubliceerd op

‘Bestuurlijke bevoegdheden, politie en de lokale aanpak van onveiligheid’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Nieuwe bevoegdheden van burgemeesters voor de aanpak van lokale overlast en criminaliteit brengen gemeenten in een meer straffende rol. Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het straffen van criminelen staat bij de toepassing van bestuurlijke bevoegdheden steeds meer centraal. Veel politiemensen, die bij de inzet van de bevoegdheden een belangrijke rol spelen, verwachten van de bestuurlijke aanpak dat criminelen zo harder kunnen worden aangepakt. In hun ogen compenseert dit het falen van het strafrecht. Zij leggen de verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke aanpak nu volledig bij gemeenten en positioneren zich daarmee op afstand van gemeenten. Hierdoor schiet volgens gemeenten de informatie van de politie vaak tekort. Aandacht zou moeten worden besteed aan het verkleinen van de afstand en bevordering van de samenwerking. 

Nederlandse gemeenten hebben de laatste 25 jaar steeds meer bevoegdheden gekregen voor de bestrijding van lokale overlast en (dreigende) criminaliteit. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van gebiedsverboden, woningsluitingen en Bibob-onderzoeken. In dit onderzoek is nagegaan hoe deze bevoegdheden in de praktijk worden toegepast. Welke rol speelt de politie daarbij en welke gevolgen heeft de toepassing van deze bevoegdheden voor het lokale politiewerk? Dit is gedaan door bij vijftien gemeenten interviews af te nemen met betrokken gemeentemedewerkers en politiemensen. Daarbij zijn ook tien gevallen waarin burgemeestersbevoegdheden zijn toegepast, bestudeerd. 

Dit onderzoek laat zien dat de bestuurlijke aanpak van overlast en criminaliteit niet alleen wordt gebruikt voor herstel van de openbare orde, maar dat ook bestraffing en bevordering van strafrechtelijke vervolging wordt nagestreefd. Dit roept de vraag op of deze bevoegdheden wel worden gebruikt op een wijze zoals oorspronkelijk bedoeld. 

De politie speelt bij de toepassing van burgemeestersbevoegdheden een cruciale rol. Deze studie laat zien dat zij vaak het initiatief neemt problemen van overlast en criminaliteit aan te pakken met behulp van bestuurlijke bevoegdheden. De politie voorziet de gemeente daartoe van informatie. Volgens veel politiemensen kost deze aanpak, in vergelijking met strafrechtelijke procedures, weinig werk en kunnen criminelen toch worden aangepakt. De bestuurlijke aanpak levert in de ogen van veel politiemensen snelle en zichtbare interventies op die kunnen dienen als alternatief voor het ervaren falen van het strafrecht. Toch richt een deel van de politiemensen zich vooral op een strafrechtelijke aanpak. Zij zien voor zichzelf een beperkte rol weggelegd bij de bestuurlijke aanpak. Gemeenten zijn echter bij de toepassing van de bevoegdheden in grote mate afhankelijk van de informatie die zij van de politie krijgen. Deze schiet volgens gemeentemedewerkers regelmatig tekort. Een deel van de gemeenten probeert daarom de eigen rol en positie bij de aanpak van lokale veiligheidsproblemen uit te breiden. Dit versterkt het ook eerder gesignaleerde beeld van een straffende burgemeester.   

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers:
- Renze Salet, Radboud Universiteit Nijmegen, 024-3612494 (r.salet@jur.ru.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Bestuurlijke bevoegdheden, politie en lokale veiligheidszorg (PW107)

Door: Renze Salet en Henny Sackers, Politiewetenschap 107, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl 

 

Samenwerking politie en burgers heeft soms ongewenste effecten

Gepubliceerd op

‘Politie en actief burgerschap: een veilig verbond? Een onderzoek naar samenwerking, controle en (neven)effecten’.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De politie werkt steeds vaker samen met burgers op het terrein van veiligheid, toezicht en openbare orde, maar dit heeft niet alleen maar positieve effecten. De ruimte die burgers claimen – bijvoorbeeld via buurtpreventieteams en app-groepen – kan leiden tot onrechtmatigheden en risico’s voor niet-actieve burgers. Dit blijkt uit een uitgebreid etnografisch onderzoek van socioloog Vasco Lub en criminoloog Tom de Leeuw in opdracht van Politie en Wetenschap.
In het onderzoek zijn voor het eerst ook app-data tussen politie en burgers geanalyseerd.
Het onderzoek vond plaats in veilige en onveilige wijken in verschillende gemeenten aan de hand van observaties, interviews en analyse van buurtapp-communicatie. Het laat diverse vormen zien van effectieve samenwerking, bijvoorbeeld op het terrein van heling-aanpak, diefstal en inbraakpreventie. Maar het illustreert tegelijk dat de politie nog vaak op afstand opereert van actieve burgers. De politie is nog vooral gericht op urgente meldingen van actieve burgers, waardoor minder urgente maar waardevolle informatie, over bijvoorbeeld minder zichtbare ondermijnende criminaliteit, onbenut blijft.

Door de ruimte die actieve bewoners claimen én krijgen, wordt de sociale controle van burgers op straat bovendien steeds concurrerender ten opzichte van het toezicht van de politie. Het onderzoek laat zien dat dit tot onrechtmatigheden kan leiden, bijvoorbeeld actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden. De politie is wettelijk bevoegd voor taken rond opsporing, toezicht en handhaving, wordt geacht onpartijdig te zijn, en valt onder de controle van de overheid. Burgers hebben die bevoegdheden niet en handelen – bewust of onbewust – regelmatig ook uit eigen belang.

Als aanbeveling formuleren de onderzoekers dat de politie in de praktijk meer betrokken moet zijn om actief burgerschap op het terrein van veiligheid in goede banen te leiden (niet verslappen of verstoppen). Verder kan de politie zich in onveilige wijken beter richten op haar kerntaken dan op het werven van nieuwe vrijwilligers. Ook kan zij meer gebruik maken van burgerfora om aan gedeelde referentiekaders te werken en het informatiebeheer van digitale communicatiekanalen met burgers zoals buurtapps moet verbeteren.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Dr. Vasco Lub: v.lub@socialeargumentatie.nl
- Dr. Tom de Leeuw: tomdeleeuw84@gmail.com


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Politie en actief burgerschap: een veilig verbond? Een onderzoek naar samenwerking, controle en (neven)effecten’. (PW108)

Door: V. Lub, T. de Leeuw. Politiewetenschap 108, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2019.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Veel signalen van doorgaan met criminaliteit vanuit gevangenissen

Gepubliceerd op

Voortgezet crimineel handelen tijdens detentie: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Onderzoek naar aard, omvang en aanpak.’

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Medewerkers van gevangenissen vangen dagelijks signalen op die volgens hen kunnen wijzen op voortgezet crimineel handelen tijdens detentie (VCHD). Toch heeft het signaleren en opvolgen van VCHD in de dagelijkse praktijk geen hoge prioriteit. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek door onderzoeks- en adviesbureau DSP-groep in opdracht van Politie en Wetenschap. Zo zien medewerkers verdachte geldtransacties tussen gedetineerden, personen uit het criminele netwerk die op bezoek komen bij gedetineerden, drugs die naar binnen worden gesmokkeld, gedetineerden die elkaar afpersen en naar binnen gesmokkelde mobiele telefoons. Mobiele telefoons worden door de inrichtingen beschouwd als belangrijke voorwaarde voor het kunnen plegen van VCHD. Signalen worden niet alleen bij beroepscriminelen opgevangen, maar ook bij andere, soms kwetsbare, gedetineerden. Zij doen dit uit eigen vrije wil of onder dwang van andere gedetineerden. Het ontbreken van eenduidigheid over waar de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de politie en het OM gezamenlijk hun capaciteit op moeten inzetten, maakt het aanpakken van VCHD moeizaam. 

