• Politieenwetenschap


Nieuws

CALL 2017
 
De inschrijving op de Call 2017 is gesloten. Er zijn 98 onderzoeksideeën ontvangen en ontvankelijk verklaard.

Uiterlijk vrijdag 29 september 2017 ontvangt u bericht of uw onderzoeksidee is geselecteerd voor de 2e ronde. 

 

 

 

 

 

 

 

Laatste publicaties

Politie & Sociale Teams

Een praktijkonderzoek naar het contact tussen de politie en sociale teams (2017).

J. Kruip (RadarAdvies). P&W verkenningen 79

Samenvatting
Door decentralisaties zijn gemeenten sinds 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk geworden voor het overgrote deel van de maatschappelijke ondersteuning aan burgers. Om de decentralisaties handen en voeten te geven, hebben veel gemeenten er voor gekozen om sociale teams in te richten. In deze teams werken ‘sociaal werkers’ uit verschillende organisaties en disciplines samen. In dit rapport wordt verkend hoe deze sociale teams zich in deze beginfase in de praktijk verhouden tot de politie.
Er zijn semi-gestructureerde interviews (N=37) gehouden met medewerkers van vijf verschillende sociale wijkteams en wijkagenten. Daarnaast zijn er observaties uitgevoerd bij inhoudelijke bijeenkomsten en is er gebruik gemaakt van een klankbordgroep.

Het blijkt dat de frequentie van het contact tussen de sociaal werkers en de wijkagent een stuk hoger is bij kleine gemeenten dan middel- en grote gemeenten. De intensiteit van het contact hangt sterk samen met de rolopvatting van de wijkagent. Zo werken wijkagenten die, naast handhaving en het waarborgen van veiligheid ook een zorgtaak voor zichzelf zien weggelegd, vaak nauw samen met het sociaal team. Over het geheel genomen weten de politie en sociale teams elkaar vooral te vinden bij zwaardere casussen en casussen waarbij kinderen/jongeren zijn betrokken.

Op het gebied van handhaving en het borgen van veiligheid functioneert het contact goed. Als het vanuit een praktijksituatie nodig is dan weten sociale teams de politie te vinden. Tijdens het onderzoek kwamen er geen voorbeelden van incidenten of escalaties naar voren, die voorkomen hadden kunnen worden als er eerder of meer contact was geweest tussen het sociaal team en de politie.
Doordat wijkagenten goed zicht hebben op sociale problemen in de wijk wensen sociale teams eerder en meer zorg-gerelateerde informatie te ontvangen van wijkagenten. Dit zou ervoor zorgen dat sociale teams preventiever te werk kunnen gaan. Tegelijkertijd hebben sociale teams te maken met een grote caseload en zijn veel tijd kwijt zijn aan interne ontwikkelingen. Hierdoor komen ze nauwelijks aan preventieve werkzaamheden toe. Het is dan ook de vraag of een grote informatievoorziening vanuit de politie ervoor zorgt dat inwoners sneller geholpen worden.

De onderzoekers constateren dat de rol en de plek van sociale teams in het sociaal domein zich de komende jaren nog moet uitkristalliseren. Verwacht wordt dat de capaciteit en ontwikkelkracht om preventief te werken zal toenemen en daarmee waarschijnlijk ook het contact met de wijkagent. Dit zou mensen met beginnende problematiek mogelijk eerder een oplossing kunnen bieden en op die manier positief kunnen uitwerken op de veiligheidsbeleving en leefbaarheid in de wijk.

 

Over grenzen in de sport

De rol van de politie in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport in samenwerking met relevante partners (2017)

A. van Wijk, M. Hardeman, L. Scholten (Bureau Beke) en M. Olfers (Vrije Universiteit, Amsterdam) Politiekunde 88

Samenvatting
Veel meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport (SGG) worden informeel afgedaan door sportverenigingen, waardoor de politie onvoldoende zicht krijgt op het probleem. Een verklaring is dat sportverenigingen bij het inschakelen van de politie vaak denken dat er door de politie altijd wordt gereageerd met ‘sirene en zwaailichten’ en zij dit als bedreigend ervaren. De politie wil echter in een zo vroeg mogelijk stadium van de melding betrokken worden zodat ze kunnen adviseren over het vervolgtraject en zo nodig kunnen ingrijpen. Dit blijkt uit een onderzoek dat Bureau Beke heeft uitgevoerd in opdracht van Programma Politie en Wetenschap naar de rol van de politie in de aanpak van SGG in de sport. Uit de verhalen van slachtoffers blijkt dat ze problemen ondervinden bij het melden van misbruik of dat er niets met hun melding wordt gedaan door sportverenigingen. Diverse instanties kunnen een rol spelen bij de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de sport. De onderzoekers pleiten er op basis van het onderzoek voor dat sportbonden en verenigingen een helder beleid voeren en nauwer samenwerken met de politie bij de bestrijding van SGG. 

