Kindersekstoeristen

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Een literatuurverkenning naar kenmerken, motieven en werkwijzen van (Nederlandse) daders.

A. Koning, L. Rijksen-van Dijke (Universiteit Leiden). P&W Verkenning 78, Politie en Wetenschap 2016

Samenvatting
Over de (Nederlandse) daders van kindersekstoerisme is weinig bekend. In deze verkennende studie wordt gekeken wat de kenmerken, motieven, en werkwijzen zijn van Nederlandse kindersekstoeristen in het buitenland en wat effectieve interventie strategieën zouden kunnen zijn.

Kindersekstoerisme, het plegen van of medewerking verlenen aan seksueel geweld tegen kinderen in het buitenland, is een wereldwijd probleem. Het typische beeld is dat van een kindersekstoerist die reist van rijkere, ontwikkelde landen (zogenoemde herkomstlanden) naar armere ontwikkelingslanden (bestemmingslanden): de meest bekende bestemmingslanden bevinden zich in Zuidoost-Azië, Zuid-Amerika, Afrika en Oost-Europa. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat bestemmingslanden overal kunnen zijn, en dat daders ook (of vooral) binnen hun regio of land reizen. Bovendien zijn dankzij technologische ontwikkelingen in de laatste jaren nieuwe, online varianten van het fenomeen ontstaan in de vorm van webcam of livestream kindersekstoerisme, waardoor daders niet langer fysiek een grens hoeven over te steken om een kind te misbruiken.

Uit de analyse blijkt dat de dadergroep verre van homogeen is en dat verschillende motivaties voor kindersekstoerisme - preferentieel/situationeel - en werkwijzen – kortverblijvend / langverblijvend/ online - van toepassing zijn.
De diversiteit van de dadergroep vraagt om een afwisselend pakket van op daders afgestemde maatregelen. De schaarste van literatuur over het onderwerp illustreert daarnaast de noodzaak van het verbeteren van de informatiepositie en de uitvoering van wetenschappelijk vervolgonderzoek. Aan de politie is het de taak om, gegeven de beperkte informatiepositie en capaciteitsrestricties, het pakket aan preventieve en opsporingsmaatregelen zo effectief mogelijk vorm te geven. Politieke steun en financiering zijn daarbij volgens de onderzoekers kernvoorwaarden om de aanpak van kindersekstoerisme vorm te geven.

Huiselijk geweld gemeld en dan...?

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Samenvatting
In dit onderzoek is gekeken naar de afhandeling van huiselijk geweld incidenten door de politie. Een kwantitatief onderzoek is uitgevoerd via de BVH-database 2013 en 2014 van de politie-eenheid Amsterdam. Kwalitatief onderzoek is op landelijk niveau uitgevoerd. Huiselijk geweld incidenten werden ingedeeld in vier categorieën:

  • Incidenten met uitsluitend strafrechtgerichte componenten.
  • Incidenten met uitsluitend bestuursrechtelijke componenten (in het kader van de wet Preventief Huisverbod).
  • Incidenten met zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke componenten (‘samenloop’).
  • Incidenten zonder strafrechtelijke of bestuursrechtelijke componenten (‘restcategorie’).

Van de ongeveer 7000 jaarlijkse huiselijk geweld incidenten in Amsterdam, volgt ongeveer een vijfde uitsluitend een strafrechtelijk traject en ongeveer tien procent alleen een bestuursrechtelijke afhandeling. Wanneer we de samenloop verrekenen, betekent dit dat de helft van de incidenten géén strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk vervolg krijgt en dat ook niet bekend is welke inspanningen dat van de politie dan wel of niet vraagt (restcategorie).
In Amsterdam bleek in het merendeel van de incidenten van zowel de restcategorie als
bestuursrechtelijke categorie, de maatschappelijke klasse ‘ruzie/huiselijk twist’ te zijn gebruikt. Dit zou wellicht iets kunnen zeggen over de (geringere) zwaarte die wordt toegekend aan incidenten in deze categorieën. Vooral omdat ‘lichamelijk’ het meest wordt aangetroffen in de categorie strafrechtelijk. In de restcategorie wordt bij tien procent van de ‘lichamelijke’ incidenten desondanks ook een mes en/of slagwapen aangetroffen.
Zorgelijk is dat er in Amsterdam niet altijd bij betrokkenheid van minderjarigen een zorgmelding wordt gedaan bij Veilig Thuis terwijl dit wel protocol is. Dit gebeurt niet in ongeveer een derde tot de helft van het totaal aantal huiselijk geweld incidenten waar een of meer minderjarigen bij betrokken zijn, blijkens het Amsterdamse BVH. De meeste zorgmeldingen komen voort uit bestuursrechtelijke afhandelingen, mogelijk doordat er bij de risicotaxatie expliciet wordt gevraagd naar minderjarigen.

Het kwalitatieve landelijk uitgevoerde onderzoeksdeel met interviews, focusgroepen en digitale vragenlijst onder politiemedewerkers, vertoont een genuanceerder beeld. Sommige coördinatoren huiselijk geweld gaan handmatig na welke incidenten alsnog als huiselijk geweld moeten worden aangemerkt en overleggen met Veilig Thuis en/of Veiligheidshuis welke acties per casus ondernomen moeten worden. De focus ligt wel vooral op opsporing en minder op wat er nodig is om het geweld te doen stoppen of de veiligheid van slachtoffers te bewerkstelligen. Ook blijkt de restcategorie soms een ‘gemakkelijker’ weg en is niet altijd bekend dat wanneer kinderen niet op de hoogte zijn van het geweld dit toch een vorm van kindermishandeling is.

Verder bleken de volgende knelpunten bij de afhandeling van huiselijk geweld incidenten.

  • gebrek aan tijd en capaciteit,
  • beperkte aangiftebereidheid bij slachtoffers en/of motivatie door politiemedewerkers,
  • onvoldoende kennis en vaardigheden, geen intervisie of evaluaties als ‘lerende organisatie’,
  • knelpunten in de samenwerking met Veilig Thuis en hulpverlening,
  • fragmentatie van expertise door het meer generalistisch moeten werken,
  • onzorgvuldige implementatie van en sturing op nieuwe werkwijzen, protocollen en afspraken.

Aanbevelingen op grond van de bevindingen zijn:

  • Verdiepend dossieronderzoek uit te voeren.
  • De monitor (meer)jaarlijks en landelijk of in andere politie-eenheden in te zetten. 
  • Verbeterslagen te maken op de geconstateerde knelpuntgebieden via:
    • ICT en registratie (o.a. één huiselijk geweld –formulier).
    • Intervisie en scholing met aandacht voor attitude, kennis over (herkennen van) huiselijk geweld, gesprekstechnieken en motiveren tot het doen van aangifte.
    • Intensivering en verbeteren van de samenwerking met Veilig Thuis, aanscherpen van afspraken en sturing daarop, zoals het standaard nagaan of er minderjarigen betrokken zijn bij een huiselijk geweld incident.
    • Focus op het gezamenlijk, in de keten, stoppen van huiselijk geweld.
    • Onderzoek of de risicotaxatie voorafgaand aan een huisverbod efficiënter kan.
    • Onderzoek de mogelijkheid van specialistische teams.