VCHD wordt in dit onderzoek beschouwd als criminele activiteiten van gedetineerden die binnen een inrichting plaatsvinden en die mogelijk een relatie hebben met de buitenwereld. De voorbereidende handelingen of activiteiten die op zichzelf niet strafbaar zijn, maar die wel aanzetten tot, of die criminele activiteiten mogelijk maken, worden in dit onderzoek ook als VCHD beschouwd. Het onderzoek gaat in op de aard, omvang en aanpak van VCHD en bestaat uit een inventarisatie van wat al bekend is over het fenomeen en een verdiepend actieonderzoek in twee Penitentiaire Inrichtingen (PI’s) s en een Justitiële Jeugdinrichting (JJI). 

VCHD is slechts beperkt onderwerp van gesprek in de inrichtingen en het bewustzijn van signalen is gering. In dit onderzoek zijn signalen in kaart gebracht om meer zicht te krijgen op het fenomeen. In de inrichtingen is steeds aan deelnemers gevraagd welke signalen van VCHD zij in de afgelopen periode opvingen. Naarmate het onderzoek vorderde en het inzicht in mogelijke signalen van VCHD bij de deelnemers toenam, nam ook het aantal signalen dat medewerkers meldde toe. Sommige signalen zien zij zelfs zeer frequent tot dagelijks, zoals het bezit van een mobiele telefoon, gedetineerden die zich samen isoleren of opvallend sociaal wenselijk gedrag vertonen. Ook geldstortingen van verschillende gedetineerden naar één rekening worden als verdacht gezien. De conclusie is dat medewerkers vaak signalen zien en daar ook last van hebben, maar er over het algemeen weinig mee wordt gedaan. 

Het signaleren en melden van VCHD staat op gespannen voet met de mentorrol die medewerkers hebben ten aanzien van gedetineerden, waarin het opbouwen van vertrouwen bij gedetineerden en het motiveren van gedetineerden om te werken aan een goede terugkeer in de maatschappij belangrijk is. Ook angst kan een rol spelen bij het niet melden van signalen. Wanneer signalen van VCHD door medewerkers wel worden gemeld, blijft opvolging in veel gevallen uit. De meeste vermoedens van VCHD zijn gebaseerd op zachte signalen en niet op concrete bewijzen. Op zachte signalen wordt zelden verder gerechercheerd, terwijl dit volgens de medewerkers van de inrichtingen een vereiste is om VCHD te stoppen. 

Tegelijkertijd is het voor de politie ondoenlijk om op alle signalen te acteren. Het Gedetineerden Recherche Informatiepunt van de Landelijke eenheid (GRIP) registreert signalen vanuit de inrichtingen, maar heeft zelf geen opsporingscapaciteit en is voor verdere opsporing afhankelijk van de inzet van de eenheden. Wanneer politie eenheden een signaal krijgen van het GRIP over VCHD, wordt daarop vaak geen actie ondernomen. De eenheden geven geen prioriteit aan signalen van mensen die toch al vastzitten, zeker niet als zij al afgestraft zijn en er dus geen lopend onderzoek meer is. Signalen die tijdens het onderzoek werden gemeld bij het GRIP, waren voor de politie geen aanleiding om over te gaan tot verdere opsporing of vervolging. 

Doordat slechts een deel van de signalen wordt gezien en een nog veel beperkter deel wordt gemeld en opgevolgd, is de ruimte voor gedetineerden om zich bezig te houden met VCHD aanzienlijk. Ook werd in dit onderzoek duidelijk dat VCHD niet alleen daders kent, maar ook slachtoffers in de inrichtingen. Minderjarige en kwetsbare gedetineerden, met bijvoorbeeld een (licht) verstandelijke beperking, lopen het risico door medegedetineerden te worden ingezet voor het plegen van VCHD. Dit kan gepaard gaan met bedreiging of afpersing. Zo bestaat het vermoeden onder medewerkers dat veel gedetineerden voorafgaand aan hun verlof onder druk worden gezet door medegedetineerden, waardoor sommige gedetineerden uit angst weigeren met verlof te gaan. Dit laatste heeft op langere termijn ook invloed op de veiligheid van de maatschappij. Minder goede re-integratie kan tenslotte leiden tot een grotere kans op recidive na detentie.

 

NADERE INFORMATIE: 

Van de zijde van de onderzoekers: 

- Paul van Egmond: 06-16110884/ pvanegmond@dsp-groep.nl

- Aniek Verwest: 06-20986096/ averwest@dsp-groep.nl

 

Van de zijde van Politie en Wetenschap:

- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Voortgezet crimineel handelen tijdens detentie: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Onderzoek naar aard, omvang en aanpak‘ (PK97)

Door: Aniek Verwest, Paul van Egmond, Wendy Buysse, Daniel Hofstra. Politiekunde 97, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

 

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website https://www.politieenwetenschap.nl/

 

De politie kan leren van klachten, ook van die op sociale media

Gepubliceerd op

Een klacht is een gratis advies.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

De sociale media zijn een rijke bron voor het vinden van klachten over de politie en ook het directe contact tussen burgers en agenten is een belangrijk kanaal om het ongenoegen van burgers te peilen. Daarnaast beschikken organisaties die bemiddelen bij conflicten over een rijke schat aan informatie over wat leeft onder burgers. De politie kan deze drie kanalen systematisch gebruiken als zij meer vormen van ongenoegen van burgers wil waarnemen en tot leermomenten wil omzetten. Dat is de conclusie van Gabriele Jacobs van de Erasmus Universiteit en haar onderzoeksteam op basis van een onderzoek in opdracht van Politie & Wetenschap.

Klachtbehandeling wordt door de politie gezien als een mogelijkheid om samen met de burger de kwaliteit van het politieoptreden te verbeteren. In dit onderzoek is gekeken welke andere kanalen, naast de klachtenregeling, de politie zou kunnen gebruiken om ‘oog en oor’ te hebben voor de samenleving en een realistisch beeld te krijgen van uitingen van ongenoegen van burgers. Zoals bijvoorbeeld via social media. Tegenwoordig maakt iedereen wel gebruik van facebook of twitter waar men in grote getalen zijn/haar ongenoegen kan uiten. Ook is onderzocht hoe de politie op meerdere niveaus in de organisatie kan leren van klachten.

In het onderzoek is zowel gebruik gemaakt van kwalitatieve als kwantitatieve methoden. Een verkennende, kwalitatieve documentanalyse gaf input voor het vervolg van het onderzoek, net als kwantitatieve analyses van de tientallen jaarverslagen van de klachtencommissies. In het vervolgonderzoek zijn semigestructureerde interviews gehouden met politiemedewerkers, burgers met klachten en met instanties en personen die veel kennis over klachten van burgers hebben. Ook zijn twee gevallen van een sociale media storm geanalyseerd, evenals recensies op een Facebookpagina van de politie.

