• Politieenwetenschap


Nieuws

Binnenkort te publiceren:

- Profielen van Nederlandse Outlaw bikers en Nederlandse Outlaw biker clubs

 

 

 

 

 

 

 

 

Laatste publicaties

Vechten op afspraak

Inzicht in het fenomeen en input voor de ontwikkeling van een politiestrategie. (2017)

T. van Ham, L. Scholten, A. Lenders, H. Ferwerda (Bureau Beke, Arnhem). Politiekunde 91

Samenvatting
Confrontaties tussen hooligans vinden niet altijd meer plaats rondom een wedstrijd maar juist veelal op een neutraal, afgelegen terrein. Via het organiseren van en deelnemen aan vechtafspraken kunnen groepen zich profileren en – binnen de scene – status verwerven. Ook personen ‘van buiten’ deze supportersgroepen, die zich hebben bekwaamd in vechtsport (Mixed Martial Arts), doen mee. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. De kick van het vechten, het zich willen opwerken binnen een (supporters)groep en groepsdruk kunnen voor personen redenen vormen om deel te nemen aan dergelijke confrontaties. Het bundelen van informatiestromen over vechtafspraken en daarbij betrokken groepen/personen, vormt een eerste stap om tot concretere sturingsinformatie te komen en tot een persoonsgerichte aanpak, waarbij ook Betaald Voetbal Organisaties kunnen worden betrokken.   
De afgelopen jaren zijn meermaals beelden online verschenen van groepen voetbalsupporters die met elkaar op de vuist gaan op een veelal afgelegen locatie. De groepen hebben voorafgaand contact over tijdstip en locatie van de confrontatie en om afspraken over bijvoorbeeld de grootte van de groepen en ‘spelregels’ vast te leggen.  Tijdens de confrontatie zijn groepen duidelijk van elkaar te onderscheiden, bijvoorbeeld door T-shirts van verschillende kleuren te dragen.

De politie heeft gevraagd om nader onderzoek naar ontwikkelingen bij deze vechtafspraken, de reikwijdte daarvan en de implicaties voor de politieaanpak. Voor het onderzoek is een vragenlijst afgenomen onder Nederlandse en buitenlandse politiemedewerkers en zijn interviews gehouden met medewerkers van politie en Betaald Voetbalorganisaties. Verder zijn drie casus, die tot een opsporingsonderzoek hebben geleid, bestudeerd. Van de in deze opsporingsonderzoeken genoemde verdachten is vervolgens een profiel opgesteld. 

Afgelopen jaren hebben gemiddeld een tot twee confrontaties per maand plaatsgevonden. Dit is waarschijnlijk een minimale schatting: het precieze aantal vechtafspraken is onbekend, omdat deze zo heimelijk mogelijk georganiseerd worden en op afgelegen locaties en buiten wedstrijddagen plaatsvinden. Een relatief kleine groep personen houdt zich bezig met vechtafspraken. Voor zover bekend hebben vechtafspraken – in binnen en buitenland – nauwelijks geleid tot doden of zwaargewonden. Dit is mede te danken aan het feit dat de politie, wanneer zij op de hoogte is van vechtafspraken, deze tracht te voorkomen (‘stukmaken’) en daarbij soms ook slag- en steekwapens in beslag neemt. Aandacht van de politie voor vechtafspraken is daarnaast nodig omdat vechtgroepen getraind kunnen raken en op andere plekken een bedreiging voor de openbare orde gaan vormen.

Het opsporen en vervolgen van personen die deelnemen aan vechtafspraken gebeurt tot op heden vrijwel niet: het belang van de openbare orde handhaving prevaleert in de praktijk, mede gelet op de capaciteit die opsporingsonderzoek vergt en het feit dat deelnemers zelf (vrijwel) niet over hun rol zullen verklaren. Kansen voor de opsporing liggen daarom met name bij vechtafspraken waarvan beelden online verschijnen en deelnemers herkenbaar in beeld zijn. Het bundelen van informatiestromen en identificeren van bij vechtafspraken betrokken personen kan worden benut voor het opstellen van een persoonsgerichte aanpak, waarbij ook Betaald Voetbal Organisaties kunnen worden betrokken.   

 

Doorgroeiers in de misdaad

De criminele carrières en achtergrondkenmerken van jonge daders van een zwaar delict. (2017)

M.V. van Koppen, V. van der Geest, E. Kleemans (Vrije Universiteit Amsterdam) Politiewetenschap 100

Samenvatting
Jonge daders van een zwaar delict kampen vaak met ernstige en uiteenlopende problemen in het gezin en op school. Toch is de combinatie van problemen bij deze jongeren niet per definitie een voorbode van een doorgroei in de zware criminaliteit. Slechts een klein deel van deze groep groeit daadwerkelijk door in de zware misdaad. Dit blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam onder meer dan 1000 jonge daders. Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met de Politie Eenheid Amsterdam en Jeugdbescherming Regio Amsterdam in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap. Er blijkt slechts beperkt sprake te zijn van onderscheidende kenmerken tussen stoppers en doorgroeiers. De latere doorgroeiers hebben vaker schulden en gebruiken meer softdrugs dan stoppers. Het contact met de Jeugdbescherming verloopt bovendien moeizaam en gaat gepaard met een negatieve prognose aan het einde van hun behandeltraject.

