De organisatie van de opsporing van cybercrime door de Nederlandse politie

De organisatie van de opsporing van cybercrime door de Nederlandse politie
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Samenvatting
Onderzoeksbureau Pro Facto en het Centrum voor Recht&ICT van de Rijksuniversiteit Groningen hebben onderzoek gedaan naar de huidige en gewenste organisatie van de opsporing van cybercrime. Het gebruik en daarmee de invloed van het internet op de samenleving neemt sterk toe. Ook criminaliteit via het internet komt steeds meer voor. Dit onderzoek focust op de opsporing van cybercrime in ruime zin door de politie. In veel van de zaken waarbij de recherche opsporingsactiviteiten verricht, is sprake van een ICT-aspect. Bij vrijwel elke zaak wordt de computer en de telefoon van een verdachte onderzocht op aanwijzingen. 
De opsporing van cybercrime door de Nederlandse politie is voor een belangrijk gedeelte decentraal georganiseerd, in regionale of bovenregionale teams. Op landelijk niveau bevinden zich bij de Dienst Nationale Recherche van het KLPD twee teams die zich daarmee bezighouden. Volgens de onderzoekers levert de organisatie en invulling van de opsporing van cybercrime een aantal knelpunten op. Het gaat dan bijvoorbeeld om de aansturing, de prioriteitstelling, de ondersteuning, de bezetting van teams en de ontwikkeling van kennis over cybercrime. 
De onderzoekers doen daarom aanbevelingen voor de organisatie van de opsporing van cybercrime en dan met name de benodigde specialistische kennis op verschillende niveaus van de opsporing. Zo wordt een aantal taken verder gedecentraliseerd naar de tactische en operationele afdelingen. Dit zijn bijvoorbeeld de beslissingsbevoegdheden over de prioritering van de op te sporen zaken en over de daarvoor vereiste kennis van andere afdelingen. Andere taken dienen echter gecentraliseerd te worden, zoals specialistische technische kennis en onderwijs en onderzoek. Specialistische kennis op het gebied van cybercrime zou geconcentreerd moeten worden in één enkele landelijke afdeling, die zowel nationale als regionale rechercheurs ondersteunt. De vorming van de Nationale Politie vormt een uitgelezen mogelijkheid om deze tekortkomingen weg te nemen.

Aanspreken op straat

Aanspreken op straat
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Het werk van de straatcoach in al zijn verschijningsvormen (2012). L. Loef, K. Schaafsma en N. Hilhorst (DSP-groep, Amsterdam). Politiekunde 42

Daders over cameratoezicht

Daders over cameratoezicht
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Samenvatting
Het bijzondere van deze studie is dat interviews gehouden zijn met 42 (potentiële) daders, variërend van gedetineerde veelplegers tot risicojongeren. De gedetineerde daders, allen ervaren criminelen of veelplegers, blijken goed op de hoogte van het cameratoezicht: de plaatsen waar de camera’s hangen, de technische mogelijkheden, de tijden waarop wordt uitgekeken, de kwaliteit van de beelden en de bruikbaarheid ervan. Zij laten zich meestal niet afhouden van het plegen van delicten, maar passen wel hun gedrag aan. Ze proberen buiten het zicht van de camera’s te blijven, herkenning te bemoeilijken, maken gebruik van tijden waarop niet wordt uitgekeken en kennen de beperkingen van de camera’s bij bijvoorbeeld drugsdelicten. Indien mogelijk zullen ze delicten elders plegen. Onder de veelplegers komt overigens ook onverschillig en impulsief gedrag voor, waarop cameratoezicht weinig invloed heeft. 
De risicojongeren denken relatief veel te weten van cameratoezicht, maar hun kennis over de kwaliteit van de beelden en de uitkijktijden is vaak niet correct. De jongeren geven aan dat de camera’s geen grote invloed op hun gedrag hebben. Ze vergeten dat er camera’s zijn en ze handelen impulsief, vooral als ze onder invloed van alcohol of drugs zijn. Verder denken ze dat de beelden, als ze al gemaakt worden, van te slechte kwaliteit zijn om er echt wat mee te kunnen doen. 
De interviews met de (potentiële) daders maken duidelijk dat de camera’s in veel gevallen niet voor preventie van criminaliteit zorgen. Er is alleen preventie te verwachten bij delicten van ervaren en calculerende daders. Dit betekent niet dat cameratoezicht zinloos is. Vanuit het perspectief van de politie heeft cameratoezicht drie functies, namelijk preventie van criminaliteit en overlast, het tijdig signaleren van dreigende veiligheidsproblemen met camera’s en opsporing: het verzamelen van daderinformatie die de opsporing kan verbeteren. Door deze functies van cameratoezicht te verbinden met het type dader dat het in een bepaald gebied voor problemen zorgt, kunnen gerichtere keuzes gemaakt worden voor de manier waarop camera’s worden ingezet. Het onderzoeksrapport kan helpen om het type dader te herkennen.