Een belangrijke bevinding is dat de klachtenregeling van de politie zich richt op een specifieke categorie klachten en bij voorbaat diverse andere categorieën van klachten uitsluit. Burgers hebben meer en ook andere klachten dan die voorzien zijn in de klachtenregeling en zij uiten die klachten via andere kanalen, zoals social media. De politie kan deze kanalen gebruiken als zij meer vormen van ongenoegen van burgers wil waarnemen en tot leermomenten wil omzetten. Verder blijkt dat via de klachtenregeling van de politie op individueel niveau vrij systematisch van klachten geleerd wordt, maar het is belangrijk dat lessen ook op andere niveaus (groep, organisatie) hun weerslag gaan vinden.

Betekent dit dat de politie op iedere tweet moet reageren en ieder ongenoegen in actie moet omzetten? Dit zou volstrekt onmogelijk zijn. Het einddoel zou moeten zijn dat klachten systematisch gebruikt worden als ‘gratis advies’ van de burger om de politiezorg constant te verbeteren. Dit onderzoek kan hier een bijdrage aan leveren door inzicht te bieden in de mogelijkheden.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Prof. Dr. Gabriele Jacobs, 06- 57559341, 010-408 2061 gjacobs@rsm.nl
- Dr. Gabry Vanderveen, vanderveen@law.eur.nl
- Dr. Marja Flory, mflory@rsm.nl


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

Een klacht is een gratis advies.
Door: G. Jacobs,T. Hak, G. Vanderveen, M. Flory, T. Thuis, S. Valkeman, M. Franken. Politiekunde 96, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Politie belangrijke rol in begeleiden WhatsApp-buurtgroepen

Gepubliceerd op

Doe-het-zelfsurveillance. Een onderzoek naar de werking en effecten van WhatsApp-buurtgroepen

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.
 
WhatsApp-buurtpreventiegroepen zijn goed voor de sociale cohesie in de buurt, maar je vangt er nauwelijks boeven mee. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum onderzoek, de Vrije Universiteit en het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van Politie en Wetenschap. De onderzoekers volgden meer dan een jaar zes WhatsApp-buurtgroepen in Almere, Amstelveen, Amsterdam en Tilburg. Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De wijkagent heeft vaak nauw contact met beheerders en blijft zo op de hoogte van wat er speelt in de wijk. Daarnaast kan de politie de WhatsApp-buurtgroepen voeden met informatie over bijvoorbeeld actieve dadergroepen in de buurt, zodat buurtbewoners hiernaar uit kunnen kijken en preventiemaatregelen kunnen treffen. Hier ligt een kans voor de politie om de verbinding met de wijk te verbeteren, in het bijzonder met buurten die gelden als zogenaamde ‘hot spots’ of waar weinig contact is met buurtbewoners.

WhatsApp-buurtgroepen zijn een wijdverspreid fenomeen in Nederland en duizenden Nederlanders helpen mee om hun buurt in de gaten te houden en delen verdachte situaties met elkaar. In hoeverre dit daadwerkelijk bijdraagt aan sociale veiligheid is echter nog nauwelijks onderzocht. Dit onderzoek heeft, op basis van een analyse van chatgeschiedenissen en gesprekken met beheerders en andere buurtbewoners, politie- en gemeentemedewerkers, in kaart gebracht wat zich allemaal afspeelt in deze appgroepen. Ook werd gekeken welke maatschappelijke gewenste en ongewenste gevolgen dit met zich meebrengt.

Uit het onderzoek blijkt dat buurtbewoners elkaar door de WhatsApp-buurtgroepen (beter) leren kennen en dit mondt vaak uit in andere vormen van contact, zoals een buurtbarbecue of een gezamenlijke Facebookgroep. Het initiatief voor deze groepen komt vaak vanuit een enthousiaste buurtbewoner die het beheer op zich neemt en de huisregels in de groep handhaaft.

De invloed van de appgroepen op sociale veiligheid lijkt echter beperkt. Respondenten wijzen vooral op de preventieve werking van de appgroepen om inbraken of andere delicten te voorkomen. Of dit daadwerkelijk zo is, is echter lastig hard te maken. Buurtbewoners delen wel verdachte situaties met elkaar, maar dit heeft slechts in 1 casus (Amsterdam) geleid tot aanhoudingen. Behalve dat buurtbewoners relatief weinig verdachte situaties opmerken, variërend van 0.08 tot 1,5 per maand, melden ze ook niet alle verdachte situaties aan de politie.

Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting te voorkomen. Deelnemers aan de groepen weten hierdoor wat wel en niet geoorloofd is in de groepen en wijzen elkaar hier op. Ongewenste uitwassen zijn we dan ook nauwelijks tegengekomen in de geanalyseerde appgroepen.
De actieve inzet van buurtbewoners voor de veiligheid van hun buurt, roept echter ook verwachtingen op. Buurtbewoners willen graag terugkoppeling ontvangen, wanneer ze een melding doen bij de politie. Uit het onderzoek blijkt dat dit vaak niet gebeurt, waardoor niet duidelijk is op de meldingen opgevolgd zijn door de politie. Ook verwachten buurtbewoners ondersteuning van de gemeente als het gaat om preventiebordjes of -stickers. Per gemeente wordt hier verschillend mee omgegaan en dit kan leiden tot onvrede onder buurtbewoners.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Shanna Mehlbaum: 06-48505790 / shanna@mehlbaumonderzoek.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg, Programma Politie & Wetenschap: 06-118 78 237

‘Doe-het-zelfsurveillance. Een onderzoek naar de werking en effecten van WhatsApp-buurtgroepen (PK95)

Door: Shanna Mehlbaum & Ronald van Steden, m.m.v. Meintje van Dijk. Politiekunde 95, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Interne politieorganisatie stressvoller dan plaats delict

Gepubliceerd op

‘Ik hou het hier wel uit hoor’. Mentale weerbaarheid binnen de districtsrecherche.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Districtsrechercheurs hebben bij de uitoefening van hun werk uiteenlopende manieren gevonden om met voor hun belastende opsporingszaken om te gaan. Dit ligt anders bij het omgaan met de spanning die voortkomt uit de organisatiecontext waarin zij deze onderzoeken uitvoeren. Rechercheurs ondervinden hiervan meer hinder dan van de emotionele en mentale belasting die gepaard kan gaan met het werk op een plaats delict. Dit blijkt uit onderzoek van Twynstra Gudde in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap. Versterking van de ‘interne weerbaarheid’ verdient daarom meer aandacht.

In het onderzoek is gekeken hoe het gesteld is met de mentale weerbaarheid van districtsrechercheurs. Hoe ervaren deze politiefunctionarissen de uitvoering van hun opsporingstaken? Wat motiveert hen om dit werk te doen? Ervaren zij belastende werkomstandigheden en maken zij ingrijpende gebeurtenissen mee? Ook is gekeken of rechercheurs zichzelf kunnen beschermen tegen belastende opsporingsonderzoeken.

Om antwoorden te vinden op deze vragen is een kwalitatief, multimethodisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeker is ruim 240 uur aanwezig geweest in drie districtelijke rechercheteams om gedrag, handelingen en gebeurtenissen in de werkcontext te observeren. Daarnaast zijn interviews gehouden met in totaal 45 rechercheurs en leidinggevenden.

