• Politieenwetenschap


Nieuws

Binnenkort te publiceren

 

2017

  • Vermisten op het spoor. Rechercheren naar langdurige vermissingen - Bureau Beke
  • Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad - EMMA
  • De aard van het beestje - Bureau Beke
  • Modus Operandi van de recherche - Bureau Beke

 

 

 

 

 

Laatste publicaties

VVC onder de aandacht

Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk (2017).

R. Salet, J. Terpstra m.m.v. P. Frielink (Radboud Universiteit, Nijmegen). Politiewetenschap 92

Samenvatting
ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

 

Naar een rationele opsporing

Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing (2017).

I. Helsloot. P. van Reenen. P. van Lochem.

Samenvatting
Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.

De mogelijke meerwaarde van bodycams voor politiewerk

Een internationaal literatuuronderzoek (2017).

S. Flight (Sander Flight Onderzoek & Advies, Amsterdam) Politiewetenschap 93

Samenvatting
Invoering van de bodycam door de politie leidt niet altijd tot gewenste effecten als vermindering van het aantal klachten en geweldgebruik door politie en gebruik van opnames voor opsporing. Dit blijkt uit een grootschalig internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd door Sander Flight. Positieve effecten die wel gevonden werden in de VS bleken niet op te treden in de andere landen waar grondige onderzoeken met bodycams zijn uitgevoerd. Context, zoals de relatie tussen politie en burgers, beleidsmatige keuzes, technische specificaties en het juridisch kader zijn blijkbaar van invloed. Met behulp van te evalueren pilots kan de politie beter zicht krijgen op de effecten in de Nederlandse context en bij verschillend gebruik.
Er zijn in de literatuur negen evaluaties aangetroffen die voldoende degelijk van opzet waren om mee te mogen doen in deze meta-evaluatie: in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Vijf van de negen onderzoeken lieten zien dat het aantal klachten tegen politiemensen aanzienlijk daalde (met 14 tot 87 procent). De vier andere evaluaties onderzochten andere doelen en deden dan ook geen uitspraak over klachten. Ook geweldsgebruik door de politie kan dalen door bodycams: dat lieten drie van de negen evaluaties zien (dalingen met 28 tot 75 procent). Over de waarde van opgenomen beelden voor de opsporing weten we nog maar weinig: slechts twee van de bestudeerde evaluatierapporten rapporteerden positieve, zij het kleine, bijdragen van bodycams aan de strafrechtketen.
De effecten van bodycams lijken sterk af te hangen van de beleidsmatige context. Moet de politie zelf de bodycam aanzetten of staat hij altijd aan? En wie werken met de bodycams: doet men dit alleen vrijwillig of is het gebruik verplicht? Dit is van invloed op het aantal opgenomen beelden. Beleid en instructies zijn dus heel belangrijk. Hetzelfde geldt voor technische specificaties (bijvoorbeeld of te zien is dat de camera aanstaat), het juridische kader (bijvoorbeeld hoe lang de beelden bewaard worden en of zij direct naar het OM en de rechter gaan of moeten worden uitgeschreven in een proces-verbaal) en de fysieke context (bijvoorbeeld het type locatie of soort politiedienst). Hoe dit alles op elkaar inwerkt is nog niet duidelijk; niet in het buitenland en ook niet in Nederland.
Een belangrijke aanbeveling is om een onderzoeksprogramma te starten en de effecten van bodycams ook in Nederland grondig te onderzoeken. Het doel van vervolgonderzoek zou moeten zijn om uit te vinden hoe publiek en politie op de bodycams reageren, wat bodycams bijdragen aan waarheidsvinding, bewijsvoering, klachtafhandeling, het voorkomen van geweld tegen de politie en aan intercollegiaal leren. Dit vervolgonderzoek, waarbij pilots worden geëvalueerd, kan uitwijzen hoe, waar, in welke situatie en op welke manier bodycams bij de uitrusting van de politie zouden kunnen gaan behoren.