Onder de noemer seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) wordt een breed scala aan gedragingen verstaan, variërend van verbaal seksueel intimiderend gedrag tot ongewenste seksuele aanrakingen, het maken van heimelijke opnames, grooming en fysiek seksueel misbruik. In ‘Over grenzen in de sport’ geven de auteurs antwoord op de vraag wat de belemmeringen zijn om problemen te melden en hoe zaken worden opgepakt en afgehandeld. Er wordt ingegaan op de rol die de politie hierin heeft en kan hebben in samenhang met de inbreng van NOC*NSF, de sportbonden en – verenigingen.

Onderzoeksmethoden
Om na te gaan hoe de politie en haar partners de bestrijding en aanpak van SGG binnen de sport kunnen verbeteren, zijn verschillende onderzoeksmethoden ingezet. Er zijn literatuur en documenten (zoals jaarverslagen, beleidsstukken en procedurebeschrijvingen) geraadpleegd. Tevens zijn de registraties van het Vertrouwenspunt Sport van het NOC*NSF, de sportbonden en de politie geanalyseerd. Aanvullend zijn er interviews gehouden met vijftig deskundigen vanuit sportclubs, politie, OM en met (ouders) van slachtoffers.

SGG in de sport
Kenmerkend voor de slachtoffers is hun kwetsbaarheid, die bijvoorbeeld voortkomt uit een slechte thuissituatie of sociale isolatie. Een belangrijk deel van de slachtoffers is bovendien minderjarig. Plegers zijn vaak geliefd, populair en onmisbaar binnen de vereniging. Toch voldoen niet alle slachtoffers en daders aan dit beeld. Er zijn volgens respondenten verschillende typen slachtoffers en plegers te onderscheiden. De politie lijkt een wat andere categorie slachtoffers en plegers in beeld te hebben dan de bonden en het Vertrouwenspunt Sport (VPS). De politie registreert vaker zaken waarbij één slachtoffer is betrokken. Dit slachtoffer is relatief vaak een vrouw. De politie heeft vaker medesporters als pleger van SGG in beeld dan de sportbonden en het VPS.

Beleid rondom SGG in de sport
Er zijn weliswaar diverse instrumenten ontwikkeld door NOC*NSF die verenigingen kunnen gebruiken, maar die blijken in de praktijk vaak niet te worden gebruikt. Een genoemde reden is dat het onderwerp SGG niet genoeg leeft en als ‘lastig’ wordt ervaren binnen de sportverenigingen. Men denkt soms dat SGG niet bij de vereniging voorkomt. Er rust een taboe op SGG in de sport.
Het kunnen garanderen van een veilig en gezond sportklimaat staat of valt met het herhaaldelijk aandacht vragen voor het feit dat grensoverschrijdend gedrag in de breedste zin van het woord voorkomt. Geen enkele tak van sport is hiervan uitgezonderd. Uit het onderzoek blijkt dat sommige verenigingen pas gaan nadenken over de aanpak van SGG als zich een incident binnen hun club heeft voorgedaan. Omdat besturen van verenigingen elkaar snel kunnen opvolgen, is een goede borging van het (veiligheids)beleid elementair.

Afdoening van SGG in de sport en rol politie
Veel meldingen van SGG worden informeel ‘opgelost’ en dus niet tuchtrechtelijk en/of strafrechtelijk afgehandeld. Het onderzoek maakt duidelijk dat het criminaliseren van alle grensoverschrijdende gedragingen niet wenselijk is, voor zowel de melder/het slachtoffer als de pleger en vereniging. Besturen van verenigingen kunnen ‘lichte’ overtredingen van de fatsoensnormen goed zelf aanpakken. Daarentegen moet het zelf oplossen geen kenmerken van een doofpot gaan vertonen en daarom zijn goede registratie en transparantie essentieel. Zaken die strafrechtelijk van aard zijn dienen ook als zodanig te worden afgehandeld.
Een aanbeveling is bovendien dat de politie haar diensten inzichtelijker kan maken voor de sportverenigingen en in een vroeger stadium van meldingen verenigingsbesturen van advies kan voorzien over de afhandeling. 