Uit deze empirische studie blijkt dat districtsrechercheurs zich bij de uitoefening van hun werk uiteenlopende copingstrategieën hebben aangeleerd. Deze strategieën passen zij toe om op een positieve manier met de emotionele en mentale belasting van opsporingsonderzoeken om te gaan. Om deze copingstrategieën in hun werk te kunnen toepassen, maken districtsrechercheurs gebruik van verschillende hulpbronnen. Het gaat zowel om individuele vaardigheden van een rechercheur als ook om ondersteunende factoren in zijn of haar team, organisatie of privésituatie.

De rechercheurs hebben meer moeite met het omgaan met spanningen die samenhangen met de politieorganisatie. De dynamiek in hun team en de organisatorische randvoorwaarden waarbinnen zij hun werk moeten uitvoeren, ervaren districtsrechercheurs vaak als een worsteling. Het gaat dan om spanning die samenhangt met een personele bezetting die niet aansluit bij de operationele behoefte, gebrekkige middelen, onprofessioneel en oncollegiaal gedrag van collega’s en leidinggevenden, een beperkt loopbaanperspectief en het gebrek aan opleidingsmogelijkheden. Daarnaast maakt een deel van de rechercheurs zich zorgen over de opsporingscapaciteiten en het gebrek aan bezieling en ambitie in hun team. Men spreekt in dat kader van collega’s die onderpresteren, gemoedelijk hun werkzaamheden uitvoeren en ‘hun tijd uitzitten’. Elkaar hier op aanspreken wordt lastig gevonden. Men voelt handelingsverlegenheid en geeft er doorgaans de voorkeur aan om een eventuele confrontatie te vermijden. Hoewel deze aspecten vaker zijn geconstateerd binnen de Nederlandse opsporing, verzuchten rechercheurs dat er sindsdien nog weinig is veranderd.

In deze studie zijn factoren binnen de districtsrecherche geïdentificeerd die van invloed zijn op de mentale weerbaarheid van rechercheurs. Deze bevindingen bieden handvatten voor de politieorganisatie om de mentale weerbaarheid te versterken. Aangezien de meeste stressoren van organisatorische aard zijn en districtsrechercheurs hier de meeste spanning door ervaren, dient de aandacht dan ook vooral uit te gaan naar de versterking van de ‘interne weerbaarheid’. Daartoe worden in dit onderzoek concrete aanbevelingen gedaan voor rechercheurs, leidinggevenden en de politieorganisatie.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Henk Sollie: 06-83999454 (hso@tg.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg, Programma Politie & Wetenschap: 06-118 78 237

‘‘Ik hou het hier wel uit hoor’. Mentale weerbaarheid binnen de districtsrecherche. (PW106)

Door: H. Sollie. Politiewetenschap 106, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Bij vastzitten steeds vaker schadevergoeding gevraagd

Gepubliceerd op

Vastzitten zonder straf. Over inverzekeringstellingen en schadevergoedingen op basis van artikel 89 Sv.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

De (extra) onderzoekstijd die de politie nodig heeft na aanhouding van een verdachte blijkt een belangrijk reden te zijn voor het in verzekering stellen van verdachten. De ophoudtermijn van zes uur, die tot 1 maart 2017 gold, was voor de politie om diverse redenen steeds vaker te kort. In 2017 is er echter sprake van een forse trendbreuk, namelijk een sterke daling van het aantal inverzekeringstellingen (18 procent). Dit blijkt uit een onderzoek van bureau Ateno in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Gekeken is naar verklaringen voor een stijging tussen 2010 tot 2017 van verdachten die door de politie in verzekering werden gesteld. Ook was er een toename van het aantal gehonoreerde verzoeken tot schadevergoeding voor inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis (voorarrest) door de politie zonder dat er uiteindelijk sprake is geweest van oplegging van een straf of een maatregel.

De wens van de verdachte om bij het eerste verhoor bijgestaan te worden door een advocaat maakt de kans op inverzekeringstelling groter. Dit hangt enerzijds samen met de zwaarte van het feit. Bij zware feiten moet de verdachte een advocaat consulteren. Anderzijds hangt het samen met de tijd die het kost voor de advocaat om ter plaatse te komen en vooraf met de cliënt te overleggen. Dat maakt de kans groter dat de ophoudtermijn niet gehaald wordt.
 
Ook de toenemende beschikbaarheid van digitale sporen en camerabeelden maakt dat er vaak extra tijd voor onderzoek nodig is. Daarnaast is er de zogenaamde ZSM-werkwijze die weinig ruimte meer laat om eenvoudige zaken ook op een relatief eenvoudige manier af te doen. Deze werkwijze heeft in voorkomende gevallen eveneens tijdverlies tot gevolg, en daarmee in sommige gevallen ook een inverzekeringstelling van een verdachte.

De verruiming van de ophoudtermijn van zes naar negen uur per 1 maart 2017 kan de afname van inverzekeringstellingen in 2017 mede verklaren.

De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd van register- en dossieronderzoek en gesprekken met betrokken partijen in de strafrechtketen.

Op basis van hun bevindingen pleiten de onderzoekers onder meer voor een betere aansluiting van de werktijden van de ZSM-tafel op de ‘voor de nachtrust bestemde tijd’ gedurende de ophoudtermijn en invoering van een ZSM-light variant bij bepaalde delicten (bijvoorbeeld winkeldiefstal). Bij een ZSM-light variant hoeven niet langer alle ketenpartners zich te buigen over het voorval of de verdachte in kwestie.
Een optie zou ook kunnen zijn om in voorkomende gevallen simpelweg weer te volstaan met de ‘mini’ (het mini-pv). Dit is een strafbeschikking waarin een geldboete van een bepaald bedrag wordt opgelegd. Tot slot stellen de onderzoekers voor om bij een verdachte die een of enkele dagen zonder de uiteindelijke oplegging van een straf of maatregel heeft vastgezeten, automatisch over te gaan tot het uitkeren van een schadevergoeding aan de gedupeerde in kwestie. Dit is nu niet het geval.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers voor inhoudelijke vragen:
- Peter Kruize (bureau@ateno.nl)
- Paul Gruter 06-43993093 (bureau@ateno.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg: 06-11878237

‘Vastzitten zonder straf. Over inverzekeringstellingen en schadevergoedingen op basis 
van artikel 89 Sv.’ (PW105)

Door: Peter Kruize en Paul Gruter. Politiewetenschap 105, Politie en Wetenschap, Den Haag; SDU Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Te weinig focus op illegale medicijnenhandel

Gepubliceerd op

Een bittere pil. Het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Illegale medicijnenhandel in Nederland is een tot nu toe onderbelichte vorm van criminaliteit waar veel risico’s aan kleven en waar veel geld in om gaat. Dit blijkt uit onderzoek dat Bureau Beke uitvoerde in opdracht van het Programma Politie en Wetenschap. Zij keken naar het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel. Om illegale medicijnenhandel te kunnen bestrijden is meer kennis en awareness nodig bij opsporingsinstanties, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. Omdat de gezondheidssector een belangrijke rol speelt in de illegale medicijnenhandel moeten ook binnen die sector de kennis en awareness worden vergroot. Het boek ‘Een bittere pil’, dat vandaag uitkomt in de reeks Politiewetenschap, kan daar aan bijdragen.