Toezicht op zedendelinquenten door de politie in samenwerking met de reclassering

Toezicht op zedendelinquenten door de politie in samenwerking met de reclassering
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Samenvatting
Politie en reclassering werken regelmatig samen bij het toezicht op personen die onder bijzondere voorwaarden zijn bestraft of in vrijheid gesteld. Binnen die groep vormen zedendelinquenten een bijzondere categorie. Hun (vervroegde) vrijlating en terugkeer in wijk of dorp kan maatschappelijke beroering veroorzaken, wat politie en lokaal bestuur voor lastige dilemma’s stelt. Er zijn in sommige gevallen convenanten gesloten waarin politie en reclassering afspreken dat zij elkaar over en weer zullen informeren of zedendelinquenten zich aan de voorwaarden houden. De reclassering is formeel belast met dit toezicht en de politie belooft de reclassering daarin te ondersteunen door ‘een oogje in het zeil’ te houden. Maar hoe werkt dit in de praktijk? 
Het onderzoek laat zien dat de politie, anders dan de reclassering, haar rol bij het toezicht op zedendelinquenten nauwelijks heeft doordacht of geregeld. Er lijken sterke verschillen te zijn tussen politieregio’s in de wijze waarop het toezicht wordt uitgevoerd. In de praktijk ligt de toezichttaak bij de politie op het bordje van de wijkagent. Die geeft er op eigen wijze invulling aan en laat zich daarbij vooral leiden door de zorg voor rust en orde in de wijk. De auteurs bepleiten dat er meer aandacht van de politie komt voor haar rol en inbreng bij toezicht op zedendelinquenten. Die rol en inbreng zouden bij voorkeur eenduidiger gedefinieerd en geprotocolleerd moeten worden in landelijke en regionale convenanten (met o.m. reclassering). Inhoudelijk bepleiten zij, onder verwijzing naar de literatuur, voor een actievere opstelling van de politie. Zij zou zich uit het oogpunt van effectiviteit niet moeten beperken tot een afstandelijke en controlerende rol. Dat roept de vraag op of het wenselijk is dat de politie een actievere rol op zich neemt bij het toezicht op zedendelinquenten, waarin bijvoorbeeld ook plaats is voor het belonen van goed gedrag. Om deze reden zijn de onderzoekers inmiddels gestart met een verdiepend vervolgonderzoek in opdracht van het programma Politie en Wetenschap waarin op een meer normatieve wijze gekeken wordt naar de huidige en de gewenste invulling van de rol van de politie bij toezicht op zedendelinquenten.

Naar eigen inzicht?

Naar eigen inzicht?
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Een onderzoek naar beoordelingsruimte van en grenzen aan de identiteitscontrole (2011). J. Kuppens, B. Bremmers, K. Ammerlaan en E. van den Brink (Bureau Beke, Arnhem en COT, Den Haag). Politiekunde 39

Onder het oppervlak

Onder het oppervlak
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Een onderzoek naar ontwikkelingen en (a)select optreden rond preventief fouilleren (2011). J. Kuppens, B. Bremmers, E. van den Brink, K. Ammerlaan en H.B. Ferwerda. (Bureau Beke, Arnhem en COT, Den Haag). Politiekunde 38

Sturing van blauw

Sturing van blauw
Gepubliceerd in in de categorie Politiekunde

Een onderzoek naar operationele sturing in de basispolitiezorg (2011). W. Landman (Twynstra Gudde, Amersfoort). Politiekunde 37