Extreem link(s)?

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Een verkennend onderzoek naar linksgeoriƫnteerde initiatieven in Nederland (2010). L.P. van der Varst, M. Zannoni, A. Bouabid, T. van Ham en A. van Wijk (COT, Den Haag / Bureau Beke, Arnhem). Verkenningen 52

Politie en Bestuur in de Bible Belt: een verkenning

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Samenvatting

In dit verkennend onderzoek onder gemeenten van de zogenaamde bible belt wordt een kijkje gegeven in de relatief lastig te onderzoeken wereld van criminaliteit en handhaving in kleine christelijke dorpsgemeenschappen. Uit interviews en expertmeetings met vooral professionals uit de betrokken gemeenten blijkt dat er is weliswaar sprake lijkt te zijn van een eigen veiligheidsproblematiek, maar die is in omvang ook weer vrij beperkt is. Wel is er het vermoeden dat sprake is van onderrapportering, zeker ook wat betreft huiselijke problematiek achter de voordeur. Verder valt vooral het alcohol- en druggebruik onder jongeren op en de daaraan gerelateerde overlast. Bij de aanpak hiervan moet rekening worden gehouden met de gedogende houding van de gemeenschap, zeker bij alcoholmisbruik en de neiging tot zelfredzaamheid (dat lossen wel onderling wel op) en het buitensluiten van bemoeienis van buitenaf. Regelontduiking lijkt in zijn algemeenheid een beetje bij de cultuur te horen en wordt door de mensen zelf niet als probleem gezien. Dit maakt bestuurlijke en politiële handhaving complex, zeker waar de regelontduiking wordt gecombineerd met anti-overheidssentimenten. Het blijft overigens wel lastig om te bepalen of de problematiek typerend is voor de Bible Belt of dat het eerder gaat om kenmerkende factoren voor kleine plattelandsgemeenschappen. 

De tevredenheid met het laatste politiecontact

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Samenvatting

Sinds jaren wordt de sturing en beleidsvorming van de politie gebruik gemaakt van de uitkomsten van bevolkingsonderzoeken naar onder andere de tevredenheid van burgers over het functioneren van de politie. Er bestaat echter onvoldoende inzicht in de oorzaak van die (on)tevredenheid en dus de concrete maatregelen die te nemen zijn om het oordeel te beïnvloeden. Oordelen kunnen ook beïnvloed worden door beeldvorming of verwachtingen en die kunnen per regio verschillen. Als evenwel niet duidelijk is in hoeverre de politie zelf invloed kan uitoefenen op het vertrouwen in en oordeel over de politie, dan kan de vraag gesteld worden tevredenheidscores uit bevolkingsonderzoeken wel goede indicatoren zijn van het functioneren van de politie.

In deze studie wordt onderzocht of aantoonbaar is dat korpsen die bij de Politiemonitor beter scoren op tevredenheid over de politie ook ‘meer’ of ‘ander’ beleid voeren (bijvoorbeeld in lijn met de inzichten van ‘actieve wederkerigheid’). Dat zou wijzen op enig causaal verband tussen dat beleid en de scores. Daartoe wordt literatuur bestudeerd van onderzoeken naar tevredenheid met politiecontacten en factoren die daarop van invloed zijn, worden de scores van de afgelopen jaren bekeken en wordt mede aan de hand van interviews het ontwikkelde beleid in de korpsen in kaart gebracht en mogelijke factoren die de tevredenheid kunnen bepalen.