Onderzoeksopzet
Onderzoekers van Bureau Beke hebben op basis van een literatuurstudie, interviews met een groot aantal internationale deskundigen, een analyse van opsporingsonderzoeken en een experimentele methodiek meer inzicht in het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel vergaard.

Illegale medicijnhandel is lucratief
De geneesmiddelenindustrie is een wereldwijde sterk gereguleerde business. Parallel aan de reguliere medicijnenhandel is de illegale medicijnenhandel ontstaan. Simpelweg omdat het een zeer lucratieve vorm van criminaliteit is. Het is een vorm van ondermijnende criminaliteit omdat het de legale farmaceutische sector, de economie en het vertrouwen in de overheid aantast. Bovendien kan het gebruik van illegaal verhandelde geneesmiddelen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen.

In Nederland betreft het probleem van de illegale medicijnenhandel zowel de handel in echte, originele geneesmiddelen op de illegale markt als de handel in vervalsingen. Het gaat voornamelijk om het illegaal verhandelen van kant-en-klaar-producten al dan niet zelf geproduceerd. De middelen die nodig zijn om de producten te vervaardigen worden zowel legaal als illegaal verkregen. De wereldwijde farmaceutische industrie vormt een belangrijke schakel tussen de boven- en onderwereld. De geneesmiddelen worden via straathandel of via webshops verhandeld. In dat laatste geval wordt door de aanbieders gesuggereerd dat de producten legaal zijn.

Illegale medicijnenhandel is verweven met drugshandel en andere vormen van criminaliteit. Bepaalde geneesmiddelen zijn vanwege hun werking interessant voor de drugsmarkt als eindproduct (zoals sterke pijnstillers) of als bestanddeel van versnijdingsmiddelen voor harddrugs (zoals paracetamol). Daarnaast kan de apparatuur, die gebruikt wordt om synthetische drugs te produceren, ook geschikt zijn voor het vervaardigen van (vervalste) medicijnen en kunnen de logistieke routes voor drugs benut worden voor geneesmiddelen.

Aanpak
De geneesmiddelenketen is wereldwijd onoverzichtelijk en criminelen profiteren daar van. Er zijn signalen dat drugscriminelen zich verplaatsen naar de medicijnenhandel omdat het lucratiever is en de pakkans en straffen lager zijn. Doordat opsporingsinstanties gefocust zijn op andere vormen van criminaliteit zien criminelen hun kans schoon om onder de aandacht van politie en justitie te ontsnappen De illegale medicijnenhandel floreert en gevreesd wordt dat deze handel op den duur proporties vergelijkbaar met de handel in drugs kan aannemen. Meer bewustwording en kennis van illegale medicijnenhandel, een betere samenwerking tussen instanties en een focus op de vitale schakels tussen onder- en bovenwereld bieden kansen voor een aanpak. 

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Ilse van Leiden, Bureau Beke: 026 4438619 / 06  55384883 i.vanleiden@beke.nl
- Henk Ferwerda, Bureau Beke: 026 4438619 / 06 54360963 h.ferwerda@beke.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg Tel.: 06-11878237

‘Een bittere pil. Het fenomeen en de aanpak van illegale medicijnenhandel’. (PW 104)

Door: I. van Leiden, A. Lenders en H. Ferwerda (Bureau Beke). Politiewetenschap 104, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Burgemeester buitenspel bij verstoringen via sociale media en internet

Gepubliceerd op

Burgemeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Wanneer er op straat ordeverstoringen plaatsvinden kunnen burgemeesters maatregelen treffen om de veiligheid en orde te herstellen. De burgemeester heeft echter niet zomaar bevoegdheden om ook online in te grijpen. Dat kan leiden tot moeilijkheden bij de handhaving van de openbare orde, omdat de aanleiding voor verstoringen van de openbare orde steeds vaker uitingen op internet zijn. Of het nu gaat om de aanpak van treitervloggers, oproepen tot massale feestjes binnen gemeenten, of online drugswinkels, de burgemeester heeft geen daarop toegesneden bevoegdheden. En dat terwijl dit type problemen juist via het internet razendsnel kan escaleren en preventief ingrijpen op die plek van grote meerwaarde zou kunnen zijn. Dat zijn de belangrijkste conclusies van een onderzoek van de NHL Stenden Hogeschool en de RUG dat is uitgevoerd in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. In het vandaag gepubliceerde onderzoeksrapport worden verschillende toekomstscenario’s aangedragen voor de oplossing van dit probleem.

De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd op een juridische bronnenanalyse van openbare ordebevoegdheden van burgemeesters en op interviews met 33 experts, 14 burgemeesters en een focusgroep met experts.

Drie problemen bij toepassing van bevoegdheden op het internet
Openbare-ordebevoegdheden van de burgemeester zijn niet goed toepasbaar in cyberspace. Dit komt deels doordat deze bevoegdheden zijn geschreven met een fysieke wereld in gedachte. Het gedrag van mensen in een sterk gedigitaliseerde maatschappij laat zich echter steeds moeilijker scheiden in een ‘online’ en ‘offline’ deel. In werkelijkheid zijn die twee werkelijkheden daarvoor te sterk met elkaar verweven.
Bij de toepassing van offline bevoegdheden op online vraagstukken wordt op een drietal knelpunten gestuit. Ten eerste houden digitale dreigingen zich niet aan de fysieke gemeentegrenzen. Een burgemeester mag echter met zijn bevoegdheden van oudsher alleen binnen zijn eigen gemeente optreden. Wanneer iemand uit een andere gemeente oproept tot een massale samenkomst, is de burgemeester van de ontvangende gemeente niet bevoegd om dat te voorkomen. Ten tweede betekent ingrijpen al snel een ontoelaatbare inbreuk op grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting. Preventief ingrijpen via het internet betekent in veel gevallen het aanpassen of verwijderen van berichten van mensen, terwijl de burgemeester daartoe niet bevoegd is. Ten derde is het bij dreigende berichtgeving via het internet lastig om in te schatten wat de gevolgen op straat kunnen zijn. Dat maakt de verantwoording bij een eventueel ingrijpen lastig.

Veel verschillende meningen over de rol van burgemeesters
Het onderzoek laat zien dat burgemeesters en experts binnen het openbaar bestuur wisselend denken over mogelijkheden en wenselijkheid van het online toepassen van de huidige bevoegdheden. Sommigen willen geen bevoegdheden op het internet, omdat ze vinden dat burgemeesters zich verre van uitingen van burgers moeten houden en optreden door het Openbaar Ministerie (strafrecht) meer voor hand ligt. Anderen geven aan dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de openbare orde binnen hun gemeente en dat online dreigingen binnen hun gemeente daar ook onder vallen. Er is bereidheid om te proberen de huidige bevoegdheden in te zetten om vast te stellen waar de grenzen liggen (jurisprudentie creëren). Er zijn ook burgemeesters die de voorkeur geven aan verandering van wetgeving, waardoor ook online ingrijpen door burgemeesters mogelijk wordt gemaakt. Tot slot pleiten sommigen voor de oprichting van een landelijke autoriteit die beter online kan handhaven.

