• Politieenwetenschap


Nieuws

Binnenkort te publiceren

 

2017

  • VVC onder de aandacht: Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk - Radboud Universiteit
  • De mogelijke meerwaarde van de bodycams voor het politiewerk - Sander Flight Onderzoek & Advies

 

 

 

Laatste publicaties

Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen

Een analyse van het gemeentelijke noodrecht.

A.J. Wierenga, C. Post & J. Koornstra (Rijksuniversiteit Groningen) Politiekunde 84, Politie en Wetenschap/Reed Business 2016.

Samenvatting 
Vrijwel elke week is er ergens in Nederland een noodmaatregel van kracht: een tijdelijke maatregel van de burgemeester om een noodsituatie te voorkomen of te bestrijden. Jaarlijks zijn honderden politieagenten betrokken bij de handhaving van zogeheten noodbevelen (concrete instructies voor burgers) en noodverordeningen (algemene verboden en geboden). De noodmaatregelen lopen uiteen van eenvoudige gebiedsverboden tot evacuatiebevelen. Uit dit onderzoek van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid (COOV) van de Rechtenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat de genomen noodmaatregelen regelmatig in strijd zijn met de wet. Burgemeesters hebben moeite met het opstellen van juridisch houdbare noodvoorschriften en kennen bijvoorbeeld nieuwe bevoegdheden aan de politie toe. De noodvoorschriften worden verder soms zodanig geformuleerd dat het voor de politie moeilijk is ze te handhaven. In het onderzoek komt men tot best practices voor verschillende soorten noodsituaties: juridisch houdbare en door politie handhaafbare maatregelen die bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

In het onderzoek zijn ruim 250 noodverordeningen en noodbevelen van de laatste vijf jaren verzameld. Verder is gesproken met diverse deskundigen. Voor hun analyse onderscheiden de onderzoekers twaalf situaties waarin burgemeesters noodmaatregelen inzetten. Ze lopen uiteen van rampen zoals brand of overstroming tot ernstige wanordelijkheden als ordeverstoringen door voetbalgeweld of ongeregeldheden tijdens het bezoek van hoogwaardigheidsbekleders. De noodmaatregelen zijn geanalyseerd op legaliteit, juridische houdbaarheid en praktische handhaafbaarheid. Afgesloten wordt met een overzicht van de best practices – dat zijn de maatregelen die positief scoren op bovenstaande vragen en die in belangrijke mate kunnen bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van een ramp of ernstige wanordelijkheden.

Het onderzoek kan de verantwoordelijke gezagsdragers helpen bij het treffen van bruikbare noodmaatregelen. Daarmee is dit rapport van grote waarde voor burgemeesters, juristen van gemeenten en veiligheidsregio’s, leidinggevende politiefunctionarissen als ook andere betrokkenen bij de aanpak van noodsituaties.

Tevens treft u een bijlage aan met meer achtergrond informatie van het onderzoek. 

Kindersekstoeristen

Een literatuurverkenning naar kenmerken, motieven en werkwijzen van (Nederlandse) daders.

A. Koning, L. Rijksen-van Dijke (Universiteit Leiden). P&W Verkenning 78, Politie en Wetenschap 2016

Samenvatting
Over de (Nederlandse) daders van kindersekstoerisme is weinig bekend. In deze verkennende studie wordt gekeken wat de kenmerken, motieven, en werkwijzen zijn van Nederlandse kindersekstoeristen in het buitenland en wat effectieve interventie strategieën zouden kunnen zijn.

Kindersekstoerisme, het plegen van of medewerking verlenen aan seksueel geweld tegen kinderen in het buitenland, is een wereldwijd probleem. Het typische beeld is dat van een kindersekstoerist die reist van rijkere, ontwikkelde landen (zogenoemde herkomstlanden) naar armere ontwikkelingslanden (bestemmingslanden): de meest bekende bestemmingslanden bevinden zich in Zuidoost-Azië, Zuid-Amerika, Afrika en Oost-Europa. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat bestemmingslanden overal kunnen zijn, en dat daders ook (of vooral) binnen hun regio of land reizen. Bovendien zijn dankzij technologische ontwikkelingen in de laatste jaren nieuwe, online varianten van het fenomeen ontstaan in de vorm van webcam of livestream kindersekstoerisme, waardoor daders niet langer fysiek een grens hoeven over te steken om een kind te misbruiken.