Aanleiding voor het onderzoek was de veelgehoorde hypothese dat een nieuwe generatie jonge criminelen in Amsterdam is doorgegroeid in de zware criminaliteit. Zij zouden al jaren bekend zijn bij hulpverleningsinstanties en politie, maar desondanks zijn uitgegroeid tot zware criminelen. In dit onderzoek zijn de criminele carrières van meer dan 1000 jonge daders van een zwaar delict bestudeerd, die in 2000 voor het eerst werden verdacht van een zwaar geweldsdelict of een delict waarvoor een gevangenisstraf van ten minste 9 jaar kan worden opgelegd. Het zijn jongeren die in 2000 tussen de 12 en 30 jaar oud waren en woonachtig waren in Amsterdam. Vervolgens werden alle aan het zware delict voorafgaande en erop volgende antecedenten t/m 2013 in kaart gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat slechts een klein deel van deze groep ook daadwerkelijk doorgroeit in de zware misdaad.

Welke jonge daders van een zwaar delict groeien door in de zware criminaliteit en welke niet? Een deel van de jongeren werd al op jonge leeftijd begeleid door de Jeugdbescherming, omdat er ernstige zorgen bestonden over hun ontwikkeling. Op basis van de Jeugdbeschermingsdossiers is een verkennende analyse uitgevoerd naar de onderscheidende kenmerken van 50 doorgroeiers en 49 stoppers. Hieruit blijkt dat beide groepen gekenmerkt worden door ernstige problemen in het gezin en op school. Velen van hen groeiden op in gezinnen met financiële problemen waarin weinig structuur werd geboden en waarin de jongeren lang niet altijd op liefdevolle betrokkenheid van moeder of vader konden rekenen. Op school werden vaak gedragsproblemen gesignaleerd en was er veel verzuim. Relatief veel van deze jongeren verlieten school dan ook voortijdig. Hoewel deze problemen op zichzelf niet voorspellen of een jonge dader stopt of doorgroeit in de misdaad, kan de combinatie van problemen dat wel doen. Voortijdig schoolverlaten, softdrugsgebruik en het hebben van slechte vrienden zijn samen voorspellend voor het doorgroeien in de zware misdaad.
Ook jongeren bij wie de begeleiding door Jeugdbescherming Regio Amsterdam minder soepel verliep, konden als het ware ‘gevlagd’ worden als risicovol en hadden een grotere kans om door te groeien in de zware misdaad.

Geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie

Aard, omvang en aangifte bij de politie. (2017)

J.M. Harte, I. van Houwelingen, M.E. van Leeuwen (Vrije Universiteit Amsterdam). Politiewetenschap 98

Samenvatting
Meer dan andere beroepsgroepen hebben hulpverleners in de psychiatrie te maken met fysiek geweld, soms met ernstige gevolgen. Tegelijkertijd is er juist in deze sector onduidelijkheid over hoe dit geweld afgehandeld moet worden en in welke gevallen een strafrechtelijke reactie op zijn plaats is. Slachtoffers in de psychiatrie die aangifte overwegen, stuiten op een aantal knelpunten en dilemma’s. Het gevolg is dat vaak geen aangifte wordt gedaan van deze geweldsdelicten. In onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit van Amsterdam zijn de barrières bij het doen van aangifte van geweld in de psychiatrie in kaart gebracht en is gekeken wat de GGZ, de politie en het OM kunnen doen om slachtoffers beter te ondersteunen. 

Voor dit onderzoek zijn inventariserende enquêtes uitgezet en zijn 35 diepte-interviews afgenomen bij slachtoffers die aangifte hebben gedaan, leidinggevenden uit de GGZ, politiefunctionarissen, leden van de rechterlijke macht en andere betrokkenen. Ook zijn beleidsprogramma’s en documenten verzameld die betrekking hebben op de afdoening van geweld tegen hulpverleners.
Alle betrokken partijen menen dat agressie en geweld tot op zekere hoogte hoort bij het werk in de psychiatrie. Maar het is onduidelijk waar de grens van het toelaatbare ligt. Bij geweld in de psychiatrie wordt vaak verondersteld, zonder dat dit nader is onderzocht, dat de patiënt door de psychiatrische stoornis niet verantwoordelijk is voor het geweld.

Slachtoffers die aangifte doen bij de politie doorbreken op dat moment hun beroepsgeheim. De regels over de gronden waarop dit mag zijn streng en zo ingewikkeld dat het slachtoffer vaak afziet van het doen van aangifte. Anders dan in overige sectoren moet het slachtoffer in de psychiatrie vaak zorg blijven verlenen aan de patiënt die gewelddadig is geweest. De hulpverlener is soms bang om aangifte te doen, omdat hij of zij bang is voor represailles door de patiënt. Volledige anonimiteit van het slachtoffer kan in een strafproces niet worden gegarandeerd.

Voor slachtoffers in de psychiatrie, die een aangifte overwegen, speelt vergelding vrijwel nooit een rol. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming, niet alleen van henzelf maar ook van collega’s en patiënten. Om tot verbeteringen in de praktijk te komen moeten de GGZ, politie en het openbaar ministerie gezamenlijk werken aan praktische oplossingen voor de knelpunten. Slachtoffers kunnen worden geholpen door hen te horen en goed te informeren. Er moet worden gezocht naar mogelijkheden om de zorg aan patiënten die gewelddadig zijn geweest voort te zetten zonder dat slachtoffers hiervan hinder ondervinden.