Veel problemen worden opgelost zonder juridische instrumenten
Burgemeesters lossen nu veel openbare-ordevraagstukken op zonder de inzet van formele bevoegdheden, bijvoorbeeld door met mensen in gesprek te gaan of door samenwerking te zoeken met andere burgemeesters en het Openbaar Ministerie. Dit kan een reden zijn om geen extra bevoegdheden te wensen. Daarnaast worden in het onderzoek door de geïnterviewden andere mogelijke oplossingen geopperd. Bijvoorbeeld het indienen van verzoeken aan sociale media tot het verwijderen van berichten of het maken van een tegenvlog wanneer er zaken gebeuren die de burgemeester als onwenselijk bestempelt.

Stappen naar bestuurlijke of strafrechtelijke handhaving van het internet
Gezien de vergaande en toenemende digitalisering van de samenleving en de verwevenheid van de online en offline wereld pleiten de onderzoekers voor het bewuster omgaan met vraagstukken van online ordehandhaving. Oplossingen dienen meer toekomstbestendig te zijn. Er kan al veel  worden gewonnen met de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen burgemeesters en het Openbaar Ministerie. Dit onderzoek heeft daar reeds aan bijgedragen.

Uiteindelijk spelen er echter fundamentele vragen waarop de wetgever een antwoord zal moeten geven. Dat is onder meer de vraag in hoeverre ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is in het kader van de handhaving van de openbare orde en of het de burgemeester moet zijn die de handhaving in een concreet geval ter hand neemt.

 NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Onderzoeker: Dr. W. Bantema (NHL Stenden Hogeschool) – willem.bantema@nhl.nl - 06-29737978
- Onderzoeker: Prof. S. Munneke (Rijksuniversiteit Groningen) - s.a.j.munneke@rug.nl - 050 363 5682

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Burgemeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld. (PW103)

Door: W. Bantema, S.M.A. Twickler, S.A.J. Munneke, M. Duchateau, W.Ph. Stol. Politiewetenschap103, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Terrorismeverdachte lijkt sterk op ‘gewone wetsovertreder’

Gepubliceerd op

Verdachten van terrorisme in beeld. Achtergrondkenmerken, ‘triggers’ en eerdere politiecontacten.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Verdachten van terroristische misdrijven in Nederland hebben vaak al een strafblad en bijna altijd een lage sociaaleconomische positie, zo blijkt uit grootschalig onderzoek van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Wat betreft hun achtergrond lijken terrorismeverdachten sterk op verdachten van misdrijven in het algemeen. Een algemeen risicoprofiel van dé terrorist lijkt daarmee niet te bestaan.

Nu de opsporing en berechting van terroristische misdrijven hoog op de agenda staat, klinkt steeds luider de roep om meer inzicht te krijgen in plegers van dergelijke misdrijven. Het is belangrijk om te weten of er bepaalde triggers zijn – gebeurtenissen die het radicaliseringsproces in gang zetten of versnellen – die mogelijk tot een terroristisch misdrijf leiden. Het NSCR onderzocht in opdracht van Politie & Wetenschap voor het eerst de gehele populatie verdachten van een terroristisch misdrijf in Nederland sinds de invoering van de Wet terroristische misdrijven in 2004. Daarbij zijn demografische en sociaaleconomische kenmerken en betrokkenheid bij andere/eerdere vormen van criminaliteit van in totaal 279 verdachten onderzocht. Dit is gedaan via een koppeling tussen een geanonimiseerde lijst van terrorismeverdachten van het Openbaar Ministerie en bevolkingsgegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Man, 30 jaar, laagopgeleid en vaak eerder in aanraking geweest met politie
Op basis van de onderzoeksresultaten concluderen de onderzoekers dat de verdachten van terrorisme in Nederland doorgaans man (87,5%), gemiddeld 30 jaar en relatief laagopgeleid zijn. Het merendeel van de verdachten heeft een migratieachtergrond. Ook zijn de verdachten iets vaker werkloos dan de gemiddelde Nederlander. Ongeveer tweederde van de verdachten is eerder in aanraking geweest met de politie, waarbij het vaak gaat om relatief veelvoorkomende delicten. Deze risicofactoren komen overeen met risicofactoren voor reguliere criminaliteit. De onderzoekers ontdekten daarnaast een aantal kenmerkende verschillen tussen diverse subgroepen met betrekking tot leeftijd, migrantenstatus, werksituatie en crimineel verleden. Zo blijkt dat verdachten van terroristische misdrijven na de opkomst van Islamitische Staat gemiddeld jonger zijn dan daarvoor en vaker een strafblad hebben.

Welke factoren blijken een triggerfactor?
Daarnaast is geanalyseerd in hoeverre elk van deze factoren afzonderlijk kunnen worden beschouwd als risicofactor of triggerfactor. Daartoe is gekeken naar specifieke gebeurtenissen in het jaar voorafgaand aan de verdenking. De belangrijkste bevinding is dat ruim 10 procent van de verdachten van een terroristisch misdrijf in het jaar voorafgaand aan de verdenking een baan verloor, en dat dit het risico om terrorisme-verdachte te worden significant vergrootte, ook als rekening wordt gehouden met andere factoren. Werkloos raken kan dus worden opgevat als triggerfactor.

Uitkomsten relevant bij tactische beslissingen door politie en justitie
Dit onderzoek draagt bij aan meer inzicht en expertise met betrekking tot deze groep verdachten, die relatief nieuw is voor Nederland. De gevonden factoren kunnen een rol spelen bij tactische beslissingen door politie en/of justitie wanneer eenmaal sprake is van een redelijke verdenking. Duidelijk is echter ook dat de overgrote meerderheid van personen met een bepaalde risicofactor niet betrokken raakt bij terroristische misdrijven. Het is dus niet eenvoudig te voorspellen wie verdachte zal worden van een terroristisch misdrijf en wie niet. Verder (kwalitatief) onderzoek is nodig om vast te stellen wat sommige mensen met bepaalde risicofactoren en triggers drijft in de richting van terrorisme en wat andere mensen, onder vergelijkbare omstandigheden, daarvan weerhoudt.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Elanie Rodermond: 020 598 3492 erodermond@nscr.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Verdachten van terrorisme in beeld. Achtergrondkenmerken, ‘triggers’ en eerdere politiecontacten’. (PW102)

Door: Fabienne Thijs, Elanie Rodermond en Frank Weerman. Politiewetenschap 102, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Een op de drie gemeenten signaleert criminele weldoeners

Gepubliceerd op

Ondermijning door criminele ‘weldoeners’. Inventariserend onderzoek.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Personen met een dubieuze achtergrond proberen regelmatig om zich positief te profileren met het steunen van maatschappelijk nuttige activiteiten. Ze sponsoren sportverenigingen, zitten achter stichtingen voor goede doelen, organiseren evenementen, zijn actief in de zorg, of regelen van alles voor buurtbewoners. Minimaal een op de drie Nederlandse gemeenten kent wel een dergelijke ‘weldoener.’ Dit blijkt uit onderzoek van Tilburg University in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap.