 

Modus operandi van de recherche

De recherchepraktijk in moord- en verkrachtingszaken (2017)

A. van Wijk, I. van Leiden en M. Hardeman (Bureau Beke, Arnhem) Politiekunde 87

Samenvatting
Zoals een crimineel zich een bepaalde werkwijze eigen maakt, zo heeft ook de recherche modus operandi. Bureau Beke heeft voor Programma Politie & Wetenschap onderzocht hoe rechercheteams in de praktijk te werk gaan bij moord- en zedenzaken. Daarbij is op een neutrale manier de dagelijkse praktijk van rechercheteams vastgelegd die, vaak onder grote druk van publiek, media en het bestuur, zo snel mogelijk de misdaad moeten oplossen. Wat doet het rechercheteam (en waarom) om een zaak tot opheldering te brengen? Het belangrijkste doel van het onderzoek is om rechercheurs in Nederland kennis te laten nemen van de inspanningen, teleurstellingen en successen van collega-rechercheurs. Elke zaak is weliswaar uniek, maar verschillende ‘succesfactoren’ komen in de zaken terug. In de praktijk is het niet altijd haalbaar dat een compleet opgetuigd en gekwalificeerd team meteen na het misdrijf kan starten met onderzoek. Niettemin worden de meeste zaken opgelost.

Het onderzoek is gebaseerd op 31 moord- en verkrachtingszaken. De politiedossiers zijn bestudeerd en er zijn interviews gehouden met de rechercheteams. De omvang van de bestudeerde dossiers wisselde per zaak: van sommige zijn enkel de stamprocessen-verbaal bestudeerd (samenvatting van de zaak van zo’n 50-60 pagina’s), van andere zijn dozen vol met dossiers met daarin processen-verbaal van verhoren, tactische middelen, forensisch onderzoek en bijzondere opsporingsmiddelen onderzocht.
Er is voor gekozen om vooral zaken te bestuderen met een onbekende dader, die geen relatie heeft met het slachtoffer. Dit soort zaken komt weinig voor, want bij moord en zedenmisdrijven kennen dader en slachtoffer elkaar vaak. Het rechercheteam moet in deze zaken meestal alles uit de kast halen om bij een verdachte te komen.

Het onderzoek laat zien dat het denken in termen van hypothesen en scenario’s inmiddels gemeengoed is binnen de recherche en dat van tunnelvisie weinig sprake meer lijkt. Bij uitzondering richt de recherche zich in haar opsporingsonderzoek nog op een enkel scenario of een enkele verdachte.

Het ambachtelijke recherchewerk bestaat onder meer uit het sporenonderzoek op de plaats delict, het houden van buurtonderzoek, veiligstellen van telecomgegevens, het raadplegen van politiesystemen en het gebruikmaken van de media. Het is soms zoeken naar een speld in de hooiberg, bijvoorbeeld als de recherche moet uitzoeken wie in een straal van 20 kilometer op een bepaald type brommer rijdt. Soms heeft het rechercheteam ‘geluk’ en laat de dader DNA achter of wordt herkend door het slachtoffer of getuigen. Verdachten kunnen ook uit het buitenland komen of zich daar verschansen voor de politie. De formele contacten met buitenlandse politiekorpsen zijn soms tijdrovend. Het helpt als de teamleden afreizen naar het buitenland om de informatie ter plekke te halen.

Uit de bestudeerde zaken blijkt dat het moeilijk is voor de dader om geen sporen achter te laten. De snelle ontwikkeling in technische mogelijkheden vergroot de waarde van sporenonderzoek. De afstemming tussen tactische en technische opsporing behoeft nog wel verbetering. Tactisch moet immers bepaald worden wat er technisch moet worden onderzocht. Hoewel technisch bewijs in zaken tot een oplossing hebben geleid, blijven verklaringen van getuigen en tips ook van grote waarde. Deze kunnen de recherche op het juiste spoor zetten.

In een paar gevallen is het de recherche (nog) niet gelukt om de zaak op te lossen. Zoals bij een in stukken gezaagd lichaam dat weken in het water heeft gelegen. Na veel tijd en moeite is er geen dader gevonden. De recherche documenteert dan alle informatie zo volledig mogelijk voor een eventueel cold case team.