Wat blijkt is dat de ontwikkeling van tevredenheidsscores binnen en tussen de regio’s sterk uiteenloopt en dat dit maar voor een marginaal deel terug te voeren is tot verschillen in korpsbeleid. Factoren die mogelijk een rol spelen, en die ook terugkomen in de studie ‘Actieve Wederkerigheid’, bieden weliswaar concrete aanknopingspunten voor beleid, maar het zijn er tevens zoveel dat het moeilijk blijft om ze goed te vertalen naar beleid en politieoptreden

Aan het einde van het rapport werpen de auteurs nog de vraag op of de politie als overheidsdienst met repressieve taken eigenlijk wel moet streven naar tevredenheid. Vaak wordt tenslotte sanctionerend opgetreden tegen een individu om een collectief belang te dienen. Wie zou je dan tevreden willen stellen? Ook de, op zichzelf zinnige, aanbevelingen uit ‘Actieve Wederkerigheid’ vormen geen garantie voor verbetering. Al was het maar dat ze weer kunnen leiden tot hogere verwachtingen bij de burgers.

Al met al zijn de auteurs behoorlijk sceptisch over het gebruik van deze tevredenheidscores als indicator voor de kwaliteit van de politie.

Krakers in Amsterdam anno 2009

Gepubliceerd in in de categorie P&W verkenningen

Samenvatting

In de hoogtijaren van de krakersrellen, einde jaren ’70 en begin jaren ’80, bestond er in de samenleving vrij brede steun voor de achterliggende motieven van de strijd tegen woningleegstand. Sinds die tijd is het aantal krakers enorm gedaald en lijkt ook de kraakbeweging van karakter veranderd. Van brede maatschappelijke steun is inmiddels nauwelijks nog sprake ook omdat het achterliggende probleem veel minder speelt. Er ligt nu zelfs een wetsvoorstel voor om het kraken te verbieden. Niettemin is betrekkelijk weinig bekend over de kraakbeweging van nu, hoe groot die is, en hoe divers, en waardoor die wordt gemotiveerd. Daar wil deze verkennende studie antwoord op geven. Hij beperkt zich tot de krakerscene in Amsterdam: wie maken er deel van uit, wat is het aandeel van buitenlanders en hoe zit het met geweldgebruik. De huidige scene is in kaart gebracht met literatuuronderzoek, politiedata, participerende observaties en interviews.

Duidelijk wordt dat nauwelijks gesproken kan worden van ‘de krakers’ aangezien de groep zeer divers is. Er is een ‘oude’ kern die als vanouds sterk ideologisch is gemotiveerd, al is het actieterrein verbreed naar allerlei (vermeende) maatschappelijke misstanden. Daarnaast is er een groep die vooral uit is op goedkope woonruimte en een eveneens divers samengestelde groep van buitenlanders van uiteenlopende nationaliteit. De ‘oude kern’ is stevig genesteld in een aantal (oude)wijken en werkt volgens tamelijk gestandaardiseerde en professionele procedures en protocollen. Er is een Kraakspreekuur (KSU), er zijn draaiboeken en handleidingen om te achterhalen of een pand daadwerkelijk leegstaat en vaste procedures voor het uitvoeren van de daadwerkelijk kraak. In deze zin is sprake van een zekere graad van organisatie en professionalisering. Daarnaast zijn er ook krakers, waaronder veel buitenlanders, die op eigen houtje handelen en die zeer toepasselijk worden aangeduid als ‘wildkrakers’. Deze wildkrakers opereren los van de ‘gevestigde’ kraakbeweging en zijn er ook niet op uit om een geode band op te bouwen met buurtbewoners. Het aandeel buitenlanders laat zich moeilijk precies schatten. Toch lijkt hun aandeel relatief groot.

De onderzoekers concluderen dat kraken in Amsterdam zich meestal voltrekt zonder dat er veel ophef over gemaakt wordt en dat de kraakbeweging vergaand is ‘gepacificeerd’: geweldgebruik is sterk afgenomen en er wordt ook stelling genomen tegen onnodige vernielingen. Dat neemt niet weg dat soms (bedrijfs)panden volledig worden uitgewoond en, bij de ontruiming van wat men zelf prestige objecten vindt, gepast geweld niet wordt geschuwd. Maar in de meeste gevallen veropen ontruimingen volgens een bepaald vast ritueel waarin ook van de kant van de politie de-escalerend optreden de norm is. Hetgeen niet wegneemt dat er veel menskracht van de zijde van de politie mee is gemoeid.