Weldoenerschap biedt personen met een verdachte achtergrond de gelegenheid om hun aanzien in de samenleving te vergroten. Dit was al bekend uit het buitenland. Een voorbeeld is de Colombiaanse drugsbaron Pablo Escobar, die investeerde in sociale voorzieningen, huizen, sportvelden, scholen en allerlei soorten van armenzorg. Ook in Nederland kunnen gemakkelijk voorbeelden worden gevonden, maar tot op heden ontbrak systematisch onderzoek. Het rapport ‘Ondermijning door criminele weldoeners’ laat zien dat het probleem in vrijwel alle grotere gemeenten bekend is. Er zijn ruim 50 casus bestudeerd. Gemiddeld heeft een op de drie gemeenten een criminele weldoener binnen de grenzen.

De belangrijkste vorm is het sponsoren van sportverenigingen, vooral in het voetbal. De financiële steun loopt uiteen van het kopen van een reclamebord tot het betalen van de complete jeugdopleiding. Een variant hierop is het financieren van evenementen. Criminelen blijken daarnaast met stichtingen de meest uiteenlopende goede doelen te ondersteunen. Die stichtingen worden echter ook misbruikt voor criminele activiteiten. Dat geldt ook voor de zorg, waar het regelen van PGB-budgetten voor hulpbehoevenden vaak hand in hand gaat met fraude. Een laatste variant zijn ‘wijkkoningen’, die voor hun buurt en de bewoners allerlei zaken regelen. In ruil daarvoor wordt wel zwijgzaamheid en loyaliteit verwacht.
De achtergrond van weldoeners loopt uiteen. Het gaat bijvoorbeeld om (voormalige) drugscriminelen, leden van motorbendes en louche ondernemers. Hun maatschappelijke activiteiten komen doorgaans aan het licht wanneer er een strafrechtelijk onderzoek tegen ze wordt gestart, of wanneer er klachten binnenkomen. Weldoeners zijn vaak invloedrijk en krijgen van de omgeving lang het voordeel van de twijfel, onder het mom: ‘er is nog nooit iets bewezen.’ Ook de lijntjes naar gemeentebestuurders of raadslieden zijn soms opvallend kort.

Onderzoeken naar criminele weldoeners zijn in de regel slepende zaken. De overheid heeft meestal niet de menskracht en middelen om de aanwijzingen die er zijn, diepgaand te onderzoeken. Er zit om die reden vaak niets anders op dan te wachten tot de criminele weldoener opzichtig in de fout gaat en een strafbaar feit pleegt, voordat maatregelen kunnen worden genomen. Bij gemeenten, maar bijvoorbeeld ook bij sportverenigingen, ontbreekt het nog aan alertheid. Gebrek aan controle op stichtingen is al langer een bekend en serieus probleem.
Het onderzoek heeft tot doel om de bewustwording omtrent het fenomeen te vergroten en te helpen bij het verbeteren van de aanpak van criminele weldoeners.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Toine Spapens: 013 466 3618 (a.c.spapens@uvt.nl)
- Monique Bruinsma: 06 – 464 360 69 (info@bureaubruinsma.nl)

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Ondermijning door criminele ‘weldoeners’. Inventariserend onderzoek (PK93)

Door: Monique Bruinsma, Rik Ceulen, Toine Spapens, m.m.v. Charlotte Deij.
Politiekunde 93, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

 

Wondermiddelen voor tegengaan etnisch profileren niet voorhanden

Gepubliceerd op

Tegengaan van etnisch profileren. Een internationale literatuurstudie naar effecten van interventies

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Voor het tegengaan van etnisch profileren zijn ook in het buitenland geen interventies bekend waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze werken. Dit blijkt uit een internationaal literatuuronderzoek van Twynstra Gudde in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap. Het combineren van verschillende interventies in een samenhangend programma biedt nog de meeste kans op positieve effecten, zo leren de buitenlandse ervaringen. Dit betekent dat de aandacht niet alleen dient uit te gaan naar het gedrag van individuele agenten, maar ook naar beleid en wetgeving.

Sinds de signalen dat etnisch profileren door politieagenten in Nederland voorkomt, is ook het gesprek over het tegengaan van etnisch profileren op gang gekomen. Vooral in de grote steden is het zowel in de lokale politiek als in de politieorganisatie een thema en worden diverse maatregelen of interventies voorgesteld en uitgevoerd. De vraag is welke effecten van deze interventies mogen worden verwacht. Om hier meer gefundeerd inzicht in te bieden, is een internationale literatuurstudie uitgevoerd naar de effecten van en ervaringen met interventies om etnisch profileren door de politie tegen te gaan.

De literatuurstudie brengt systematisch mogelijk relevante interventies en hun aangetoonde effectiviteit in kaart. Het blijkt dat er heel weinig onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van interventies en dat er daardoor in beperkte mate wetenschappelijke kennis beschikbaar is over wat (niet) werkt. Wel concluderen de onderzoekers dat het verstandig is om verschillende interventies te combineren in een brede en samenhangende aanpak en hierbij de nadruk te leggen op de (procedurele) rechtvaardigheid van proactief controleren.

Daarnaast zou men niet alleen aandacht moeten besteden aan het optreden van politieagenten, maar ook oog moeten hebben voor de institutionele structuren waarbinnen dit optreden tot stand komt. De ervaring in het buitenland leert dat teveel eenzijdige aandacht voor het gedrag van individuele agenten leidt tot weerstand en onbegrip bij deze agenten. Dit terwijl juist ook de institutionele inbedding van dit gedrag een belangrijke oorzaak kan zijn. Bijvoorbeeld het repressief veiligheidsbeleid en daarmee samenhangende wetgeving, politiebeleid en aandacht voor prestatie-indicatoren (bijvoorbeeld het aantal verdachten). Een eenzijdige oriëntatie op het gedrag van politieagenten roept tegenkrachten op en vermindert de effectiviteit van interventies.

De literatuurstudie eindigt met enkele aanbevelingen voor de aanpak van etnisch profileren en voor vervolgonderzoek. Zo houdt men een pleidooi voor meer effectstudies naar interventies, waaronder aangeboden trainingen.


NADERE INFORMATIE:
Van de zijde van de onderzoekers:
- Henk Sollie: 06-83999454 | hso@tg.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Tegengaan van etnisch profileren. Een internationale literatuurstudie naar effecten van interventies’. (PW91A)

Door: Wouter Landman & Henk Sollie, Twynstra Gudde. Politiewetenschap 91A, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Belangrijke rol voor wijkagent bij interesseren jongeren voor politie

Gepubliceerd op

Kiezen voor politie. Een onderzoek onder mbo-studenten met een migratieachtergrond in het veiligheidsdomein

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap

Wijkagenten kunnen mogelijk een belangrijke rol spelen bij het interesseren van jongeren met een migratieachtergrond voor politie. Dit komt doordat zij door hun persoonlijk contact met jongeren het beeld van de politie sterk beïnvloeden. Dit blijkt uit onderzoek dat het Verwey-Jonker Instituut heeft uitgevoerd in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap.

Jongeren met een migratieachtergrond kiezen minder vaak voor een politieopleiding dan leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Tegelijkertijd zijn mbo-veiligheidsopleidingen wel populair onder jongeren met een migratieachtergrond. Hoe valt dit verschil te verklaren? En op welke wijze zijn deze jongeren eventueel te interesseren in een opleiding bij politie? Dit waren twee vragen van het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Voor het onderzoek zijn 45 studenten geïnterviewd die momenteel een mbo-opleiding in het veiligheidsdomein volgen, namelijk de opleiding Beveiliger, Coördinator Beveiliging of HTV (Handhaver Toezicht en Veiligheid). In totaal 35 van de 45 studenten hebben een migratieachtergrond.