Uit de analyse blijkt dat de dadergroep verre van homogeen is en dat verschillende motivaties voor kindersekstoerisme - preferentieel/situationeel - en werkwijzen – kortverblijvend / langverblijvend/ online - van toepassing zijn.
De diversiteit van de dadergroep vraagt om een afwisselend pakket van op daders afgestemde maatregelen. De schaarste van literatuur over het onderwerp illustreert daarnaast de noodzaak van het verbeteren van de informatiepositie en de uitvoering van wetenschappelijk vervolgonderzoek. Aan de politie is het de taak om, gegeven de beperkte informatiepositie en capaciteitsrestricties, het pakket aan preventieve en opsporingsmaatregelen zo effectief mogelijk vorm te geven. Politieke steun en financiering zijn daarbij volgens de onderzoekers kernvoorwaarden om de aanpak van kindersekstoerisme vorm te geven.

Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte?

Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken.

M. Goderie m.m.v. R. Kool. (Goderi onderzoek). Politiekunde 81, Politie en Wetenschap/Reed Business 2016.

Samenvatting
Een aangifte is bij de aanpak van gedwongen prostitutie niet perse nodig als er ook voldoende andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, bijvoorbeeld op basis van prostitutiecontroles en financieel onderzoek. Dit blijkt uit onderzoek van Marjolein Goderie. Slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie vinden het lang niet altijd in hun eigen belang om aangifte te doen bij de politie. De aangiftebereidheid is dan ook laag. Ook de politie is vanwege het mogelijke risico voor het slachtoffer soms terughoudend om een aangifte van een slachtoffer van mensenhandel op te nemen, maar ziet die aangifte wel als belangrijke start van een opsporingsonderzoek. Opsporen en vervolgen zonder aangifte is in principe juridisch mogelijk, maar wordt nog teveel als papieren werkelijkheid gezien. Uit dit onderzoek blijkt dat er wel degelijk mogelijkheden in de praktijk zijn om zonder aangifte van een slachtoffer succesvol een opsporingsonderzoek te starten en verdachten te vervolgen en voor de rechter te brengen. Rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens biedt daarbij ruimte voor creatieve oplossingen van de zijde van de politie. Het onderzoek biedt daarmee handvatten voor de opsporingspraktijk bij mensenhandel in de prostitutie.

Een van de redenen voor de lage aangiftebereidheid bij mensenhandel in de prostitutie is dat veel slachtoffers erg bang zijn, bijvoorbeeld voor wraakacties van hun uitbuiters. Ook vrezen slachtoffers dat de politie weinig kan en zal doen om de verdachten meteen aan te pakken. Zelfs al worden er aangiften verkregen, dan is de kwaliteit er van vaak niet optimaal. Een oplossing zou daarom zijn om niet de aangifte van het slachtoffer als vertrekpunt te nemen maar bij de opsporing meer verdachte-gericht te werk te gaan.
 
In dit onderzoek is daarom door middel van interviews met deskundigen en een analyse van jurisprudentie uitgezocht wat mogelijkheden in de praktijk zijn om een opsporingsonderzoek naar mensenhandel in de prostitutie succesvol te starten of te volbrengen zonder dat slachtoffers (eerst) aangifte doen. Deze mogelijkheden zijn in de politiepraktijk nog onvoldoende bekend.

Uit de interviews komen kansrijke opsporingsmethoden naar voren, uit de speurtocht naar jurisprudentie succesvolle bewijsmiddelen. Voorbeelden van succesvolle opsporingsmiddelen zijn het beginnen van een onderzoek op basis van een melding, digitaal onderzoek, de heimelijke doorzoeking en observaties door de politie. Een aangifte is niet perse nodig als de opsporing zich gaat richten op het verkrijgen van andere bewijsmiddelen. Uit de jurisprudentie blijkt dat sommige politieteams en officieren van justitie dit pad al eens succesvol gevolgd hebben.
De politie en het Openbaar Ministerie kijken nu hoe zij de mogelijkheden om vaker verdachte gericht op te gaan sporen verder kunnen gaan ontwikkelen.