Opvallende uitkomst van het onderzoek is dat driekwart van de studenten aan een mbo-veiligheidsopleiding aangeeft werken bij de politie interessant te vinden. Zo geven zij onder andere aan te denken dat politiewerk, vergeleken met werk in de beveiligingsbranche, socialer en maatschappelijk relevanter kan zijn. Een deel van de geinterviewde studenten ziet de HTV-opleiding of beveiligingsopleiding, als (mogelijk) voortraject voor de politieopleiding. Een kwart van de geïnterviewde jongeren stelt dat werken bij de politie voor hen geen optie is, bijvoorbeeld vanwege negatieve ervaringen met de politie, de risico’s van politiewerk of omdat zij vinden dat de politieopleiding te duurt.

De opleidingskeuze voor het veiligheidsdomein van de mbo-studenten blijkt sterk beïnvloed door hun persoonlijke contacten en ervaringen. Zo hebben persoonlijke indrukken (bijvoorbeeld van beveiliging op vliegveld) en persoonlijke ervaringsverhalen (van familieleden en kennissen met dezelfde opleiding of hetzelfde beroep) en/of persoonlijk advies van docenten/ouders veel invloed. Onderzoeker Suzan de Winter-Koçak: “Veel jongeren gaven aan iemand in hun netwerk te hebben die een beveiligingsopleiding doet of heeft gedaan en zijn zo in aanraking met het beroep gekomen.”

Een tweede in het oog springende uitkomst van het onderzoek is de rol van de wijkagent. Van de studenten met een migratieachtergrond zegt 80 procent een positief beeld van de politie te hebben. Uit meerdere interviews blijkt dat een positief beeld van de politie en interesse in werken bij de politie ontstaan is of versterkt wordt door het eigen contact met politie. En dan vooral door het contact met de wijkagent. “Positief contact met de politie werkt ook als een beschermende factor”, zegt De Winter-Koçak. “Alle jongeren horen in hun omgeving negatieve verhalen over de politie, maar zij lijken daar minder gevoelig voor te zijn wanneer zij zelf positieve ervaringen hebben. Als jongeren een negatieve ervaring met de politie hebben gehad, maakt dit helaas echt iets kapot. Voor deze jongeren is politiewerk geen optie meer.”

De onderzoekers adviseren om na te gaan of wijkagenten een rol kunnen spelen bij de werving. Onderzoek de mogelijkheden van het samen optrekken van (diversiteits)recruiters en wijkagenten, is een van de aanbevelingen. 


NADERE INFORMATIE:
Verwey-Jonker Instituut:
- Dyonne van Haastert, communicatieadviseur Verwey-Jonker Instituut: 06-34738631

Politie en Wetenschap:
- Monique van Nieuwenburg: 06-118 78 237

‘Kiezen voor politie. Een onderzoek onder mbo-studenten met een migratieachtergrond in het veiligheidsdomein.’

Door: De Winter-Koçak, S., Klooster, E. & Day, M. Politiekunde .., Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als pdf of als E-book via:
www.politieenwetenschap.nl
www.verwey-jonker.nl

Hardnekkige (georganiseerde) criminaliteit in Nederlandse straten.

Gepubliceerd op

Notoire straten. Over de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit.

Nieuwe publicatie in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap.

Hoewel niet altijd zichtbaar blijken sommige (winkel)straten in Nederland het toneel voor allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit, zoals drugshandel, witwassen en illegaal gokken. Deze notoire straten fungeren als criminele ontmoetingsplekken en bieden allerlei faciliterende diensten. Een combinatie van factoren maakt dat deze straten een relatief anonieme en veilige omgeving bieden voor schimmige praktijken. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum Onderzoek in opdracht van Politie en Wetenschap.

Iedereen kent waarschijnlijk wel de plekken in zijn of haar woonplaats waar het vermoeden is van activiteiten die het daglicht slecht verdragen. Dergelijke ‘notoire straten’ staan centraal in dit onderzoek. Om inzicht te krijgen in wat zich nu precies afspeelt op dergelijke locaties hebben de onderzoekers langdurig gekeken in drie van zulke straten. Daarbij lag de focus op lokaal ingebedde vormen van criminaliteit en mogelijkheden om deze beter in beeld te brengen. Voor het onderzoek is zowel opsporings- als handhavingsinformatie van de politie geanalyseerd en zijn expertsessies en interviews gehouden met wijkagenten, rechercheurs, gemeenteambtenaren, bewoners en ondernemers.

Het onderzoek laat zien dat diverse vormen van georganiseerde criminaliteit in de gebieden voorkomen. Het gaat dan om drugscriminaliteit, illegaal gokken, illegale prostitutie, liquidaties en vuurwapenincidenten. Naast deze criminele activiteiten hangt in de straten ook een sfeer van intimidatie en dreiging. Het gaat dan onder andere om het wegpesten van ondernemers, claimen van parkeerruimte en daadwerkelijke bedreiging. Er kunnen diverse betrokkenen zijn bij de criminaliteit in de straat: ondernemers, werknemers, bewoners, bezoekers, pandeigenaren, makelaars en huurders. In iedere straat is een ander type het sterkst vertegenwoordigd.

Deze beruchte straten vallen bij de aanpak vaak tussen wal en schip. De recherche werkt niet voldoende gebiedsgericht en wijkteams hebben geen zicht op criminaliteit achter de gevel. De problematiek is hardnekkig en bewoners en ondernemers hebben vaak het vertrouwen in de overheid verloren om het tij te keren. Dit verbeteren is een zaak van lange adem en vraagt gezamenlijke inspanningen van onder andere recherche, wijkpolitie, gemeente en bijzondere opsporingsdiensten.

In het onderzoeksrapport zijn indicatoren benoemd die professionals in de straten kunnen ondersteunen bij het herkennen van lokaal ingebedde georganiseerde criminaliteit.


NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Shanna Mehlbaum: 06-48505790 / shanna@mehlbaumonderzoek.nl

Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168

‘Notoire straten. Over de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit (PK92)

Door: Shanna Mehlbaum, Yvette Schoenmakers, Judith van Zanten. Politiekunde 92, Politie en Wetenschap, Den Haag; Sdu Uitgevers, Den Haag 2018.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl

Georganiseerde misdaadfamilies: hardnekkig en moeilijk te bestrijden

Gepubliceerd op

Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad

Nieuwe publicatie in de reeks Politiewetenschap van het Programma Politie en Wetenschap.

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.

NADERE INFORMATIE:

Van de zijde van de onderzoekers:
- Hans Moors: 070 8700460 (moors@emma.nl)
- Toine Spapens: 013 4663618 (a.c.spapens@uvt.nl)


Van de zijde van Politie en Wetenschap:
- Annemieke Venderbosch, directeur Programma Politie & Wetenschap: 06-13216168


‘Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad’. (PW84)

Door: H. Moors en T. Spapens. Politiewetenschap 94, Politie en Wetenschap, Apeldoorn; Reed Business, Amsterdam 2017.

Het rapport is gratis te downloaden als PDF of als E-book van de website www.politieenwetenschap.nl